ECLI:NL:RBROT:2026:519

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/10/687143/ HA ZA 24-865 C/10/699463/ HA ZA 25-390
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:98 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid mediator voor onjuiste informatie over partneralimentatie en afwijzing zorgplichtschending advocaat

In deze civiele procedure vordert eiser schadevergoeding van de mediator ([bedrijf A] c.s.) wegens een beroepsfout bij de scheidingsbemiddeling, specifiek het niet correct informeren over de wettelijke maatstaven voor partneralimentatie. De mediator erkent dat bij de berekening van de behoefte van de vrouw geen rekening is gehouden met de bonussen van eiser, wat de rechtbank als een beroepsfout kwalificeert. De schade bestaat uit extra alimentatiekosten en advocaatkosten in eerste aanleg en hoger beroep.

De mediator voert verweer tegen de ontvankelijkheid en stelt dat eiser niet tijdig heeft geklaagd, wat de rechtbank verwerpt. Ook wordt betwist dat de schade het gevolg is van de beroepsfout en dat eiser eigen schuld heeft, waarvan slechts gedeeltelijk wordt aangenomen dat de advocaatkosten in hoger beroep deels voor rekening van eiser blijven.

In de vrijwaringszaak vordert de mediator verhaal op de advocaat die het gezamenlijk echtscheidingsverzoek indiende, stellende dat deze zijn zorgplicht heeft geschonden. De rechtbank oordeelt dat de advocaat zijn zorgplicht niet heeft geschonden, omdat hij partijen expliciet heeft gewezen op hun rechten en de mogelijkheid tot een herberekening, en wijst de vorderingen af.

De rechtbank veroordeelt de mediator tot betaling van een schadevergoeding van €60.832,91 plus buitengerechtelijke kosten en proceskosten, en wijst de vorderingen in de vrijwaringszaak af. De uitspraak is gewezen door rechter J.E. Molenaar op 21 januari 2026.

Uitkomst: Mediator aansprakelijk voor beroepsfout en veroordeeld tot schadevergoeding; vordering tegen advocaat afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaringszaak van 21 januari 2026
in de zaken met zaak-/rolnummer C/10/687143 / HA ZA 24-865 (de hoofdzaak) van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.C. Bijleveld te Amsterdam,
tegen

1.[bedrijf A] .,

te [plaats 1] ,
2.
[persoon A],
te [plaats 2] ,
hierna respectievelijk te noemen [bedrijf A] en [persoon A] , samen ook [bedrijf A] c.s.,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam,
en met zaak-/rolnummer C/10/699463 / HA ZA 25-390 (de vrijwaringszaak) van

1.[bedrijf A] .,

te [plaats 1] ,
2.
[persoon A],
te Bergschenhoek,
hierna respectievelijk te noemen [bedrijf A] en [persoon A] , samen ook [bedrijf A] c.s.,
eisende partijen in vrijwaring,
advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam,
tegen

1.[advocatenkantoor X] ,

hierna te noemen: [advocatenkantoor X] ,
2.
Mr. [naam advocaat 1] ,
3.
Mr. [naam advocaat 2] ,
hierna te noemen: mr. [naam advocaat 2] ,
4.
Mr. [naam advocaat 3] ,
allen te Rotterdam,
gedaagde partijen in vrijwaring, gezamenlijk ook te noemen: [advocatenkantoor X] c.s.,
advocaat: mr. R. Kossen te Den Haag.

