Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5189

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716832 / KG ZA 26-273
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 3:13 lid 2 BWArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot intrekking bezwaarschrift tegen omgevingsvergunning wegens onvoldoende spoedeisend belang

Sujo Green Projects B.V. heeft een omgevingsvergunning ontvangen voor de ontwikkeling van een appartementencomplex. Gedaagden hebben hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Sujo vordert in kort geding dat gedaagden dit bezwaar intrekken onder dwangsom, stellende dat sprake is van misbruik van procesrecht.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Sujo onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Financiële risico's en onzekerheden over de onherroepelijkheid van de vergunning zijn voor rekening en risico van Sujo zelf. Ook het ontbreken van een noodzakelijke aanvullende vergunning vermindert het spoedeisend belang.

Daarnaast is niet aannemelijk dat gedaagden misbruik maken van procesrecht. Het indienen van het bezwaarschrift is een recht dat gedaagden mogen uitoefenen, mede gezien hun financieel belang bij een ander bouwproject en de bestuursrechtelijke rechtsgang die openstaat. De vorderingen worden daarom afgewezen en Sujo wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van Sujo tot intrekking van het bezwaarschrift worden afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en geen misbruik van procesrecht.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716832 / KG ZA 26-273
Vonnis in kort geding van 6 mei 2026
in de zaak van
SUJO GREEN PROJECTS B.V.,
vestigingsplaats: Capelle aan den IJssel,
eisende partij,
advocaat: mr. J.G.M. Roijers,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

statutaire vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde 2] B.V.,
statutaire vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
3. [gedaagde 3],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
advocaten: mrs. R.J.G. Bäcker en A.W.M. Oremans.
Partijen worden hierna Sujo en [gedaagden] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
De Gemeente Woensdrecht (de Gemeente) heeft aan Sujo een omgevingsvergunning verleend voor het ontwikkelen van een appartementencomplex in [plaats 1] (de Omgevingsvergunning). [gedaagden] hebben een bezwaarschrift ingediend tegen de Omgevingsvergunning. Volgens Sujo maken [gedaagden] misbruik van (proces)recht door dat bezwaarschrift in te dienen en te handhaven. Daarom vorderen Sujo, kort gezegd, [gedaagden] onder druk van een dwangsom te gebieden om het bezwaar in te trekken. [gedaagden] voeren verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Sujo af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 9 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 8;
  • de aanvullende bijlagen 9 tot en met 13 van Sujo;
  • de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 7;
  • de mondelinge behandeling op 22 april 2026;
  • de spreekaantekeningen van mr. Roijers;
  • de spreekaantekeningen van mr. Oremans.

