In deze civiele procedure tussen een Vereniging van Eigenaars en twee gedaagden heeft de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie besloten de zaak te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. Dit besluit is genomen omdat een bestuurslid van de eisende partij tot 1 januari 2025 rechter-plaatsvervanger was bij de sector Kanton van de Rechtbank Rotterdam en diens schoondochter sinds 1 oktober 2025 rechter in opleiding is bij dezelfde rechtbank.
De rechtbank achtte het vanwege deze nauwe banden met de Rechtbank Rotterdam wenselijk dat de zaak door een andere rechtbank wordt behandeld om mogelijke schijn van partijdigheid te voorkomen. De procedure was op dat moment in een gevorderd stadium, met een dagvaarding en een conclusie van antwoord met een voorwaardelijke eis in reconventie.
De rechtbank heeft de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de Rechtbank Den Haag en de griffier van die rechtbank zal partijen informeren over het verdere verloop van de procedure. Het vonnis is uitgesproken door rechter Cremers op 29 april 2026.