1.De zaken in het kort

1.1.
[eiser] en zijn toenmalige echtgenote hebben aan [bedrijf A] c.s. opdracht gegeven om als scheidingsbemiddelaar (mediator) op te treden bij de echtscheiding tussen [eiser] en zijn ex-echtgenote (hierna: de vrouw). Na onderhandelingen hebben [eiser] en de vrouw een echtscheidingsconvenant gesloten waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over de door [eiser] te betalen partneralimentatie. Door mr. [naam advocaat 2] , advocaat en partner van [advocatenkantoor X] , is een gezamenlijk echtscheidingsverzoek ingediend waarna de echtscheiding is uitgesproken en de partneralimentatie conform het echtscheidingsconvenant is vastgesteld. Enkele jaren later heeft de vrouw een wijzigingsverzoek met betrekking tot de partneralimentatie ingediend. De rechtbank en het gerechtshof hebben in de procedure die hierop volgde een fors hogere alimentatie vastgesteld.
1.2.
In de hoofdzaak stelt [eiser] [bedrijf A] c.s. aansprakelijk omdat zij bij de scheidingsbemiddeling één of meer beroepsfout(en) hebben gemaakt. De vraag is of dat zo is en, zo ja, op welke schadevergoeding [eiser] aanspraak kan maken.
1.3.
In de vrijwaringszaak zoeken [bedrijf A] c.s. verhaal op [advocatenkantoor X] c.s. voor zover in de hoofdzaak geoordeeld zal worden dat [bedrijf A] c.s. tot schadevergoeding gehouden zijn. In die zaak staat de vraag centraal of mr. [naam advocaat 2] zijn als advocaat in acht te nemen zorgplicht jegens [eiser] en de vrouw heeft geschonden.
1.4.
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf A] c.s. een beroepsfout hebben gemaakt en dat de door haar aan [eiser] te betalen schadevergoeding in totaal € 62.216,24 (inclusief buitengerechtelijke kosten) bedraagt. In de vrijwaringszaak wijst de rechtbank de vorderingen van [bedrijf A] c.s. af, omdat zij van oordeel is dat niet gezegd kan worden dat mr. [naam advocaat 2] zijn zorgplicht als advocaat jegens [eiser] en de vrouw heeft geschonden.

2.De procedure in de hoofdzaak

2.1.
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- de dagvaarding, met 20 producties,
- de conclusie van antwoord, met 6 producties,
- de akte overleggen nadere producties, tevens vermeerdering van eis, met producties 21 t/m 23, van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025,
- de bij die gelegenheid door de advocaten van [eiser] en [bedrijf A] c.s. voorgedragen spreekaantekeningen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De procedure in de vrijwaringszaak

3.1.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:
- de dagvaarding, met 6 producties,
- de conclusie van antwoord, met 4 producties,
- de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025,
- de door de advocaten van [bedrijf A] c.s. en [advocatenkantoor X] c.s. voorgedragen spreekaantekeningen.
3.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

4.De feiten

in de hoofdzaak
4.1.
In opdracht van [eiser] en de vrouw heeft [bedrijf A] hen begeleid bij hun echtscheidingsproces. [persoon A] trad daarbij op als mediator.
4.2.
Op 11 maart 2019 schreef de vrouw in een e-mail aan [bedrijf A] , voor zover hier van belang:
“Wat ik graag wil zien is een berekening van mijn maximale rechten waarbij er rekening wordt gehouden met:
[…]
- het volledige inkomen van [voornaam eiser] , derhalve inclusief uitgestelde bonussen.
Nogmaals, ik wil met alle liefde water bij de wijn doen, ik moet alleen wel weten vanaf welk punt.”
4.3.
Na afronding van de mediation hebben [eiser] en de vrouw een echtscheidingsconvenant ondertekend. Hierin staat, voor zover hier van belang:
“[…]
Artikel 3 Algemeen Pro
3.1.
Partijen zijn een partneralimentatie overeengekomen van € 4.546 bruto per maand.
3.2.
Het in artikel 3.1 genoemde bedrag is gebaseerd op de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw enerzijds en de toegepaste jusvergelijking anderzijds.
[…]
3.3.
De vrouw wordt met het in artikel 3.1 genoemde bedrag in combinatie met de kortingen en toeslagen volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte voorzien en daarmee is de partneralimentatie (behoudens indexatie) gemaximeerd.
[…]
Artikel 7 Verdeling Pro vermogen
7.8.
Verder zal de te ontvangen bonus van de man die toeziet op de periode van het huwelijk ook naar rato toebedeeld worden aan de gemeenschap, waar ieder voor 50% recht op heeft. Deze regeling houdt navolgende uitgestelde bonussen in die nog verdeeld moeten worden:
* Toegekende bonus over de jaren 2015 - 2018, uit te keren in 2020
* Toegekende bonus over de jaren 2016 - 2018, uit te keren in 2021
* Toegekende bonus over de jaren 2017 - 2018, uit te keren in 2022
* Toegekende bonus over het jaar 2013, uit te keren in 2023
Alleen de werkelijk uitgekeerde bedragen die op bovenstaande bonussen toezien komen voor verdeling o.b.v. 50:50 in aanmerking.
[…]”
4.4.
Bij beschikking van 3 juni 2019 heeft de rechtbank Rotterdam op gezamenlijk verzoek van [eiser] en de vrouw de echtscheiding tussen hen uitgesproken. Het convenant is onderdeel van die beschikking.
4.5.
Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 24 mei 2022 de partneralimentatie vanaf 1 januari 2022 verhoogd naar € 12.867,00 per maand. [eiser] is in hoger beroep gekomen van die beschikking.
4.6.
Bij beschikking van 13 december 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de partneralimentatie per 1 januari 2022 verhoogd naar € 13.738,00 per maand.
4.7.
Bij brief van zijn advocaat van 7 maart 2024 heeft [eiser] [bedrijf A] c.s. aansprakelijk gesteld.
4.8.
De advocaatkosten die [eiser] in de alimentatieprocedure bij de rechtbank heeft gemaakt bedragen € 23.974,96 inclusief btw. Zijn advocaatkosten in hoger beroep bedragen € 37.097,90 inclusief btw.
in de vrijwaringszaak
4.9.
[advocatenkantoor X] is een maatschap. Mr. [naam advocaat 2] en gedaagden sub 3 en 4 in vrijwaring zijn maten van [advocatenkantoor X] .
4.10.
Na ondertekening van het echtscheidingsconvenant (zie 4.3) hebben [eiser] en de vrouw aan [advocatenkantoor X] , in de persoon van mr. [naam advocaat 2] , opdracht gegeven om namens hen een echtscheidingsprocedure op gemeenschappelijk verzoek te voeren.
4.11.
Op 18 april 2019 zond mr. [naam advocaat 2] namens de maatschap een opdrachtbevestiging aan [eiser] en de vrouw, waarbij hij ook het concept van het verzoekschrift aan hen voorlegde.
4.12.
Mr. [naam advocaat 2] heeft het gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek van [eiser] en de vrouw bij de rechtbank Rotterdam ingediend. Dit verzoek leidde tot de beschikking van die rechtbank van 3 juni 2019 (zie 4.4).

