Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:508

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/10/708109 / HA ZA 25-894
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 94 lid 2 RvArt. 71 lid 2 RvArt. 7:201 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak naar kantonrechter wegens huurovereenkomst en samenhangende vorderingen

In deze civiele procedure vordert [bedrijf A] betaling van een bedrag en kosten van SIM Holland, gebaseerd op huurovereenkomsten en een samenhangende koopovereenkomst. SIM Holland verzoekt de zaak te verwijzen naar de kantonrechter locatie Dordrecht, omdat huurovereenkomsten aardvorderingen zijn die door de kantonrechter behandeld moeten worden.

[bedrijf A] betwist dit en stelt dat het geschil een zakelijk conflict betreft over meerdere elementen zoals ontwerp, levering en service, waardoor het geen zuivere huurovereenkomst is. Subsidiair verzoekt zij verwijzing naar de kantonrechter locatie Rotterdam in plaats van Dordrecht.

De rechtbank oordeelt dat de zaak twee huurovereenkomsten en een koopovereenkomst betreft die zodanig samenhangen dat afzonderlijke behandeling niet mogelijk is. De zaak wordt daarom verwezen naar de kantonrechter locatie Dordrecht, waar SIM Holland statutair gevestigd is. [bedrijf A] wordt veroordeeld in de kosten van het incident, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

De rechtbank wijst partijen erop dat zij op de rolzitting niet hoeven te verschijnen en dat zij in het vervolg van de procedure ook zonder advocaat kunnen optreden. Tevens wordt het griffierecht verlaagd en teruggestort indien te veel betaald.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de kantonrechter locatie Dordrecht en veroordeelt [bedrijf A] in de kosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/708109 / HA ZA 25-894
Vonnis in incident van 21 januari 2026
in de zaak van
[persoon A] t.h.o.d.n. [bedrijf A],
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [bedrijf A] ,
advocaat: mr. D.B. den Hartog,
tegen
SIM HOLLAND B.V.,
te Papendrecht,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: SIM Holland,
advocaat: mr. D. Becht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 30 september 2025, met producties 1 tot en met 11;
  • de incidentele conclusie van SIM Holland tot verwijzing naar de kantonrechter;
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vordering in de hoofdzaak

2.1.
In de hoofdzaak vordert [bedrijf A] – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
SIM Holland te veroordelen tot betaling aan [bedrijf A] van een bedrag van € 173.182,46, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;
SIM Holland te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten aan [bedrijf A] van een bedrag van € 2.506,82;
SIM Holland te veroordelen tot betaling van de beslagkosten van een bedrag van € 670,31, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;
SIM Holland te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.
2.2.
SIM Holland heeft nog niet geconcludeerd in de hoofdzaak.

