Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5179

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/10/718483 / KG ZA 26-379
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArtikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis woning in executiegeschil

Eisers zijn door de kantonrechter veroordeeld tot ontruiming van een woning, maar hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Gedaagde wil het vonnis direct ten uitvoer leggen, waarop eisers een kort geding starten om de executie te schorsen.

De voorzieningenrechter laat twee laat ingediende bijlagen van eisers buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. Het geschil draait om de vraag of de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst moet worden. Het uitgangspunt is dat het vonnis direct kan worden uitgevoerd, tenzij er sprake is van een kennelijke misslag, nieuwe feiten of een belangenafweging die schorsing rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het vonnis geen kennelijke misslagen bevat en dat er geen nieuwe feiten zijn. Wel weegt het belang van eisers om voorlopig in de woning te blijven zwaarder dan het belang van gedaagde bij onmiddellijke uitvoering. Eisers hebben langdurig in de woning gewoond, geïnvesteerd in onderhoud, en hebben geen alternatieve woonruimte. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt geschorst totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718483 / KG ZA 26-379
Vonnis in kort geding van 4 mei 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,

woonplaats: [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
advocaten: mrs. M. de Munnik-Oprel en T. de Rijke,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M. Kool.
Partijen worden hierna [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] genoemd. [eiser 1] en [eiser 2] worden hierna samen [eisers] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[gedaagde] is eigenares van de woning aan het adres [adres] in [woonplaats 1] . [eisers] zijn in een vonnis van de kantonrechter in deze rechtbank veroordeeld om de woning te ontruimen. [eisers] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Omdat [gedaagde] het vonnis al wel ten uitvoer wil leggen, vorderen [eisers] in deze zaak – kort gezegd – dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst en dat het [gedaagde] wordt verboden om het vonnis verder ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eisers] gedeeltelijk toe. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 21 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 7;
  • de aanvullende bijlagen 8 en 9 van [eisers] ;
  • de bijlage van [gedaagde] ;
  • de mondelinge behandeling op 28 april 2026;
  • de spreekaantekeningen van mr. De Rijke;
  • de spreekaantekeningen van mr. Kool.

3.De vorderingen

3.1.
[eisers] vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de tenuitvoerlegging te schorsen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam , sector kanton, van 3 april 2026, gewezen tussen [gedaagde] als eiseres en [eisers] als gedaagden, voor zover daarin de ontruiming van het gehuurde aan de [adres] te [woonplaats 1] is bevolen, totdat in hoger beroep op dat vonnis onherroepelijk is beslist, althans tot een door Uw Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen moment;
[gedaagde] te verbieden om gedurende deze schorsing uitvoering te geven aan het hiervoor genoemde ontruimingsbevel, daaronder begrepen het doen betekenen van het vonnis en het (doen) geven van opdrachten tot ontruiming aan een deurwaarder;
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan;
althans zodanige voorziening te treffen als Uw Voorzieningenrechter in goede justitie passend acht.