5.Het geschil in de hoofdzaak

5.1.
[eiser] vordert na eisvermeerdering – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [bedrijf A] c.s. één of meer beroepsfouten hebben gemaakt en aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade;
II. [bedrijf A] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 651.749,86, te vermeerderen met de wettelijke rente (i) over een bedrag van € 590.677 vanaf de datum van de dagvaarding, (ii) over een bedrag van € 23.974,96 vanaf 2 juni 2022 en (iii) over een bedrag van € 37.097,90 vanaf 10 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [bedrijf A] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [bedrijf A] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover indien deze kosten niet binnen 15 dagen na het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan.
5.2.
[bedrijf A] c.s. hebben tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan geconcludeerd, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

6.Het geschil in de vrijwaringszaak

6.1.
[bedrijf A] c.s. vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak:
[advocatenkantoor X] c.s. hoofdelijk veroordeelt om aan [bedrijf A] c.s. te betalen 50%, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag c.q. percentage, van datgene waartoe [bedrijf A] c.s. in de hoofdzaak jegens [eiser] mocht(en) worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling in de hoofdzaak, met veroordeling van [advocatenkantoor X] in de kosten van de vrijwaringsprocedure, te vermeerderen met nakosten,
voor recht te verklaren dat [advocatenkantoor X] c.s. gehouden zijn/is de nadelige gevolgen van een veroordeling van [bedrijf A] c.s. in de hoofdzaak voor 50% te dragen, althans te dragen voor een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen bedrag en/of aandeel.
6.2.
[advocatenkantoor X] c.s. hebben tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd, met veroordeling van [bedrijf A] c.s. in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad.

