ECLI:NL:RBROT:2026:5057

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2630
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering door het UWV en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het griffierecht niet was betaald.

De griffier had verzoeker per aangetekende brief verzocht het griffierecht van €54 binnen twee weken te voldoen. De brief werd niet opgehaald en retour gezonden. Vervolgens werd de nota per e-mail verzonden met het verzoek tot onmiddellijke betaling. Ondanks telefonisch contact en de mededeling dat het verzoek zou worden ingetrokken, is het griffierecht niet betaald en is het verzoek niet ingetrokken.

Omdat er geen verontschuldiging voor het niet betalen is gegeven, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Hierdoor wordt het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en is er geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2630

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Özates),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. Met het besluit van 16 mei 2025 heeft het UWV verzoekers Ziektewetuitkering beëindigd per 20 april 2025, omdat verzoeker sinds die datum hersteld is. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het UWV heeft met een verweerschrift gereageerd op dit verzoek.
3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
4. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 26 maart 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 28 maart 2026 om 12:19 uur is aangeboden aan de gemachtigde van verzoeker, maar dat bezorging niet is gelukt. De brief kon vanaf 31 maart 2026 worden afgehaald op een PostNL-punt. Omdat de brief niet is opgehaald, is deze retour gegaan naar de afzender.
De nota is vervolgens op 17 april 2026 gemaild naar de gemachtigde van verzoeker, met het verzoek om het griffierecht per omgaande te betalen. Omdat het griffierecht op 23 april 2026 nog steeds niet was voldaan, heeft de griffier die dag telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van verzoeker. Volgens de gemachtigde zou het verzoek om een voorlopige voorziening diezelfde dag nog worden ingetrokken.
6. Op dit moment is het verzoek om een voorlopige voorziening niet ingetrokken en is het griffierecht niet betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
7. Er is niet gebleken dat er een verontschuldiging is voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.