3.De beoordeling

Het toetsingskader in een kort geding
3.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de eisende partij ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken.
Sujo heeft onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen
3.2.
Sujo beroept zich in het kader van het spoedeisend belang bij haar vorderingen in de eerste plaats op een aantal financiële aspecten. Zo zou de door [gedaagden] gestarte bezwaarprocedure tot gevolg hebben dat de notariële leveringen van de appartementsrechten moeten worden uitgesteld, waardoor Sujo nog niet zou kunnen beschikken over de koopsommen voor de te realiseren woningen terwijl de rentelasten voor het extern gefinancierde deel van het bouwproject ondertussen onverminderd zouden doorlopen. Daarnaast stelt Sujo genoodzaakt te zijn aanvullende externe financiering aan te trekken voor andere projecten, omdat geen eigen middelen vrijkomen uit de levering van dit project. Tot slot zouden de hypotheekoffertes van de kopers van de appartementsrechten dreigen te verlopen, terwijl aannemelijk zou zijn dat de kopers hun financiering niet rond zullen krijgen indien zij een nieuwe hypotheekofferte moeten aanvragen wat het reële risico mee zou brengen dat Sujo het project dan opnieuw in de verkoop zal moeten zetten.
3.3.
[gedaagden] betogen echter terecht dat het een feit van algemene bekendheid is dat bestuursrechtelijke procedures kunnen worden gevoerd over verleende (en nog niet onherroepelijk geworden) vergunningen, dat onzekerheid over het moment waarop de desbetreffende vergunningen onherroepelijk worden daaraan inherent is en dat Sujo er dan ook niet zonder meer van mocht uitgaan dat de Omgevingsvergunning snel onherroepelijk zou worden. Dat Sujo desondanks financiële verplichtingen is aangegaan op basis van haar verwachting dat geen bezwaar zou worden gemaakt tegen de Omgevingsvergunning, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt. Deze door Sujo zelf gecreëerde situatie kan nu dan ook niet worden opgeworpen om het spoedeisend belang bij de vorderingen te onderbouwen. Als daarnaast al klopt dat ook het betalen van de koopsommen voor de appartementsrechten afhankelijk is gesteld van het onherroepelijk worden van de Omgevingsvergunning (wat [gedaagden] hebben betwist en Sujo – hoewel zij daartoe in de gelegenheid was, na daartoe te zijn “uitgenodigd” door het verweer in de conclusie van antwoord – niet met stukken heeft onderbouwd) en Sujo daardoor (extra) externe financiering voor andere projecten moet aantrekken, is dat op grond van het voorgaande ook een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt. Dit geldt ook voor het door Sujo gestelde risico dat zij de appartementen in het bouwproject mogelijk opnieuw in de verkoop moet zetten.
3.4.
Sujo beroept zich in verband met het spoedeisend belang verder op aspecten die verband houden met de doorlooptijd van een bestuursrechtelijke bezwaarprocedure (en een eventueel daaropvolgende (hoger)beroepsprocedure) en het, volgens haar, daarmee samenhangende risico dat kopers zich terugtrekken als het bouwproject al te veel wordt vertraagd. Ook dit is echter een omstandigheid die gelet op wat hiervoor in 3.3. is overwogen niet als onderbouwing van het spoedeisend belang kan gelden. Daar komt bij dat op dit moment niet vooruitgelopen kan worden op de vraag of [gedaagden] na een eventueel voor hen negatieve uitkomst van de bezwaarprocedure al dan niet in beroep gaan, zodat de gehele doorlooptijd van de bestuursrechtelijke procedure op dit moment nog niet te overzien valt.
3.5.
In het kader van het spoedeisend belang speelt tot slot een rol dat Sujo weliswaar genoemd heeft dat er nog een tweede vergunning nodig is voor de bouwtechnische activiteiten (die volgens Sujo volgende week wordt verleend, al is dat ook op geen enkele manier onderbouwd), maar heeft nagelaten om te reageren op het standpunt van [gedaagden] dat Sujo nog een (derde) vergunning bij de provincie moet aanvragen omdat sprake is van een bouwactiviteit in een Natura 2000-gebied. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat voor het bouwproject inderdaad zo’n vergunning nodig is én dat Sujo een dergelijke vergunning nog niet heeft aangevraagd. Dit doet ook af aan het spoedeisend belang van Sujo bij haar vorderingen.
3.6.
Concluderend heeft Sujo onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen. Dat betekent dat die vorderingen alleen al daarom worden afgewezen.
[gedaagden] maken geen misbruik van (proces)recht
3.7.
Zelfs als Sujo voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen had gehad, waren die vorderingen op inhoudelijke gronden afgewezen. Sujo heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagden] misbruik van (proces)recht maken door het indienen van een bezwaarschrift tegen de Omgevingsvergunning en dat bezwaar niet te willen intrekken. De voorzieningenrechter licht dit toe.
3.8.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de burgerlijke rechter bevoegd is om te oordelen over een vordering die ertoe strekt dat een bestuursrechtelijke (bezwaar)procedure moet worden gestaakt op de grond dat sprake is van misbruik van (proces)recht en dat daarom sprake is van onrechtmatig handelen. Er is dan immers sprake van een geschil over burgerlijke rechten. Dit is alleen anders als aan de eisende partij bij de bestuursrechter een rechtsgang ter beschikking staat die voldoende rechtsbescherming biedt, maar daarvan is in dit geval geen sprake. De bestuursrechter kan geen gebod tot intrekking van het ingediende bezwaarschrift opleggen. Daarbij is van belang dat de vorderingen van Sujo erop zijn gericht dat met het intrekken van het bezwaarschrift de bestuursrechtelijke procedure op korte termijn eindigt en dat daarmee de Omgevingsvergunning, ook op korte termijn, onherroepelijk wordt. Daarin kan de rechtsgang bij de bestuursrechter niet (in voldoende mate) voorzien. [1]
3.9.