7.De beoordeling in de hoofdzaak

De standpunten van partijen
7.1.
[eiser] baseert zijn vorderingen op toerekenbare tekortkoming van [bedrijf A] in de uitvoering van de opdracht en op onrechtmatig handelen van [persoon A] als beroepsbeoefenaar. [eiser] stelt dat zij niet hebben gehandeld zoals een redelijk bekwamen en redelijk handelend professionele mediator had moeten handelen. Hij verwijt [bedrijf A] c.s.:
dat niet is voldaan aan de verplichting om partijen voldoende te informeren over de wettelijke maatstaven die gelden voor de vaststelling van de partneralimentatie, waardoor een te lage partneralimentatie is overeengekomen,
dat nagelaten is in het echtscheidingsconvenant op te nemen dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven waren afgeweken, en
dat geen gespreksverslagen zijn gemaakt, zodat [eiser] in de procedure tot wijziging van de partneralimentatie niet heeft kunnen aantonen dat door partijen bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken.
[eiser] stelt dat hij door die fouten schade lijdt en heeft geleden, bestaande uit:
i. € 590.677 netto aan contante waarde van de extra alimentatie die [eiser] gedurende 9 jaar en 7 maanden moet betalen;
ii. € 23.947,96 inclusief btw aan advocaatkosten van de alimentatieprocedure in eerste aanleg;
iii. € 37.097,90 inclusief btw aan advocaatkosten van de alimentatieprocedure in hoger beroep.
7.2.
[bedrijf A] c.s. voeren als eerste het verweer dat [eiser] de klachttermijn van artikel 6:98 BW Pro ongebruikt heeft laten verstrijken en dat hij daarom [bedrijf A] c.s. niet meer op grond van een beroepsfout kan aanspreken. Verder voeren zij aan dat [persoon A] slechts in die zin een beroepsfout heeft gemaakt dat hij de behoefte van de vrouw niet juist heeft berekend omdat hij daarbij geen rekening heeft gehouden met de bonussen van [eiser] en dat de overige verwijten ongegrond zijn. Ook is de door [eiser] opgevoerde schade geen gevolg van een beweerdelijk foutief handelen van [bedrijf A] c.s. en is de omvang van de vermeende schade onjuist door [eiser] berekend. Ook voeren [bedrijf A] c.s. aan dat, voor zover sprake is van schade, deze grotendeels het gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] moeten worden toegerekend en daarom voor zijn rekening moet blijven. Tot slot doen [bedrijf A] c.s. voor zover nodig een beroep op matiging van de schadevergoeding.
[bedrijf A] c.s. hebben een beroepsfout gemaakt
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf A] c.s. een beroepsfout hebben gemaakt omdat het door [eiser] onder a) (zie 7.1) geformuleerde verwijt gegrond is. De andere verwijten van [eiser] aan het adres van [bedrijf A] c.s. zijn ongegrond. De rechtbank licht dit toe als volgt.
7.4.
Niet ter discussie staat dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend mediator zijn klanten dient te informeren over de wettelijke maatstaven voor het vaststellen van een partneralimentatie. [bedrijf A] c.s. hebben niet correct aan die verplichting voldaan, aangezien zij, zoals zij ook erkennen, bij de gemaakte berekening van de behoefte van de vrouw ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de bonussen van [eiser] . Het onder 7.1 onder a) genoemde verwijt van [eiser] is dus gegrond.
7.5.
Het door [eiser] onder b) genoemde verwijt treft echter geen doel. [eiser] heeft in de gevoerde procedure tot wijziging van de alimentatie naar het oordeel van de rechtbank en het hof niet aannemelijk gemaakt dat hij en de vrouw bewust zijn afgeweken en hebben willen afwijken van de wettelijke maatstaven die gelden voor de vaststelling van partneralimentatie. In deze procedure tegen [bedrijf A] c.s. heeft [eiser] geen andere feiten of argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het verwijt van [eiser] dat in het echtscheidingsconvenant door [bedrijf A] c.s. had moeten worden opgenomen dat partijen bewust van de bedoelde wettelijke maatstaven hebben afgeweken, treft daarom geen doel.
7.6.