4.De beoordeling

De bijlagen 8 en 9 van [eisers] worden buiten beschouwing gelaten
4.1.
De voorzieningenrechter laat de bijlagen 8 en 9 van [eisers] buiten beschouwing vanwege strijd met de goede procesorde. [eisers] hebben die bijlagen slechts enkele uren voor de mondelinge behandeling ingediend en voor zo’n geval bepaalt het procesreglement dat de bijlagen in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. [1] De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daar in dit geval van af te wijken. De advocaat van [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij geen gelegenheid heeft gehad om de bijlagen met [gedaagde] te bespreken en te verifiëren en maakt om die reden bezwaar tegen de indiening van de bijlagen 8 en 9 van [eisers] Bovendien betreffen het e-mails van jaren geleden, zodat niet valt in te zien waarom [eisers] de bijlagen niet uiterlijk één werkdag vóór de mondelinge behandeling konden indienen.
De kern van de zaak
4.2.
Het draait in deze zaak om de vraag of de tenuitvoerlegging van het door de kantonrechter in deze rechtbank op 3 april 2026 tussen partijen gewezen vonnis met zaaknummer 11439627 CV EXPL 24-31187 (het Vonnis) moet worden geschorst voor zover [eisers] daarin zijn veroordeeld om de woning aan het adres [adres] in [woonplaats 1] (de Woning) te ontruimen. Een zaak als deze wordt ook wel een executiegeschil genoemd.
Het toetsingskader in een executiegeschil
4.3.
Het Vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [eisers] hebben daar hoger beroep tegen ingesteld. In deze situatie is het uitgangspunt dat [gedaagde] het Vonnis direct ten uitvoer kan leggen. Afwijking van dat uitgangspunt kan aan de orde zijn als het Vonnis een kennelijke misslag bevat of als sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die zich na het Vonnis hebben voorgedaan en afwijking van het Vonnis kunnen rechtvaardigen. Een afwijking kan ook aan de orde zijn op grond van een belangenafweging, die in dit kort geding kan worden gemaakt omdat de beslissing om het Vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet is gemotiveerd. In dat kader moet onderzocht worden of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eisers] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hen gestarte hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het Vonnis. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van het Vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en blijft de kans van slagen van het gestarte hoger beroep buiten beschouwing. [2]
[eisers] hebben nog belang bij dit executiegeschil
4.4.
Het meest verstrekkende standpunt van [gedaagde] is dat [eisers] geen belang meer hebben bij dit executiegeschil, omdat partijen overeenstemming zouden hebben bereikt over de datum waarop de Woning wordt ontruimd. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in dat standpunt. [gedaagde] kan in zoverre worden gevolgd dat [eiser 2] op 13 april 2026 een e-mail naar de advocaat van [gedaagde] heeft gestuurd om de ontruiming en oplevering van de Woning te bespreken en [eiser 2] daarin voorstelt om de Woning op 1 mei 2026 aan [gedaagde] over te dragen. Deze e-mail kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter niet zo worden begrepen dat [eisers] , die op dat moment geen juridische bijstand hadden, afstand hebben gedaan van hun recht om een executiegeschil te starten. Uit de e-mail blijkt namelijk niet dat [eisers] zich bij het oordeel van de kantonrechter neerleggen. Sterker nog, in de e-mail staat dat [eisers] in hoger beroep gaan tegen het Vonnis. Het moet voor [gedaagde] dus duidelijk zijn geweest dat [eisers] zich niet bij de veroordeling tot ontruiming zouden neerleggen en dat zij geen afstand deden van hun juridische mogelijkheden om tegen het Vonnis op te komen.
Het Vonnis bevat geen kennelijke misslag(en)
4.5.
[eisers] stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat het Vonnis een aantal kennelijke misslagen bevat. De voorzieningenrechter volgt [eisers] niet in dat standpunt. Van een kennelijke misslag is sprake als al op basis van lezing van (alleen) de uitspraak zelf zichtbaar en duidelijk zou zijn dat in die uitspraak een feitelijke of juridische fout staat. Dat is bijvoorbeeld het geval als in een uitspraak het jaartal 2014 staat, terwijl dit overduidelijk het jaartal 2024 moet zijn. [eisers] stellen dat de oordelen van de kantonrechter over het hoofdverblijf van [eiser 1] en de rechtspositie van [eiser 2] kennelijke misslagen zijn. Zulke inhoudelijke oordelen, waarbij de kantonrechter de stellingen van partijen en de stukken die zij ter onderbouwing daarvan in het geding hebben gebracht tegen elkaar heeft afgewogen, kunnen echter niet als een kennelijke misslag kwalificeren. Als deze oordelen al fout zouden zijn, is dat helemaal niet direct zichtbaar en duidelijk. De bezwaren van [eisers] tegen deze oordelen horen dan ook thuis in het door [eisers] gestarte hoger beroep.
