Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Aan het primaire besluit I heeft de SVB ten grondslag gelegd dat verzoekster meer dan € 7.770,- aan vermogen heeft en daarom geen recht meer heeft op een AIO-aanvulling met ingang van 1 september 2025.
Met het primaire besluit II heeft de SVB bepaald dat de betalingsregeling aan de SVB wijzigt. Verzoekster heeft een openstaande vordering van € 29.979,25 en om deze vordering te voldoen verrekent de SVB vanaf september 2025 maandelijks € 28,- met verzoeksters AOW-uitkering.
In het bestreden besluit is de SVB bij de primaire besluiten gebleven en is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. De SVB stelt zich op het standpunt dat verzoekster eigenaar is van onroerend goed in Suriname, dat is getaxeerd op € 74.625,-. Met aftrek van de schuld die verzoekster bij de SVB heeft, blijft verzoeksters vermogen boven de grens van € 7.700,-. Ten aanzien van de betalingsregeling heeft de SVB het standpunt ingenomen dat het berekende bedrag van € 28,- per maand is berekend op basis van verzoeksters draagkracht.
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij een voorschot op haar AIO-uitkering ontvangt totdat op het beroep is beslist. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen onroerend goed in Suriname in eigendom heeft.
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij door de stopzetting van haar AIO-aanvulling niet meer zelfstandig kan voorzien in haar levensonderhoud. Dit moet zij nu doen van geleend geld. Gelet hierop en de nader gegeven toelichting en reactie van verzoekster op zitting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat in dit geval sprake is van een spoedeisend belang. Er lijkt sprake te zijn van een financiële noodsituatie waardoor de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.
6. De voorzieningenrechter beoordeelt of de SVB mocht aannemen dat het vermogen van verzoekster boven de vermogensgrens van € 7.700,- (in 2025 voor het recht op een AIO-aanvulling)uitkomt.
7. Verzoekster betwist, kort gezegd, dat haar vermogen boven deze grens uitkomt. De gemachtigde van verzoekster voert aan dat verzoekster niet de eigenaar van het onroerende goed in Suriname is. De gemachtigde van verzoekster heeft op de zitting verklaard dat hij het onroerend goed (exclusief het perceel) in 2013 van verzoekster heeft gekocht en heeft daartoe ter zitting ten bewijze een overeenkomst, die is opgemaakt bij de notaris op 22 oktober 2013, overgelegd. Uit deze overeenkomst blijkt volgens de gemachtigde van verzoekster dat verzoekster het onroerende goed (de opstal c.q. de vakantiewoning) aan hem (haar zoon) heeft verkocht. De SVB heeft de waarde van het onroerend goed ten onrechte betrokken bij het totale vermogen van verzoekster.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de SVB op goede gronden mocht aannemen dat verzoeksters vermogen boven de vermogensgrens van € 7.700,- uitkomt.
Voorafgaand aan de primaire besluiten is een taxatierapport binnengekomen van een onroerende goed aan de [adres 1], op verzoek van verzoekster opgemaakt in Paramaribo op 15 augustus 2025.
In dit taxatierapport staat vermeld dat het doel van de taxatie is om inzicht te verstrekken in de waarde van het object. Uit de kadastrale omschrijving blijkt het te gaan om een perceel grond met oppervlakte van 312.50 m², waarbij de titel van de grond ‘erfpacht’ is, vervallende op 26 augustus 2046, en bestemming ‘bewoning’ heeft. Op het perceel staat een opstal (woning) met een totale oppervlakte van 125 m². De woning heeft 4 slaapkamers, een bad en toilet, een voorzaal en een keuken. De economische marktwaarde van het perceel grond met de opstal bedraagt € 74.625,-. Bij het taxatierapport bevindt zich verder een hypothecair uittreksel waarin staat dat verzoekster beschikt over een erfpachtrecht.
9. Met de door de gemachtigde van verzoekster op zitting overgelegde notariële overeenkomst heeft verzoekster geprobeerd aannemelijk te maken dat het recht van erfpacht op het perceel grond met een oppervlakte van 312,50 m², met al hetgeen daarop staat, door verzoekster is verkocht aan haar zoon, gemachtigde van verzoekster.
In deze overeenkomst, opgemaakt door een notaris in Suriname en voorzien van Surinaams plakzegel, getekend op 22 oktober 2013, staat het volgende vermeld:
dat partij ter ener [verzoekster] het hierna te noemen onroerend goedonder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik
wenst te verkopen aan partij ter andere zijde (de gemachtigde van verzoekster), die dit onroerend goed voor eigen rekening en risico wenst te kopen;
dat voor de betreffende overdracht toestemming van de Overheid vereist is;
……
dat het recht van erfpacht is verkregen door de overschrijving ten hypotheekkantore alhier….
dat vooruitlopend op de voorgeschreven toestemming partijen verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
Partij ter ener [verzoekster] verklaart onder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik te hebben verkocht aan partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster], die verklaart te hebben gekocht:het recht van erfpacht – vervallende 26 augustus 2046 – op het erf, groot 312,50 m², gelegen in [adres 2], met al hetgeen daarop staat.Voor de koopsom welke nader aan partijen bekend is, weke koopsom tussen partijen is verrekend, waarvoor kwijting bij deze.Partijen verklaren voorts dat deze koopovereenkomst/overdracht is aangegaan onder de navolgende
BEDINGEN:1. Het recht op erfpacht op voorschreven onroerend goed is verkocht in de staat, waarin het onroerend goed zich bevindt, met alle rechten en lasten, (…..)
2. De rechtsgeldige overdracht van voormeld recht van erfpacht zal plaatsvinden binnen twee weken nadat de vereiste toestemming van de Overheid is verkregen.
3. Het recht van erfpacht op voorschreven onroerend goed wordtop hedenin de macht en het bezit van de partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster] gesteld.4. De kosten van de akte van overdracht en die van deze overeenkomst komen voor rekening van partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster], alsmede de zegelrechten over de kale grondwaarde.
5. Partij ter ener [verzoekster] waarborgt partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster] het rustig en vreedzaam bezit en machtigt de hypotheekbewaarder een aantekening van deze akte e stellen ter zijde van het Hypotheek Register.
6. Indien van Overheidswege de levering niet kan plaatsvinden, wordt deze overeenkomst ontbonden, zonder dat partijen enige schadevergoeding aan elkaar verschuldigd zijn, terwijl de reeds betaalde koopsom terstond terug betaald dient te worden.
De gemachtigde van verzoekster heeft op de zitting verklaard niet te weten of de voor de overdracht van het perceel grond met opstal vereiste toestemming van de Overheid inmiddels is verkregen. Hij weet niet of de overdracht is ingeschreven in een Register. Daarnaast heeft de gemachtigde van verzoekster bevestigd dat verzoekster nog steeds de grondhuur betaalt.
10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een rechtsgeldige overdracht van het recht van erfpacht op het perceel grond met al hetgeen daar op staat (de vakantiewoning) in Suriname. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verzoekster nog steeds beschikt over het erfpachtrecht op genoemd perceel met genoemd onroerend goed in Suriname.
De bevestiging hiervan blijkt uit het taxatierapport en het daarbij gevoegde hypothecair uittreksel. De SVB mocht er vooralsnog dus op goede gronden vanuit gaan dat de vermogensgrens, in weerwil van de door verzoekster overgelegde overeenkomst, is overschreden. Het staat verzoekster vrij in beroep nadere stukken in te dienen waaruit blijkt dat de feitelijke eigendomssituatie van het onroerend goed anders is.