Ook het verwijt van [eiser] onder c) is ongegrond. [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat het in een mediation gebruikelijk is gespreksverslagen te maken. [eiser] heeft overigens ook nagelaten, zoals hiervoor al is aangestipt, voldoende concreet te stellen uit welke uitlatingen van hem en de vrouw, die niet in een gespreksverslag zijn vastgelegd, zou kunnen worden afgeleid dat zij bewust van de maatstaven hebben willen afwijken.
7.7.
De conclusie uit het voorgaande is dat [bedrijf A] c.s. een beroepsfout hebben gemaakt door bij berekening van de behoefte van de vrouw ten onrechte geen rekening is gehouden met de bonussen van [eiser] en aldus [eiser] en de vrouw niet correct hebben geïnformeerd over de wettelijke maatstaven voor het vaststellen van een partneralimentatie (verder: de beroepsfout).
[bedrijf A] c.s. zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gevolgen van de beroepsfout
7.8.
De beroepsfout is een tekortkoming van [bedrijf A] in de nakoming van haar verplichtingen uit de begeleidingsovereenkomst en is, voor zover [persoon A] niet als contractuele wederpartij van [eiser] heeft gehandeld, als een onrechtmatige daad van [persoon A] jegens [eiser] aan te merken aangezien hij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. [bedrijf A] en [persoon A] zijn aansprakelijk voor dezelfde schade en hoofdelijk verbonden tot de vergoeding van die schade. Deze rechtsgevolgen staan tussen partijen overigens niet ter discussie.
Het verweer dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd wordt verworpen
7.9.
Het eerste verweer van [bedrijf A] c.s. is, zoals al overwogen, dat [eiser] niet tijdig bij [bedrijf A] c.s. heeft geprotesteerd en daarom op grond van artikel 6:89 BW Pro zijn bevoegdheid heeft verloren hen op de beroepsfout aan te spreken. [bedrijf A] c.s. stellen dat [eiser] de klachttermijn van artikel 6:89 BW Pro heeft geschonden door pas op 7 maart 2024 bij [bedrijf A] c.s. over hun prestatie te klagen, in plaats van binnen bekwame tijd na ontvangst van het door de vrouw bij de rechtbank ingediende inleidend verzoek. [bedrijf A] c.s. stellen hierdoor te zijn benadeeld, omdat:
zij zijn benadeeld in hun bewijspositie doordat de laptop van [persoon A] in de tussenliggende periode op slot is geraakt en er stukken kwijt zijn geraakt, en
zij nu geconfronteerd worden met advocaatkosten die voorkomen hadden kunnen worden, omdat [eiser] in de alimentatieprocedures van verkeerde aannames is uitgegaan en standpunten heeft ingenomen die feitelijk onjuist zijn.
7.10.
De rechtbank verwerpt het beroep van [bedrijf A] c.s. op artikel 6:89 BW Pro.
7.11.
De lengte van de termijn waarbinnen moet worden geklaagd zoals is bedoeld in artikel 6:89 BW Pro, hangt af van alle betrokken belangen en alle relevante omstandigheden. In de kern genomen gaat het in dit wetsartikel om de bescherming van de schuldenaar tegen late en moeilijk betwistbare klachten, waarbij het nadeel voor de schuldenaar vooral van bewijstechnische aard is.
7.12.
In deze zaak valt niet in te zien dat [bedrijf A] c.s. door het tijdsverloop tussen de door hen verrichte handeling en het moment dat [eiser] daarover heeft geklaagd, in hun bewijspositie zijn benadeeld. De enige beroepsfout die in dit kader van belang is, is immers het door [eiser] aan [bedrijf A] c.s. gemaakte verwijt dat [bedrijf A] c.s. [eiser] en de vrouw niet op juiste wijze hebben geïnformeerd over de wettelijke maatstaven die gelden bij het vaststellen van een partneralimentatie, welk verwijt doel treft, zoals hiervoor is overwogen. Deze fout is door [bedrijf A] c.s. als fout erkend. Van benadeling van [bedrijf A] c.s. in de bewijspositie met betrekking tot de betwisting van de gegrondheid van de klacht is dus geen sprake. De stelling van [bedrijf A] c.s. dat de laptop van [persoon A] op slot is geraakt en er stukken kwijt zijn geraakt, is voor de vaststelling dat [bedrijf A] c.s. de beroepsfout heeft gemaakt niet relevant. De stelling van [bedrijf A] c.s. dat [eiser] advocaatkosten heeft gemaakt die voorkomen hadden kunnen worden als hij eerder zou hebben geprotesteerd, is voorts slechts relevant voor de beoordeling van de vraag of [eiser] de schade (deels) aan zichzelf te wijten heeft. Hierop zal de rechtbank hierna ingaan, te weten bij de bespreking van het beroep door [bedrijf A] c.s. op eigen schuld van [eiser] , onder 7.32 t/m 7.33, voor zover het om de advocaatkosten in hoger beroep gaat. Het beroep van [bedrijf A] c.s. op artikel 6:89 BW Pro faalt dus.
