Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5114

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
ROT 26/2974
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.1.3 Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023Art. 9.1.4 Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023Art. 9.3.3 Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toekenning tegemoetkoming kinderopvangkosten op basis van sociaal medische indicatie

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming kinderopvangkosten op basis van een sociaal medische indicatie (SMI). Het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland heeft deze aanvraag gedeeltelijk toegewezen voor maximaal drie dagen per week, terwijl verzoekster een vergoeding voor vier tot vijf dagen kinderopvang wenst. Verzoekster maakt bezwaar tegen de hoogte van de tegemoetkoming en vraagt om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoekster door het ontbreken van voldoende kinderopvang noodzakelijke ziekenhuisbehandelingen heeft moeten uitstellen. Het advies van het Centrum jeugd en gezin bevestigt de noodzaak van vijf dagen opvang voor de dochter van verzoekster.

Hoewel de Verordening Sociaal Domein Lansingerland 2023 een maximum van drie dagen opvang per week voorschrijft, twijfelt de voorzieningenrechter aan de evenwichtigheid van het besluit in het individuele geval. Gelet op de zorgsituatie van verzoekster, het advies van het CJG, en het feit dat verzoekster in voorgaande jaren vier dagen opvang vergoed kreeg, wordt het verzoek gedeeltelijk toegewezen.

De voorzieningenrechter bepaalt dat verzoekster recht heeft op een tegemoetkoming voor vier dagen kinderopvang per week en dat zij geen eigen bijdrage hoeft te betalen gedurende de voorlopige voorziening, die geldt tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Het college wordt tevens verplicht het griffierecht te vergoeden. Deze voorlopige voorziening is niet bindend voor een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Verzoekster krijgt een voorlopige tegemoetkoming voor vier dagen kinderopvang zonder eigen bijdrage tot vier weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2974
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit Berkel en Rodenrijs, verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland, het college

