Werknemer was sinds januari 2025 in dienst als chauffeur en werd op 18 september 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeend veelvuldig te laat komen. Werknemer betwistte het ontslag en vorderde vernietiging.
Tijdens de procedure werd werkgever failliet verklaard, maar dit stond de voortzetting van de procedure niet in de weg omdat werknemer belang had bij een beslissing in verband met zijn uitkeringsrechten. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet voldeed aan de wettelijke eisen voor een ontslag op staande voet, waaronder een dringende reden, onverwijlde opzegging en onmiddellijke mededeling van de reden.
De gang van zaken toonde aan dat werknemer geen reële kans tot verbetering was geboden, aangezien de officiële waarschuwingen pas na de mededeling van het ontslag werden gegeven. Ook was er geen sprake van een onverwijlde opzegging, omdat werknemer op het moment van ontslag al thuis zat vanwege gebrek aan werk.
De kantonrechter vernietigde het ontslag en veroordeelde werkgever in de proceskosten. De beslissing werd genomen door kantonrechter A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.