Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5060

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/3037
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ParticipatiewetArt. 18 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens niet duurzaam gescheiden leven

Verzoekster heeft een bijstandsuitkering aangevraagd nadat haar man vanwege een contact- en gebiedsverbod de woning had verlaten. Het college wees de aanvraag af omdat verzoekster en haar man niet duurzaam gescheiden zouden leven. De voorzieningenrechter oordeelt dat hoewel verzoekster en haar man niet duurzaam gescheiden leven, de relatie dermate ernstig is verstoord dat het niet verantwoord is nog langer rekening te houden met hun gezamenlijke middelen.

Tijdens de zitting verklaarde verzoekster dat er sprake was van huiselijk geweld en dat haar man sinds maart 2026 de huur niet meer betaalde. De voorzieningenrechter achtte er voldoende spoedeisend belang en stelde vast dat verzoekster niet kan worden geacht als ongehuwd te leven, maar dat de bijzondere omstandigheden een afwijking van de regel rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter treft daarom een voorlopige voorziening en beveelt het college om per datum van de aanvraag voorschotten te verstrekken aan verzoekster. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is bindend voor het voorlopige proces en hoger beroep is uitgesloten.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college moet voorschotten verstrekken aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3037

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. Ö. Saraç),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
4. Verzoekster is getrouwd met [naam] en ze hebben samen drie kinderen, waarvan één minderjarig thuiswonend kind. Verzoekster en haar man staan ingeschreven op hetzelfde adres. Verzoeksters man is de kostwinner van het gezin.
5. De kantonrechter heeft op 11 februari 2026 een contact- en gebiedsverbod opgelegd aan verzoeksters man. Hij mag gedurende een jaar geen contact opnemen met verzoekster en niet in de buurt komen van hun woning en de school van hun minderjarig kind. Verzoeksters man heeft de woning pas op 5 maart 2026 verlaten, omdat hij niet eerder een andere verblijfplaats had gevonden. Verzoekster heeft op 6 maart 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd.
Waar gaat het in deze zaak om?
6. Het college heeft de aanvraag afgewezen. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat verzoekster een gezamenlijke huishouding vormt met haar man. In het verweerschrift is het college van dit standpunt afgestapt. Het college stelt zich nu op het standpunt dat verzoekster niet duurzaam gescheiden leeft van haar man. Volgens het college kan verzoekster daarom alleen samen met haar man een bijstandsuitkering aanvragen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij een bijstandsuitkering krijgt.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
9. Verzoekster heeft tijdens een telefoongesprek van 19 maart 2026 met een inkomensconsulent verklaard dat de kosten van huur, energie, gas, water en de maandelijkse zorgverzekeringspremies via automatische incasso van de bankrekening van haar man worden afgeschreven en dat daarin niets is veranderd sinds hij de woning heeft verlaten. Verder heeft verzoekster verklaard dat het soms voorkomt dat haar man onvoldoende saldo heeft en dat de huur dan van haar rekening wordt afgeschreven, maar dan maakt hij normaal gesproken het geld over naar haar rekening. Het college heeft om deze reden vraagtekens geplaatst bij het spoedeisend belang. Verzoekster heeft tijdens de zitting verklaard dat haar man sinds maart de huur niet meer heeft betaald en dat zij ook geen geld van hem heeft gekregen sinds hij is vertrokken.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster een aanmaning heeft overgelegd van 20 maart 2026 inzake de huur. Volgens verzoekster heeft zij een betalingsregeling getroffen met de verhuurder, maar moet zij de achterstand volgende maand inhalen en anders heeft zij een probleem. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat de situatie sinds het telefoongesprek op 19 maart 2026 is gewijzigd. Zij ziet een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Is er sprake van duurzaam gescheiden leven?
