Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5186

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
11948697 VZ VERZ 25-6744
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 onder a BWArt. 25 FaillissementswetArt. 26 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet wegens ontbreken dringende reden en verbeterkans

Werknemer was sinds januari 2025 in dienst als chauffeur en werd op 18 september 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeend veelvuldig te laat komen. Werknemer betwistte het ontslag en vorderde vernietiging.

Tijdens de procedure werd werkgever failliet verklaard, maar dit stond de voortzetting van de procedure niet in de weg omdat werknemer belang had bij een beslissing in verband met zijn uitkeringsrechten. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet voldeed aan de wettelijke eisen voor een ontslag op staande voet, waaronder een dringende reden, onverwijlde opzegging en onmiddellijke mededeling van de reden.

De gang van zaken toonde aan dat werknemer geen reële kans tot verbetering was geboden, aangezien de officiële waarschuwingen pas na de mededeling van het ontslag werden gegeven. Ook was er geen sprake van een onverwijlde opzegging, omdat werknemer op het moment van ontslag al thuis zat vanwege gebrek aan werk.

De kantonrechter vernietigde het ontslag en veroordeelde werkgever in de proceskosten. De beslissing werd genomen door kantonrechter A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet van werknemer wordt vernietigd wegens het ontbreken van een dringende reden en het niet bieden van een reële verbeterkans.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11948697 VZ VERZ 25-6744
datum uitspraak: 30 april 2026 (bij vervroeging)
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
verzoeker,
die zelf procedeert,
tegen
[verweerder], die handelt onder de naam
[bedrijf],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
verweerder,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende (proces)stukken:
  • het verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen;
  • het verweerschrift van [verweerder] , met bijlagen, ontvangen op 5 april 2026;
  • het aangepaste verweerschrift van [verweerder] , met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;
  • de reactie op het verweerschrift van [verzoeker] , met bijlagen;
  • de brief van de curator van [verweerder] van 13 april 2026, met de mededeling dat [verweerder] op 24 maart 2026 failliet is verklaard en dat [verweerder] buiten bezwaar van de boedel verweer kan voeren;
  • de mail van [verzoeker] van 15 april 2026.
1.2.
Op 16 april 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met [verzoeker] besproken. Zijn echtgenote was daarbij ook aanwezig. [verweerder] is, hoewel hij daartoe is uitgenodigd, niet verschenen op de zitting.
1.3.
Na de zitting is nog een mail ontvangen van [verweerder] met zijn pleitnota. Omdat dit stuk na de zitting pas is verstuurd en de behandeling van de zaak daarmee al gesloten was, wordt dit stuk buiten beschouwing gelaten.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoeker] werkte sinds 6 januari 2025 bij [verweerder] als chauffeur. Hij is op 18 september 2025 op staande voet ontslagen. Hij is het daar niet mee eens en wil dat zijn ontslag ongeldig verklaard wordt.
2.2.
[verweerder] vindt dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. Volgens [verweerder] heeft hij [verzoeker] terecht op staande voet ontslagen wegens veelvuldig te laat komen.
2.3.
De kantonrechter begrijpt dat [verzoeker] wil dat de opzegging (het ontslag op staande voet) van 18 september 2025 wordt vernietigd. Dat is ook de uitkomst van deze zaak. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De gevolgen van het faillissement
2.4.
De kantonrechter staat allereerst stil bij het faillissement van [verweerder] dat op
24 maart 2026 is uitgesproken. Het faillissement brengt niet mee dat deze procedure (ambtshalve) is geschorst. Het verzoek als zodanig strekt immers niet tot voldoening van een verbintenis uit de boedel (artikel 26 Faillisementswet Pro). De procedure is voortgezet zonder dat de curator deze heeft overgenomen (artikel 25 faillissementswet Pro). Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij belang heeft bij een beslissing op zijn verzoek in verband met zijn uitkeringsrechten. Gelet op een en ander kan in deze beschikking worden beslist op het verzoek van [verzoeker] .
Het ontslag is niet geldig en wordt vernietigd
2.5.
De opzegging van de arbeidsovereenkomst op 18 september 2025 wordt vernietigd (artikel 7:681 lid 1 onder Pro a en artikel 7:671 BW Pro). [verzoeker] is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en er is niet voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Die voorwaarden zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld meedelen van de reden (artikel 7:677 lid 1 BW Pro). Hierna wordt dit uitgelegd.
2.6.
De laatste dag dat [verzoeker] feitelijk voor [verweerder] heeft gewerkt was op 12 september 2025. Op 18 september 2025 heeft [verweerder] eerst (om 14:15 uur en 14:20 uur) via WhatsApp aan [verzoeker] medegedeeld dat hij voorlopig geen werk voor hem heeft en dat dat betekent dat [verzoeker] ontslagen is. Vervolgens heeft [verweerder] ruim een half uur later aan [verzoeker] binnen vijf minuten (om 14:55 uur en om 14:57 uur) per mail twee officiële waarschuwingen gestuurd over te laat komen door [verzoeker] , gevolgd door een ontslagbrief (om 15:05 uur).
2.7.
Uit deze gang van zaken blijkt dat [verzoeker] (als al sprake was van een zodanig vaak te laat komen dat dit een ontslag zou rechtvaardigen) geen reële verbeterkans heeft gekregen. Dat is wel de bedoeling van een officiële waarschuwing. Alleen al daarom is er geen sprake van een (subjectieve) dringende reden. Ook is geen sprake geweest van een onverwijlde opzegging. Dat betekent dat [verweerder] – zo kort mogelijk nadat hij had ontdekt dat [verzoeker] ondanks waarschuwingen weer te laat was gekomen – [verzoeker] had moeten ontslaan. Dat is niet gebeurd; [verzoeker] zat op het moment dat hij werd ontslagen thuis omdat [verweerder] geen werk voor hem had.
Proceskosten
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij ongelijk krijgt.
De kantonrechter begroot de kosten die [verweerder] aan [verzoeker] moet betalen op
€ 90,00 aan griffierecht en € 50,- aan onkosten voor de keer dat hij voor de zitting naar de rechtbank is gekomen (artikel 238 lid 1 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
vernietigt de opzegging van 18 september 2025;
3.2.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] tot vandaag worden vastgesteld op € 140,00.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
757