Voor het aannemen van misbruik van (proces)recht geldt evenwel een hoge drempel en de (voorzieningen)rechter moet dan ook een grote mate van terughoudendheid betrachten bij het toewijzen van een beroep daarop, dit met het oog op het recht op toegang tot de rechter dat door artikel 6 EVRM Pro wordt beschermd. Van misbruik kan onder meer sprake zijn als processuele bevoegdheden worden misbruikt door die bevoegdheden uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. [2] Hiervan is bijvoorbeeld sprake als rechten of bevoegdheden overduidelijk zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Maar ook in het geval dat een vordering van iedere grond ontbloot is en degene die de vordering instelt dat weet of moet weten, kan sprake zijn van misbruik van (proces)recht. Verder moet bij de beoordeling van het beroep op misbruik van (proces)recht op alle belangen die bij het geval betrokken zijn worden gelet en dus ook op de belangen van derden. Al het voorgaande geldt ook in het bestuursrecht, in die zin dat de bevoegdheid tot het instellen van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel niet kan worden ingeroepen voor zover daarvan misbruik wordt gemaakt.
3.10.
Tegen deze achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het door [gedaagden] tegen de Omgevingsvergunning ingestelde bezwaar kant noch wal raakt en dat [gedaagden] misbruik van (proces)recht hebben gemaakt door het bezwaarschrift in te dienen en kun bezwaar niet te willen intrekken.
3.11.
[gedaagden] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een financieel belang hebben bij de herontwikkeling van het Landgoed [landgoed] in [plaats 2] , dat de Gemeente [gedaagden] heeft medegedeeld dat op dit moment – vanwege stikstofdepositie-regels – onvoldoende woningbouwcontingent beschikbaar is voor die herontwikkeling en dat [gedaagden] zich er niet in kunnen vinden dat de Gemeente desondanks een omgevingsvergunning heeft verleend voor de (woning)bouwplannen van Sujo. Het is niet overduidelijk dat [gedaagden] onder deze omstandigheden geen belanghebbende zijn bij het besluit van de Gemeente om aan Sujo de Omgevingsvergunning te verlenen, terwijl die toets bovendien in eerste instantie door de Gemeente moet gaan plaatsvinden en vervolgens eventueel door de bestuursrechter. Aan Sujo kan weliswaar worden toegegeven dat het Landgoed hemelsbreed op zo’n acht kilometer afstand van haar bouwlocatie in [plaats 1] is gelegen, maar Sujo heeft haar stelling dat dit meebrengt dat haar bouwproject niet van invloed is op het door [gedaagden] voorgestane bouwproject niet onderbouwd. De enkele stelling dat zij van de Gemeente heeft vernomen dat voor de beschikbaarheid van woningbouwcontingent wordt gekeken naar verschillende kernen in de gemeente, is – mede gelet op de betwisting van die stelling door [gedaagden] – zonder nadere onderbouwing onvoldoende.
3.12.
Het is ook niet aannemelijk, laat staan overduidelijk, dat [gedaagden] met het indienen van het bezwaarschrift enkel de Gemeente onder druk hebben willen zetten of een punt hebben willen maken richting de Gemeente, of dat [gedaagden] door het indienen van het bezwaarschrift de belangen van Sujo wilden schaden. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband in de eerste plaats naar wat hiervoor in 3.11. is overwogen en voegt daaraan toe dat uit de door Sujo in het geding gebrachte verklaring van de heer [naam] niet volgt dat de advocaat van [gedaagden] heeft gezegd dat het bezwaarschrift (louter) een middel is om de Gemeente een stok tussen de spaken te steken, zoals Sujo stelt. De heer [naam] schrijft in zijn verklaring onder meer “
bij mij[is]
de indruk ontstaan dat de cliënten van mr. Bäcker met het indienen van het pro forma bezwaar beogen invloed uit te oefenen op de gemeente Woensdrecht, om de door hen gewenste doelstellingen te bereiken. Tevens is bij mij de indruk ontstaan dat het bezwaar mogelijk niet uitsluitend is gericht tegen het project als zodanig, maar mede verband houdt met een breder, onderliggend belang van de cliënten”. Het betreft dus een interpretatie van de heer [naam] van de woorden van de advocaat van [gedaagden] Hierbij is nog relevant dat [gedaagden] betwisten dat de advocaat uitlatingen van de gestelde strekking heeft gedaan.
3.13.
Concluderend is geen sprake van een situatie waarin [gedaagden] hun recht om een bezwaarschrift in te dienen tegen de Omgevingsvergunning hebben gebruikt met geen ander doel dan om Sujo te schaden of met een ander doel dan waarvoor dat recht is verleend. Er is verder ook geen sprake van dat [gedaagden] gelet op de belangen van Sujo niet tot uitoefening van dat hen toekomende recht mochten overgaan. In dit verband wijst de voorzieningenrechter op wat hiervoor over het spoedeisend belang van Sujo is overwogen. Het belang van [gedaagden] om in de omstandigheden van deze zaak gebruik te kunnen maken van de aan hen toekomende bestuursrechtelijke rechtsgang weegt zwaarder dan het belang van Sujo bij het zo snel mogelijk onherroepelijk worden van de Omgevingsvergunning.
De conclusie
3.14.
De conclusie is dat de vorderingen van Sujo worden afgewezen.
Sujo moet de proceskosten van [gedaagden] betalen
3.15.
Sujo is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
3.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.17.
De proceskostenveroordeling en de veroordeling om daarover de wettelijke rente te betalen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt Sujo in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Sujo de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Sujo € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.3.
veroordeelt Sujo in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.4.
verklaart de veroordelingen in 4.2. en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
3349 / 2009

Voetnoten

1.HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:560, overweging 3.4.2.
2.Artikel 3:13 lid 2 BW Pro.