Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5101

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
C/10/707176 JE RK 25-1959
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling en thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2022. De kinderrechter heeft eerder de ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing verlengd tot 22 april 2026. De GI verzoekt nu verlenging tot 22 oktober 2026, met het oog op monitoring van de hulpverlening en het ouderschap.

Tijdens de zitting op 17 april 2026 waren de ouders, hun advocaten en vertegenwoordigers van de GI aanwezig. De moeder voert geen verweer tegen verlenging, wenst echter een kortere duur. De kinderrechter heeft met de oudste minderjarige gesproken en de situatie besproken.

De kinderrechter constateert dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat er zorgen zijn over de thuissituatie. Incidenten in januari 2026, waaronder spoedige uithuisplaatsing vanwege veiligheidszorgen en een terugval van de moeder in alcoholgebruik, onderstrepen dit. Hoewel positieve stappen zijn gezet, zoals hulpverlening en een nieuwe jeugdbeschermer, is de situatie nog pril.

De verlenging is noodzakelijk om de hulpverlening te monitoren en een zorgvuldige warme overdracht naar het vrijwillige kader mogelijk te maken. De kinderrechter wijst een kortere verlenging af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen tot 22 oktober 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707176 / JE RK 25-1959
Datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Nentjes, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI met bijlagen van 18 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
Op 17 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
Met toestemming van de aanwezigen ter zitting heeft de mondelinge behandeling gelijktijdig plaatsgevonden met de zaak met zaaknummer: C/10/707188 / JE RK 25-1961, waardoor de bijzondere curator van [persoon B] , de (half)zus van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ,
mr. M.F.A. van Pelt ook (
telefonisch) bij de zitting aanwezig was.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] verbleef bij De Opper, maar woont inmiddels weer bij de ouders. [voornaam minderjarige 2] verblijft (deels) bij een tante.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 22 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 22 april 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 februari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 22 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 22 april 2026 is al beslist. Er moet nog worden beslist over de periode tot 22 oktober 2026.
3.2.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Sinds kort is de nieuwe jeugdbeschermer betrokken en er zijn doelen opgesteld met de ouders. De moeder is met zichzelf aan de slag gegaan en is gestart met een traject bij De Hoop voor behandeling van haar alcoholverslaving. Ook is Profila gestart met opvoedondersteuning en wordt er hard aan de (andere) doelen gewerkt. Het is belangrijk dat deze trajecten worden gemonitord en dat er wordt gekeken hoe de ouders het ouderschap vormgeven. Zo kan de GI ondersteuning bieden en eventueel extra hulp inzetten. De GI wil de komende periode (opnieuw) toewerken naar een warme overdracht naar het vrijwillige kader. De machtiging tot uithuisplaatsing loopt voor beide kinderen op 22 april 2026 af. [voornaam minderjarige 1] woont inmiddels alweer een langere tijd thuis.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder ziet de toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de GI, maar het liefst gaat de moeder verder in het vrijwillige kader. Wel wordt er verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een kortere duur en het overige deel van het verzoek af te wijzen. Door een kortere verlenging komt het einde in zicht en moet er door de GI worden doorgepakt om richting het vrijwillige kader te gaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De zorgen over de thuissituatie van de ouders zijn naar het oordeel van de kinderrechter nog steeds aanwezig. In de tussenbeschikking van 15 oktober 2025 zag de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een kortere duur dan was verzocht, omdat de GI voornemens was om toe te werken naar een warme overdracht naar het vrijwillige kader. Toch hebben er sinds januari 2026 meerdere incidenten plaatsgevonden, waardoor dit niet is gelukt. Op 9 januari 2026 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] met hun halfzus [persoon B] met spoed uit huis geplaatst, nadat er ernstige zorgen waren over de veiligheid van de kinderen bij de ouders. De kinderrechter begrijpt uit de Veilig Thuis meldingen dat de moeder een terugval in haar alcoholgebruik heeft gehad. Ook zou zij geweld hebben gebruikt tegen de stiefvader. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat de overdracht naar het vrijwillige kader niet gelukt is vanwege het ontbreken van een jeugdbeschermer. De kinderrechter benadrukt dat het ontbreken van een jeugdbeschermer weliswaar niet heeft bijgedragen aan een eventuele overdracht, maar uiteindelijk is het de verantwoordelijkheid van de ouders om een veilige thuissituatie voor de kinderen te creëren. Daarbij komt dat ook in de periode rondom de incidenten hulpverlening bij het gezin was betrokken.
5.3.
De afgelopen periode zijn er door de ouders positieve stappen gezet. Er is hulpverlening van Profila ingezet in de thuissituatie en de moeder krijgt hulp voor haar alcoholgebruik. Ook is er een nieuwe jeugdbeschermer betrokken en die samenwerking verloopt goed. Samen met de jeugdbeschermer zijn er doelen opgesteld en is er gewerkt aan een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en hun halfzus. Daarnaast is er een vangnet voor de kinderen gecreëerd mocht het thuis toch (even) niet lukken. De kinderrechter is wel van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nog in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] is. De genoemde positieve ontwikkeling is nog pril. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer is noodzakelijk om de hulpverlening en de thuissituatie te monitoren nu alle kinderen weer thuis (gaan) wonen. De GI is al een langere periode betrokken bij het gezin en op deze manier kan een warme overdracht naar het vrijwillige kader plaatsvinden.
5.4.
De kinderrechter ziet geen aanleiding om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht. Uiteindelijk is het in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] dat er een warme overdracht naar het vrijwillige kader plaatsvindt. De kinderrechter is van oordeel dat dit zorgvuldig moet gebeuren. De kinderen hebben de afgelopen periode veel meegemaakt en zo kan de ondertoezichtstelling op een goede manier worden afgesloten. De kinderrechter vertrouwt erop dat de ouders met de GI zullen blijven samenwerken om de positieve ontwikkelingen voort te zetten.
5.5.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 22 oktober 2026.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 22 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 Burgerlijk Pro Wetboek.