Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5054

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/1891
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen stopzetting AIO-aanvulling wegens overschrijding vermogensgrens

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van haar AIO-aanvulling en de vaststelling van haar afloscapaciteit door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB stelde dat verzoekster meer dan €7.700 aan vermogen bezit, mede gebaseerd op een taxatierapport van onroerend goed in Suriname, en daarom geen recht meer heeft op de AIO-aanvulling. Verzoekster betwistte het eigendom van het onroerend goed en overhandigde een notariële koopovereenkomst uit 2013 waarin zij het erfpachtrecht zou hebben verkocht aan haar zoon.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de SVB op goede gronden mocht aannemen dat verzoeksters vermogen boven de vermogensgrens uitkomt, omdat de overdracht afhankelijk is van toestemming van de overheid en niet is aangetoond dat deze is verkregen. Verzoekster blijft volgens de rechter juridisch eigenaar van het erfpachtrecht en betaalt nog steeds grondhuur.

Hoewel er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de financiële situatie van verzoekster, is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding en verzoekster kan in beroep nadere stukken overleggen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de stopzetting van de AIO-aanvulling wordt afgewezen omdat de SVB terecht aannam dat de vermogensgrens is overschreden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/1891

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Schiedam, verzoekster

(gemachtigde: [naam]),
en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de stopzetting van verzoeksters AIO [1] -aanvulling en de vaststelling van de afloscapaciteit vanwege een terugvordering. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit I van 28 augustus 2025 heeft de SVB bepaald dat verzoeksters AIO-aanvulling eindigt vanaf 1 september 2025. Met het primaire besluit II van 28 augustus 2025 heeft de SVB de afloscapaciteit van verzoekster vastgesteld op € 28,- per maand.
Met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 is de SVB bij deze besluiten gebleven.
Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.1.
De SVB heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde (tevens haar zoon) en de gemachtigde van de SVB.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
3. Aan het primaire besluit I heeft de SVB ten grondslag gelegd dat verzoekster meer dan € 7.770,- aan vermogen heeft en daarom geen recht meer heeft op een AIO-aanvulling met ingang van 1 september 2025.
Met het primaire besluit II heeft de SVB bepaald dat de betalingsregeling aan de SVB wijzigt. Verzoekster heeft een openstaande vordering van € 29.979,25 en om deze vordering te voldoen verrekent de SVB vanaf september 2025 maandelijks € 28,- met verzoeksters AOW-uitkering.
In het bestreden besluit is de SVB bij de primaire besluiten gebleven en is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. De SVB stelt zich op het standpunt dat verzoekster eigenaar is van onroerend goed in Suriname, dat is getaxeerd op € 74.625,-. Met aftrek van de schuld die verzoekster bij de SVB heeft, blijft verzoeksters vermogen boven de grens van € 7.700,-. Ten aanzien van de betalingsregeling heeft de SVB het standpunt ingenomen dat het berekende bedrag van € 28,- per maand is berekend op basis van verzoeksters draagkracht.
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij een voorschot op haar AIO-uitkering ontvangt totdat op het beroep is beslist. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen onroerend goed in Suriname in eigendom heeft.
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij door de stopzetting van haar AIO-aanvulling niet meer zelfstandig kan voorzien in haar levensonderhoud. Dit moet zij nu doen van geleend geld. Gelet hierop en de nader gegeven toelichting en reactie van verzoekster op zitting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat in dit geval sprake is van een spoedeisend belang. Er lijkt sprake te zijn van een financiële noodsituatie waardoor de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.
Inhoudelijke beoordeling
6. De voorzieningenrechter beoordeelt of de SVB mocht aannemen dat het vermogen van verzoekster boven de vermogensgrens van € 7.700,- (in 2025 voor het recht op een AIO-aanvulling) [2] uitkomt.
7. Verzoekster betwist, kort gezegd, dat haar vermogen boven deze grens uitkomt. De gemachtigde van verzoekster voert aan dat verzoekster niet de eigenaar van het onroerende goed in Suriname is. De gemachtigde van verzoekster heeft op de zitting verklaard dat hij het onroerend goed (exclusief het perceel) in 2013 van verzoekster heeft gekocht en heeft daartoe ter zitting ten bewijze een overeenkomst, die is opgemaakt bij de notaris op 22 oktober 2013, overgelegd. Uit deze overeenkomst blijkt volgens de gemachtigde van verzoekster dat verzoekster het onroerende goed (de opstal c.q. de vakantiewoning) aan hem (haar zoon) heeft verkocht. De SVB heeft de waarde van het onroerend goed ten onrechte betrokken bij het totale vermogen van verzoekster.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de SVB op goede gronden mocht aannemen dat verzoeksters vermogen boven de vermogensgrens van € 7.700,- uitkomt.
Voorafgaand aan de primaire besluiten is een taxatierapport binnengekomen van een onroerende goed aan de [adres 1], op verzoek van verzoekster opgemaakt in Paramaribo op 15 augustus 2025.
In dit taxatierapport staat vermeld dat het doel van de taxatie is om inzicht te verstrekken in de waarde van het object. Uit de kadastrale omschrijving blijkt het te gaan om een perceel grond met oppervlakte van 312.50 m², waarbij de titel van de grond ‘erfpacht’ is, vervallende op 26 augustus 2046, en bestemming ‘bewoning’ heeft. Op het perceel staat een opstal (woning) met een totale oppervlakte van 125 m². De woning heeft 4 slaapkamers, een bad en toilet, een voorzaal en een keuken. De economische marktwaarde van het perceel grond met de opstal bedraagt € 74.625,-. Bij het taxatierapport bevindt zich verder een hypothecair uittreksel waarin staat dat verzoekster beschikt over een erfpachtrecht.
9. Met de door de gemachtigde van verzoekster op zitting overgelegde notariële overeenkomst heeft verzoekster geprobeerd aannemelijk te maken dat het recht van erfpacht op het perceel grond met een oppervlakte van 312,50 m², met al hetgeen daarop staat, door verzoekster is verkocht aan haar zoon, gemachtigde van verzoekster.
In deze overeenkomst, opgemaakt door een notaris in Suriname en voorzien van Surinaams plakzegel, getekend op 22 oktober 2013, staat het volgende vermeld:
  • dat partij ter ener [verzoekster] het hierna te noemen onroerend goedonder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik
    wenst te verkopen aan partij ter andere zijde (de gemachtigde van verzoekster), die dit onroerend goed voor eigen rekening en risico wenst te kopen;
  • dat voor de betreffende overdracht toestemming van de Overheid vereist is;
  • ……
  • dat het recht van erfpacht is verkregen door de overschrijving ten hypotheekkantore alhier….
  • dat vooruitlopend op de voorgeschreven toestemming partijen verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
Partij ter ener [verzoekster] verklaart onder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik te hebben verkocht aan partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster], die verklaart te hebben gekocht:het recht van erfpacht – vervallende 26 augustus 2046 – op het erf, groot 312,50 m², gelegen in [adres 2], met al hetgeen daarop staat.Voor de koopsom welke nader aan partijen bekend is, weke koopsom tussen partijen is verrekend, waarvoor kwijting bij deze.Partijen verklaren voorts dat deze koopovereenkomst/overdracht is aangegaan onder de navolgende
BEDINGEN:1. Het recht op erfpacht op voorschreven onroerend goed is verkocht in de staat, waarin het onroerend goed zich bevindt, met alle rechten en lasten, (…..)