Begroting van de door de beroepsfout veroorzaakte schade wegens hogere alimentatie
7.13.
[eiser] maakt aanspraak op een schadevergoeding van € 590.677 aan extra alimentatielasten. Hij stelt dat zonder de beroepsfout van [bedrijf A] c.s. de onderhandelingen tussen hem en de vrouw zouden hebben geleid tot een alimentatie van € 6.000 bruto per maand. Dat onderhandelingsresultaat tezamen met de overeengekomen verdeling van de uitgestelde bonussen zou voor de vrouw acceptabel zou zijn geweest, omdat:
  • de vrouw daarmee in de door haar zelf gestelde behoefte zou kunnen voldoen,
  • de vrouw uitdrukkelijk bereid was om ‘water bij de wijn’ te doen,
  • [eiser] concessies had gedaan ten aanzien van de duur van de alimentatie (12 jaar terwijl de wettelijke termijn zou worden teruggebracht naar 5 jaar),
  • de vrouw haast had omdat zij een huis had gekocht en voor de levering van dat huis nodig was dat partijen tot een regeling zouden komen.
Ook stelt [eiser] dat in het geval de onderhandelingen hadden geleid tot een alimentatie van € 8.658 of meer, er was afgezien van een verdeling van de bonussen.
7.14.
[bedrijf A] c.s. spreken tegen dat [eiser] per saldo een lagere alimentatielast zou hebben gehad indien de beroepsfout zou zijn uitgebleven.
7.15.
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat zonder de beroepsfout de onderhandelingen tussen [eiser] en de vrouw zouden hebben geleid tot een alimentatie van € 12.000 bruto per maand waarbij was afgezien van verdeling van de uitgestelde bonussen. Zij licht dit toe als volgt.
7.16.
In de alimentatieprocedure heeft de rechtbank de alimentatie op basis van de gegevens uit 2018 en 2019 berekend op € 12.770 bruto per maand. Aannemelijk is dat [bedrijf A] c.s. de alimentatie op ongeveer dat bedrag zouden hebben berekend indien zij de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw hadden berekend overeenkomstig de wettelijke maatstaven en daarbij dus rekening hadden gehouden met de bonussen van [eiser] .
7.17.
In haar e-mail van 11 maart 2019 heeft de vrouw uitdrukkelijk verklaard dat zij bereid was om ‘water bij de wijn’ te doen waar het de partneralimentatie betreft. Daarmee rekening houdend is aannemelijk dat de vrouw zou hebben ingestemd met een onderhandelingsresultaat waarbij de alimentatie op een iets lager bedrag dan voormelde € 12.770 zou worden vastgesteld. Het bedrag waarmee de vrouw nog genoegen zou hebben genomen schat de rechtbank op € 12.000 bruto per maand in. Dat de vrouw zou hebben ingestemd met een lager bedrag dan € 12.000 bruto per maand, is op grond van de voormelde verklaring van de vrouw niet aannemelijk en ook niet op grond van de overige door [eiser] gestelde omstandigheden. Van een concessie van [eiser] , zoals hij heeft aangevoerd, ten aanzien van de duur van de alimentatie is geen sprake. De overeengekomen alimentatieduur van 12 jaar stemt overeen met de wettelijke regeling van dat moment en de wetwijziging die die termijn terugbracht naar vijf jaar ging pas in per 1 januari 2020 voor echtscheidingen waarvan het inleidende verzoekschrift na die datum zou worden ingediend. Verder is niet aannemelijk dat de vrouw de door haar ingevulde behoeftetabel nog als basis voor de berekening van de alimentatie zou hebben geaccepteerd als zij kennis had genomen van een berekening van haar huwelijksgerelateerde behoefte volgens de door de rechtbank en gerechtshoven gehanteerde normen (de zogenaamde hofnorm). Ten slotte heeft [eiser] niet onderbouwd dat er haast was met de levering van het door de vrouw aangekochte huis en ook niet dat er geen andere opties waren voor het bewerkstelligen van die levering dan een echtscheidingsconvenant tussen hem en de vrouw.
7.18.