(gemachtigde: [naam 1]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de toekenning van de aanvraag van verzoekster voor een tegemoetkoming kinderopvangkosten voor dagopvang in het kader van een sociaal medische indicatie (SMI). De tegemoetkoming is lager vastgesteld dan verzocht en verzoekster in eerdere jaren heeft ontvangen. Verzoekster is het niet eens met de hoogte hiervan. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek gedeeltelijk toe en bepaalt dat verzoekster tot vier weken na de beslissing op bezwaar recht heeft op een tegemoetkoming voor vier dagen kinderopvang. Ook hoeft verzoekster voorlopig in die periode geen eigen bijdrage te betalen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming kinderopvangkosten in het kader van een SMI. Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 9 februari 2026 gedeeltelijk toegewezen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt voor zover niet alle gevraagde kinderopvangkosten worden vergoed. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door [naam 2] (maatschappelijk werkster) en de gemachtigde van het college.
2.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster ontvangt van het college sinds 2024 een vergoeding voor kinderopvangkosten in het kader van een SMI voor de dagopvang van haar dochter [naam 3] (geboren op [geboortedatum] 2022). In 2024 en 2025 ontving verzoekster een vergoeding voor minimaal vier dagen kinderopvang per week. Verzoekster heeft op 2 januari 2026 een aanvraag ingediend voor verlenging van de tegemoetkoming voor het jaar 2026 met een uitbreiding naar vijf dagen kinderopvang per week. Bij deze aanvraag heeft verzoekster onder meer een advies van het Centrum jeugd en gezin (CJG) meegestuurd van 29 december 2025. Het CJG adviseert voor de dochter van verzoekster vijf dagen kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling en in verband met de gezondheid van verzoekster.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college bepaald dat verzoekster in aanmerking komt voor een tegemoetkoming kinderopvangkosten vanaf 1 januari 2026 tot en met 18 augustus 2026, de dag dat verzoeksters dochter vier jaar wordt. Onder verwijzing naar artikel 9.3.3, tweede lid, van de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023 (Verordening) wordt de tegemoetkoming verleend voor maximaal drie dagen in de week. Ook heeft het college bepaald dat verzoekster een eigen bijdrage is verschuldigd van € 116,40 per maand op basis van drie dagen kinderopvang per week. De wijziging van het aantal dagen waarvoor verzoekster een tegemoetkoming ontvangt en de betaling van de eigen bijdrage is (uiteindelijk) ingegaan op 1 april 2026.
3.2.
Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij een tegemoetkoming krijgt voor het liefst vijf dagen, maar in ieder geval vier dagen kinderopvang. Ook heeft verzoekster ter zitting verzocht om vrijstelling van de eigen bijdrage.
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4.1.
Verzoekster heeft hierover aangevoerd dat zij vanwege het ontbreken van voldoende kinderopvang een noodzakelijke ziekenhuisbehandeling in maart 2026 heeft geannuleerd en dat nieuwe behandelingen vooralsnog niet kunnen plaatsvinden omdat door de beperkte opvang onvoldoende ruimte is voor de behandeling en met name het herstel ervan. Verzoekster heeft desgevraagd aangegeven dat het uitstel van behandelingen kan leiden tot een langere ziekenhuisopname met alle gevolgen van dien. Het college heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat de medische situatie van verzoekster en de noodzaak van de behandelingen niet ter discussie staat. Ook staat het advies van het CJG dat het – mede vanwege de gezondheid van verzoekster – noodzakelijk is dat de dochter vijf dagen per week naar de kinderopvang gaat, niet ter discussie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat er een spoedeisend belang is bij de behandeling van haar verzoek om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, omdat twijfel bestaat over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en het bezwaar daarmee een redelijke kans van slagen heeft. Uitgangspunt in de Verordening is dat recht kan bestaan op een vergoeding van kinderopvangkosten als ouders voldoen aan de voorwaarden. [1] De tegemoetkoming wordt bij dagopvang voor maximaal zes dagdelen (drie dagen) per week verleend. [2] Deze beperking is ingevoerd met de inwerkingtreding van de Verordening op 1 januari 2023.
5.1.
Verzoekster betwist de rechtmatigheid van de Verordening niet. Dit neemt echter niet weg dat – ook bij een gebonden bevoegdheid opgenomen in een algemeen verbindend voorschrift – nog steeds moet worden beoordeeld of het bestreden besluit in het individuele geval onder de gegeven omstandigheden – onder de streep – wel evenwichtig is. Daar twijfelt de voorzieningenrechter in dit geval over. In het licht van de te maken belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter daarover als volgt.
5.2.
De voorzieningenrechter neemt in aanmerking dat verzoekster in haar eentje de zorg draagt voor haar twee jonge dochters (drie en vijf jaar oud) en niet ter discussie staat dat verzoekster geen of zeer beperkt beroep kan doen op een sociaal netwerk. Door de beperking in de kinderopvang kan zij de noodzakelijke behandelingen voor haar ziekte niet ondergaan en heeft zij onweersproken gesteld dat uitstel van die behandelingen kan leiden tot langere ziekenhuisopnames, waardoor de (opvang)problemen alleen maar groter worden. Verzoekster heeft daarbij aangegeven dat haar jongste dochter ook extra zorg nodig heeft, die zij door haar ziekte niet kan geven. Het college twijfelt desgevraagd ook niet aan het advies van het CJG over de opvangbehoefte van de dochter van verzoekster. Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster de tegemoetkoming voor vier dagen – ondanks het feit dat de Verordening al vanaf 2023 van kracht is – in 2024 en 2025 ook heeft gekregen. Voorgaande geldt ook voor het besluit van het college dat verzoekster een eigen bijdrage moet betalen. Daarvan heeft verzoekster onweersproken verklaard dat zij dit niet kan betalen. Tegenover deze belangen staat een (gering) financieel belang van het college. Dat bestaat uit het verschil in de tegemoetkoming tussen drie dagen en – in dit geval – vier dagen kinderopvang, waarvan verzoekster heeft aangegeven dat vier dagen kinderopvang noodzakelijk is om de medische behandelingen te kunnen ondergaan. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat de tegemoetkoming nog voor een beperkte periode geldt, namelijk tot 18 augustus 2026, de dag waarop verzoeksters dochter vier jaar wordt en naar de basisschool zal gaan. Vanaf dat moment is de tegemoetkoming voor dagopvang niet meer nodig. Dat het college vreest voor mogelijke precedentwerking volgt de voorzieningenrechter niet gelet op de specifieke bijzondere omstandigheden van verzoekster. In het kader van de belangenafweging ziet de voorzieningenrechter daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
5.3.
De voorzieningenrechter treft de voorziening dat het college aan verzoekster een tegemoetkoming dient te verstrekken voor vier dagen kinderopvang per week en daarvoor geen eigen bijdrage verschuldigd is. Dit komt er feitelijk op neer dat de tegemoetkoming, zoals verzoekster deze tot en met maart 2026 ontving, wordt gecontinueerd inclusief een vergoeding van de eigen bijdrage.
5.4.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat het college aan verzoekster een tegemoetkoming dient te verstrekken voor vier dagen kinderopvang per week in het kader van een sociaal medische indicatie;
- bepaalt dat verzoekster geen eigen bijdrage verschuldigd is op grond van de Verordening;
- bepaalt dat deze voorziening vervalt na vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar van verzoekster;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 door mr. F.P. Heijne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 9.1.4 in samenhang met artikel 9.1.3, tweede lid, van de Verordening.
2.Dit volgt uit artikel 9.3.3 van de Verordening.