3.Het geschil in het incident

3.1.
SIM Holland vordert dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken, locatie Dordrecht, met veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van dit incident, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
SIM Holland legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De vordering van [bedrijf A] is gebaseerd op huurovereenkomsten. [bedrijf A] schrijft ook zelf in haar dagvaarding dat de overeenkomsten tussen partijen te kwalificeren zijn als huurovereenkomsten in de zin van artikel 7:201 lid 1 BW Pro. Een vordering die is gebaseerd op een huurovereenkomst is een aardvordering die door de kantonrechter moet worden behandeld. De zaak zal dan ook moeten worden verwezen. Nu SIM Holland statutair gevestigd is in Papendrecht is de kantonrechter van de locatie Dordrecht bevoegd.
3.3.
[bedrijf A] voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van de vordering in incident met veroordeling van SIM Holland in de kosten van het incident, vermeerderd met de wettelijke rente. [bedrijf A] stelt zich op het standpunt dat het geschil geen klassiek huurrechtelijk geschil is, maar een zakelijk conflict over de nakoming van betalingsverplichtingen uit hoofde van een commerciële overeenkomst. De overeenkomst tussen partijen kent, naast de huur, meerdere elementen zoals ontwerp, levering, installatie, service en beschikbaarstelling en kan daarom niet als een zuivere huurovereenkomst worden aangemerkt.
Subsidiair verzoekt [bedrijf A] , indien de kantonrechter bevoegd is, dat de zaak wordt verwezen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Rotterdam en niet naar locatie Dordrecht. SIM Holland heeft geen rechtens relevant belang bij behandeling van de zaak in Dordrecht. Indien verwijzing van de zaak naar de kantonrechter aan de orde is, dient de zaak vanwege proceseconomische redenen behandeld te worden door de kamer voor kantonzaken in Rotterdam.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
In artikel 93 aanhef Pro en onder c Rv is bepaald dat zaken betreffende een huurovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Artikel 71 lid 2 Rv Pro bepaalt dat indien een zaak, in behandeling bij een kamer voor andere zaken dan kantonzaken, verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter, de zaak daartoe op verlangen van één der partijen of ambtshalve verwezen wordt naar de kamer van kantonzaken. Indien de zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een vordering is betreffende een huurovereenkomst, dan worden deze vorderingen alle door de kantonrechter behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet (artikel 94 lid 2 Rv Pro).
4.2.
Het gaat hierbij niet om het “afvinken” van elementen van de wettelijke definitie van huur, maar om de vraag of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomsten van dien aard zijn dat deze in hun geheel beschouwd als huurovereenkomsten kunnen worden aangemerkt [1] . De rechtbank oordeelt als verwijzende rechter slechts voorlopig. Het is aan de rechter die de zaak uiteindelijk behandelt om de overeenkomsten uit te leggen en te kwalificeren.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank betreft de zaak twee huurovereenkomsten en een koopovereenkomst die zodanig met één van die twee huurovereenkomsten samenhangt dat die samenhang zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Daarom dient de onderhavige zaak, gelet op de aard van de vorderingen, verder te worden behandeld en beslist door de kantonrechter. Om die reden zal de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. Omdat SIM Holland statutair is gevestigd in Papendrecht, zal de zaak worden verwezen naar de locatie Dordrecht, die onderdeel is van de rechtbank Rotterdam. Hiertoe is het volgende redengevend.
4.4.
[bedrijf A] heeft het volgende gesteld (dagvaarding, randnummer 4):
“Partijen zijn drie overeenkomsten aangegaan, die hierna afzonderlijk uiteen worden gezet.
a. De verhuurovereenkomst van noodstroomaggregaten van [bedrijf A] met via SIM
Holland;
b. De verhuurovereenkomst van een noodaggregaat aan Pon;
c. Een koopovereenkomst voor een op maat gemaakt product voor Pon.”
4.5.
Partijen hebben deze overeenkomsten kennelijk niet op schrift gesteld. [bedrijf A] heeft althans geen schriftelijke overeenkomsten in het geding gebracht. [bedrijf A] heeft wel de algemene voorwaarden overgelegd die van toepassing zouden zijn op de overeenkomsten. In die algemene voorwaarden is – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“Deze Algemene Voorwaarden zijn van toepassing op de verhuur van apparatuur en de bijbehorende diensten door [bedrijf A] aan een klant (de "Huurder").”
4.6.
[bedrijf A] gebruikt in de dagvaarding termen zoals “verhuurovereenkomst”, “verhuur van noodstroomaggregaten” en “huuraggregaten”. Ook schrijft [bedrijf A] in de dagvaarding (randnummer 7): “ [bedrijf A] verhuurt deze noodaggregaten via SIM Holland aan voorgenoemde partijen en brengt hiervoor maandelijks de huur in rekening”. Bovendien kwalificeert [bedrijf A] in randnummer 56 van de dagvaarding de overeenkomsten tussen partijen zelf ook als huurovereenkomsten in de zin van artikel 7:201 lid 1 BW Pro.
4.7.
Dit zijn duidelijk aanwijzingen dat het partijen voor ogen stond om huurovereenkomsten aan te gaan van noodstroomaggregaten met toebehoren. Dat de overeenkomsten ook andere elementen bevatten zoals door [bedrijf A] wordt gesteld, maakt dat niet anders. Dat die elementen, in onderling verband en samenhang bezien, zo weinig overlaten van de huuraspecten in de overeenkomsten dat de huurbepalingen daarop niet van toepassing zijn, heeft [bedrijf A] niet voldoende onderbouwd.
4.8.
De koopovereenkomst was kennelijk bedoeld om de huuraggregaat die via SIM Holland en Lomans aan Pon was verhuurd te vervangen door een aggregaat die SIM Holland, Lomans of Pon in eigendom zou verwerven. [bedrijf A] heeft gesteld dat zij de aankoop van een tweedehands aggregaat heeft voorgesteld, om een impasse op te lossen die was ontstaan met Pon over de gehuurde aggregaat. Onderdeel van die oplossing was ook een korting op de huur en een installateurskorting. Die kortingen zijn ook in geschil, net als de verrekening van de waarde van onderdelen, gederfde huur en gederfde winst. [bedrijf A] vordert betaling van één geldsom die volgens haar kennelijk de resultante is van de verbintenissen uit deze overeenkomsten. Er is – kortom – sprake van nauw met de huurovereenkomst samenhangende vorderingen.
4.9.
[bedrijf A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de vordering is gegrond op de wet en niet is weersproken.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de vordering toe,
5.2.
veroordeelt [bedrijf A] in de kosten van het incident, aan de zijde van SIM Holland tot op heden begroot op € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [bedrijf A] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.5.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Dordrecht, op
donderdag 5 februari 2026, op welke rolzitting de kantonrechter zal beslissen over het vervolg van de zaak,
5.6.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
5.7.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
5.8.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
3304/3669

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673 (Schena/Akgi).