[eiser] heeft de extra alimentatielasten bij het fictieve onderhandelingsresultaat van € 12.000 bruto per maand, zonder verdeling van de uitgestelde bonussen die hij nog zou ontvangen, berekend op € 18.309 en die berekening overgelegd. De rechtbank volgt die berekening en verwerpt de daartegen gerichte bezwaren van [bedrijf A] c.s. op grond van het volgende.
7.19.
Juist is dat [eiser] bij het berekenen van de contante waarde van de toekomstige schade geen rekening heeft gehouden met inflatie en alleen de rentepercentages gehanteerd die overeenstemmen met de rentepercentages uit de ‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’. Wat daar verder van zij, [bedrijf A] c.s. worden daardoor niet benadeeld. Indien ook de inflatiepercentages uit die aanbevelingen gehanteerd worden, leidt dat namelijk tot een hogere contante waarde.
7.20.
De rekenrente is niet bedoeld voor het begroten van toekomstige schade maar een instrument voor het berekenen van de contante waarde van toekomstige schade. Bij de begroting van de toekomstige schade dient rekening te worden gehouden met indexatie. Omdat het gebruikelijk is dat alimentaties jaarlijks indexeren, valt te verwachten dat dit ook in de toekomstige jaren zal gebeuren. Daardoor zal het verschil tussen de alimentatie in de fictieve situatie dat de beroepsfout niet was gemaakt en die in de daadwerkelijke situatie in de toekomst toenemen. Dat [eiser] op de alimentaties over de toekomstige jaren in de fictieve en daadwerkelijke situatie een indexatie heeft toegepast komt de rechtbank dan ook juist voor. Tegen de daarbij gehanteerde percentages hebben [bedrijf A] c.s. geen bezwaren geuit.
7.21.
[eiser] heeft in zijn berekening over de jaren 2019 t/m 2025 een disconteringsrente gehanteerd die is gebaseerd op de gemiddelde spaarrente van vrij opneembare spaarrekeningen. Het bezwaar van [bedrijf A] c.s. dat geen rekening is gehouden met de hogere rente op spaardeposito’s kan hen niet baten, omdat een hoger rentepercentage tot een hoger schadebedrag zou leiden.
7.22.
Omdat naar het oordeel van de rechtbank bij een overeengekomen alimentatie van
€ 12.000 bruto per maand zou zijn afgezien van verdeling van de uitgestelde bonussen omdat die bonussen zijn verdisconteerd in de maandelijkse alimentatie, heeft [eiser] terecht de in de jaren 2020 t/m 2023 aan de vrouw uitbetaalde bonusbedragen in zijn berekening betrokken.
7.23.
Niet in te zien valt dat de omstandigheid dat niet bekend is welke rekensoftware is gebruikt, afdoet aan de waarde van de door [eiser] overgelegde berekening. De toegepaste rekenmethodes zijn voldoende toegelicht en de berekende bedragen vallen eenvoudig na te rekenen.
7.24.
Bewijs dat [eiser] tot nu toe de aan de vrouw verschuldigde alimentatie heeft voldaan, is niet nodig. Vast staat namelijk dat hij de alimentatiebedragen aan de vrouw verschuldigd was.
7.25.
De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van [bedrijf A] c.s. dat in de berekening van [eiser] geen rekening is gehouden met de kans dat de vrouw niet de gehele alimentatieperiode van 12 jaar behoeftig blijft, omdat dit bezwaar onvoldoende gemotiveerd is. [bedrijf A] c.s. hebben namelijk pas bij de mondelinge behandeling aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met die kans en niet toegelicht waarom dat zij dat nier eerder hebben gedaan. Daarbij komt dat met de hier bedoelde kans slechts rekening hoeft te worden gehouden als er sprake is van een reële kans. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van [bedrijf A] c.s. om te motiveren dat de door hen bedoelde kans een reële kans is. [bedrijf A] c.s. hebben dat niet gedaan.
7.26.
De rechtbank begroot de door de beroepsfout van [bedrijf A] c.s. veroorzaakte schade aan extra alimentatielasten op grond van het voorgaande derhalve op € 18.309.
[bedrijf A] c.s. moeten de advocaatkosten van de alimentatieprocedure voor de rechtbank vergoeden ten bedrage van € 23.974,96
7.27.
De rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van de advocaatkosten die [eiser] in de alimentatieprocedure voor de rechtbank heeft gemaakt toe. Vast staat dat hij in die procedure € 23.974,96 aan advocaatkosten heeft gemaakt.