Geen nieuwe feiten of omstandigheden
4.6.
[eisers] hebben niet gesteld dat zich na het Vonnis nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, die afwijking van het Vonnis zouden rechtvaardigen. Schorsing van de tenuitvoerlegging van het Vonnis op deze grond is dan ook niet aan de orde.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van [eisers]
4.7.
[Eisers] doen ook een beroep op de te maken belangenafweging en stellen dat die afweging in hun voordeel moet uitvallen. [gedaagde] stelt juist dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4.8.
Het belang van [gedaagde] bij de tenuitvoerlegging van het Vonnis is er in gelegen dat zij de huidige situatie wil beëindigen. Die situatie is, uitgaande van de vaststellingen en oordelen in het Vonnis, dat [eiser 1] niet zijn hoofdverblijf in de Woning heeft en dat [eiser 2] zonder recht of titel in de Woning woont. [gedaagde] – die ter plaatse een aantal woningen verhuurt – wil hiertegen optreden en een signaal afgeven dat het gedrag van [eisers] niet wordt getolereerd.
4.9.
Deze belangen van [gedaagde] wegen echter niet op tegen de belangen van [eisers] om (in elk geval voorlopig) in de Woning te kunnen blijven wonen. In de eerste plaats is van belang dat [eiser 1] de Woning ruim twintig jaar heeft gehuurd, zodat zeer voorstelbaar is dat hij de Woning niet graag (onvrijwillig) verlaat. Daar komt bij dat [eisers] hebben gesteld dat zij (aanzienlijke bedragen) in de Woning hebben geïnvesteerd, waaronder in een nieuwe keuken omdat de oude keuken – nadat 22,5 jaar geen onderhoud aan de Woning is verricht – aan vervanging toe was. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Verder hebben [eisers] aannemelijk gemaakt dat zij geen alternatieve woonruimte ter beschikking hebben als zij de Woning moeten verlaten. [gedaagde] wijst er weliswaar terecht op dat [eiser 1] mede-eigenaar is van een koopwoning in [plaats] , maar [eiser 1] heeft uitgelegd dat zijn drie minderjarige kinderen permanent in die koopwoning wonen en dat hij en zijn ex-partner daar om beurten met de kinderen verblijven. [eiser 1] kan daarom hooguit 50% van de tijd in die koopwoning wonen. Hoewel [eisers] deze uitleg (nog) niet met stukken hebben onderbouwd, gaat de voorzieningenrechter op basis van de door henzelf gegeven mondelinge toelichting op de zitting, voorshands uit van de juistheid hiervan.
De suggestie van [gedaagde] dat [eisers] samen in de koopwoning van [eiser 1] en zijn ex-partner kunnen verblijven, acht de voorzieningenrechter ook om de volgende redenen onrealistisch. Niet alleen zou daarvoor toestemming van de ex-partner van [eiser 1] nodig zijn, maar bovendien is aannemelijk dat dit de zorgregeling voor de minderjarige kinderen van [eiser 1] zou verstoren, hetgeen niet in hun belang zou zijn.
De enkele omstandigheid dat [eiser 2] in de hiervoor al genoemde e-mail van 13 april 2026 heeft voorgesteld om de Woning op 1 mei 2026 aan [gedaagde] over te dragen, impliceert naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat [eisers] per die datum alternatieve woonruimte hebben, zoals [gedaagde] stelt. Tot slot is relevant dat op dit moment geen huurachterstand (meer) bestaat en [eisers] ook geen overlast veroorzaken.
De conclusie
4.10.
De conclusie is dat het belang van [eisers] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hen gestarte hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het Vonnis. De tenuitvoerlegging van het Vonnis wordt dan ook geschorst voor zover [eisers] daarin zijn veroordeeld om de Woning te ontruimen. In afwijking van vordering 1. bepaalt de voorzieningenrechter dat de schorsing duurt totdat op het door [eisers] gestarte hoger beroep is beslist of totdat dat hoger beroep op een andere wijze tot een einde is gekomen. [eisers] kunnen niet van [gedaagde] verlangen dat zij de uitkomst van een eventuele cassatieprocedure afwacht. Vordering 2. wordt afgewezen, omdat [eisers] niet hebben uitgelegd wat hun belang bij die vordering is naast de schorsing van de tenuitvoerlegging van het Vonnis. Ook zonder een rechterlijk verbod mag [gedaagde] immers voorlopig geen uitvoering meer geven aan het Vonnis.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eisers] betalen
4.11.
[gedaagde] is voor het grootste deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.443,02
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam van 3 april 2026 met zaaknummer 11439627 CV EXPL 24-31187 voor zover [eisers] daarin zijn veroordeeld om de woning aan het adres [adres] in [woonplaats 1] te ontruimen, totdat op het door [eisers] gestarte hoger beroep is beslist of totdat dat hoger beroep op een andere wijze tot een einde is gekomen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.443,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.
3349 / 1694

Voetnoten

1.Artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken.
2.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.