11. Voor de bijstand wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. [1] Hiervan is sprake als het (kort gezegd) gaat om een gewenste verbreking van de relatie, waardoor beide echtgenoten afzonderlijk van elkaar hun eigen leven leiden en deze situatie door in ieder geval één van hen duurzaam is bedoeld.
12. Verzoekster heeft in een handgeschreven brief van 16 maart 2026 verklaard dat er geen sprake is van een definitieve verlating door haar man en dat zij niet willen scheiden. Tijdens het telefoongesprek van 19 maart 2026 heeft verzoekster bevestigd dat zij en haar man getrouwd willen blijven. Verzoekster is er de hoop en de mogelijkheid dat de situatie over een jaar beter is en dat haar man dan weer bij haar mag komen wonen. Verzoekster weet niet hoe haar man daar zelf over denkt. Tijdens de zitting heeft verzoekster verklaard dat zij er nog niet over uit is of ze verder wil met haar man.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment nog geen sprake van lijkt te zijn dat verzoekster duurzaam gescheiden leeft van haar man. Het lijkt er in ieder geval op dat verzoekster en haar man de mogelijkheid openhouden dat zij na het vervallen van het contact- en gebiedsverbod het weer met elkaar willen proberen. In zoverre kan verzoekster op dit moment niet als ongehuwd worden aangemerkt.
Is er aanleiding om de uitkering af te stemmen op verzoeksters situatie?
14. Het college heeft de mogelijkheid om de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van verzoekster. [2] Zo biedt de Participatiewet de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de regel dat bijstand in een gezinssituatie als gezinsbijstand wordt verleend. Voor een dergelijke afwijking kan bijvoorbeeld aanleiding zijn als de relatie tussen gehuwden, hoewel ze nog niet duurzaam gescheiden leven, dermate ernstig is verstoord dat het niet verantwoord is nog langer met hun gezamenlijke middelen rekening te houden. [3]
15. Het college heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat het dan moet gaan om een zeer bijzondere situatie. Volgens het college is de duur van het contactverbod daarbij niet van belang. Verzoekster en haar man zijn gehuwd, verzoeksters man is de kostwinner en er geldt een onderhoudsplicht. Hij is verantwoordelijk voor verzoekster en hun minderjarige kind. Er is niet gebleken dat er tussen verzoekster en haar man afspraken zijn gemaakt over de financiën. Volgens het college is afstemming op dit moment niet aan de orde, omdat nog niet duidelijk is wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van de onderhoudsplicht.
16. Verzoekster heeft tijdens de zitting verklaard dat er sprake was van huiselijk geweld binnen het gezin. Het contact- en gebiedsverbod is opgelegd voor een jaar en loopt nog tot medio februari 2027. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er op dit moment sprake van een ernstige verstoring van de relatie tussen verzoekster en haar man. Verder kan van verzoekster niet worden verlangd dat zij – gelet op de situatie – contact opneemt met haar man om afspraken te maken over de onderhoudsplicht of financiële bijdrages voor de vaste lasten van de woning. Het is daarom niet verantwoord om op dit moment rekening te houden met de financiële middelen van verzoeksters man. Volgens de voorzieningenrechter is dit juist een schoolvoorbeeld van een bijzondere situatie zoals in de wetsgeschiedenis is bedoeld. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en het college op te dragen om verzoekster voorschotten te verlenen naar de voor haar geldende norm. Als bepaalde vaste lasten door verzoeksters man worden betaald of als zij geld van hem krijgt, dan dient verzoekster dit uit zichzelf door te geven aan het college.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het college per 9 april 2026 (datum indiening van het verzoek) voorschotten dient te verstrekken naar de voor verzoekster geldende norm.
18. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat het college per 9 april 2026 voorschotten dient te betalen aan verzoekster naar de voor haar geldende norm, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet.
2.Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.
3.Kamerstukken II, 1991-1992, 22 545, n3. 3, blz. 120 (Memorie van Toelichting bij artikel 13, vierde lid, van de Algemene bijstandswet; de voorloper van artikel 18 van Pro de Participatiewet).