2. De rechtsgeldige overdracht van voormeld recht van erfpacht zal plaatsvinden binnen twee weken nadat de vereiste toestemming van de Overheid is verkregen.

3. Het recht van erfpacht op voorschreven onroerend goed wordtop hedenin de macht en het bezit van de partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster] gesteld.4. De kosten van de akte van overdracht en die van deze overeenkomst komen voor rekening van partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster], alsmede de zegelrechten over de kale grondwaarde.

5. Partij ter ener [verzoekster] waarborgt partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster] het rustig en vreedzaam bezit en machtigt de hypotheekbewaarder een aantekening van deze akte e stellen ter zijde van het Hypotheek Register.

6. Indien van Overheidswege de levering niet kan plaatsvinden, wordt deze overeenkomst ontbonden, zonder dat partijen enige schadevergoeding aan elkaar verschuldigd zijn, terwijl de reeds betaalde koopsom terstond terug betaald dient te worden.
De gemachtigde van verzoekster heeft op de zitting verklaard niet te weten of de voor de overdracht van het perceel grond met opstal vereiste toestemming van de Overheid inmiddels is verkregen. Hij weet niet of de overdracht is ingeschreven in een Register. Daarnaast heeft de gemachtigde van verzoekster bevestigd dat verzoekster nog steeds de grondhuur betaalt.
10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een rechtsgeldige overdracht van het recht van erfpacht op het perceel grond met al hetgeen daar op staat (de vakantiewoning) in Suriname. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verzoekster nog steeds beschikt over het erfpachtrecht op genoemd perceel met genoemd onroerend goed in Suriname.
De bevestiging hiervan blijkt uit het taxatierapport en het daarbij gevoegde hypothecair uittreksel. De SVB mocht er vooralsnog dus op goede gronden vanuit gaan dat de vermogensgrens, in weerwil van de door verzoekster overgelegde overeenkomst, is overschreden. Het staat verzoekster vrij in beroep nadere stukken in te dienen waaruit blijkt dat de feitelijke eigendomssituatie van het onroerend goed anders is.

Conclusie en gevolgen

11. Omdat nader onderzoek nog kan bijdragen aan het beroep, doet de voorzieningenrechter alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en niet in het beroep.
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat zij geen voorlopige voorziening zal treffen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.aanvullende inkomensvoorziening ouderen
2.Zie voor de vermogensgrens artikel 34, eerste lid onder a, het tweede lid onder b en het derde lid onder a van de Participatiewet (PW).