Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Schiedam, verzoekster
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
In het bestreden besluit is de SVB bij de primaire besluiten gebleven en is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. De SVB stelt zich op het standpunt dat verzoekster eigenaar is van onroerend goed in Suriname, dat is getaxeerd op € 74.625,-. Met aftrek van de schuld die verzoekster bij de SVB heeft, blijft verzoeksters vermogen boven de grens van € 7.700,-. Ten aanzien van de betalingsregeling heeft de SVB het standpunt ingenomen dat het berekende bedrag van € 28,- per maand is berekend op basis van verzoeksters draagkracht.
De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
- dat partij ter ener [verzoekster] het hierna te noemen onroerend goedonder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik
wenst te verkopen aan partij ter andere zijde (de gemachtigde van verzoekster), die dit onroerend goed voor eigen rekening en risico wenst te kopen; - dat voor de betreffende overdracht toestemming van de Overheid vereist is;
- ……
- dat het recht van erfpacht is verkregen door de overschrijving ten hypotheekkantore alhier….
- dat vooruitlopend op de voorgeschreven toestemming partijen verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
2. De rechtsgeldige overdracht van voormeld recht van erfpacht zal plaatsvinden binnen twee weken nadat de vereiste toestemming van de Overheid is verkregen.
5. Partij ter ener [verzoekster] waarborgt partij ter andere zijde [gemachtigde van verzoekster] het rustig en vreedzaam bezit en machtigt de hypotheekbewaarder een aantekening van deze akte e stellen ter zijde van het Hypotheek Register.
De bevestiging hiervan blijkt uit het taxatierapport en het daarbij gevoegde hypothecair uittreksel. De SVB mocht er vooralsnog dus op goede gronden vanuit gaan dat de vermogensgrens, in weerwil van de door verzoekster overgelegde overeenkomst, is overschreden. Het staat verzoekster vrij in beroep nadere stukken in te dienen waaruit blijkt dat de feitelijke eigendomssituatie van het onroerend goed anders is.