7.28.
Vast staat dat er een oorzakelijk (causaal) verband bestaat tussen deze kosten en de beroepsfout van [bedrijf A] c.s. Aannemelijk is namelijk dat in het geval dat [bedrijf A] c.s. de fout niet zouden hebben gemaakt er geen alimentatieprocedure zou zijn gevolgd. Het maken van advocaatkosten in de alimentatieprocedure valt ook aan [bedrijf A] c.s. toe te rekenen, omdat het een redelijkerwijs te verwachten gevolg van hun beroepsfout is.
7.29.
Het bezwaar van [bedrijf A] c.s. dat de advocaatkosten buitensporig hoog zijn treft geen doel. De dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW Pro is hier niet van toepassing en voor zover [bedrijf A] c.s. een beroep hebben willen doen op de schadebeperkingsplicht (eigen schuld) van [eiser] hebben zij dat beroep onvoldoende onderbouwd. [bedrijf A] c.s. stellen niet wat [eiser] redelijkerwijs had moeten doen of nalaten om de advocaatkosten te beperken. In het echtscheidingsconvenant was bepaald dat voor wat betreft de partneralimentatie aangesloten werd bij de TREMA-normen. [eiser] behoefde niet al direct na ontvangst van het verzoek van de vrouw tot wijziging van de alimentatie ervan uit te gaan dat er redenen waren om aan de juistheid van de prestatie van [bedrijf A] c.s. te twijfelen. Het voeren van verweer door [eiser] in de procedure in eerste aanleg was gerechtvaardigd en het maken van kosten hiervoor kan niet onredelijk worden beschouwd.
[bedrijf A] c.s. moeten de advocaatkosten van de alimentatieprocedure in hoger beroep vergoeden tot het bedrag van € 18.548,95
7.30.
De rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van de advocaatkosten in hoger beroep toe tot het bedrag van € 18.548,95 en licht dit toe als volgt.
7.31.
Vast staat dat [eiser] in hoger beroep € 37.097,90 aan advocaatkosten heeft gemaakt. Ook staat vast dat hij die kosten niet zou hebben gemaakt indien de beroepsfout niet was gemaakt. Dat [eiser] advocaatkosten in hoger beroep heeft gemaakt valt in beginsel aan [bedrijf A] c.s. toe te rekenen omdat het een redelijkerwijs te verwachten gevolg van de beroepsfout is. Het stond [eiser] namelijk vrij om het oordeel van de rechtbank in de alimentatieprocedure in hoger beroep te laten toetsen.
7.32.
De advocaatkosten die zijn gemaakt om in hoger beroep aan te voeren dat [eiser] en de vrouw welbewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, dienen op grond van het navolgende echter deels voor rekening van [eiser] te blijven.
7.33.
[eiser] had kunnen weten dat hij op dat punt niet in het gelijk zou worden gesteld. Zoals hiervoor is overwogen, heeft hij geen concrete feiten aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat hij en de vrouw bewust hebben willen afwijken van de wettelijke maatstaven voor alimentatie. Voorafgaande aan het instellen van hoger beroep zou hij ook bij [bedrijf A] c.s. hierover informatie hebben kunnen inwinnen. Aannemelijk is dat indien [eiser] dat had gedaan, [bedrijf A] c.s. zouden hebben tegengesproken dat er sprake was van een package deal en dus ook van een welbewust afwijken van de wettelijke maatstaven in het kader van een package deal. [bedrijf A] c.s. hebben dat namelijk direct na de aansprakelijkheidstelling van 7 maart 2024 tegengesproken en er is geen reden om te veronderstellen dat dit anders zou zijn geweest indien [eiser] eerder bij [bedrijf A] c.s. had geïnformeerd naar de berekeningsgrondslag van de alimentatie. Dat tussen partijen in de mediation geheimhouding is overeengekomen, staat daaraan niet in de weg. Dat de mediator aan derden geen mededelingen mag doen over het verloop van de mediation, de daarbij ingenomen standpunten, gedane voorstellen en de verstrekte informatie enzovoort, verhindert niet dat de mediator wel daarover mededelingen doet aan partijen. [eiser] heeft de advocaatkosten die gemaakt zijn om in hoger beroep het standpunt te verdedigen dat de vrouw welbewust had afgezien van een partneralimentatie waarbij niet in aanzienlijke mate werd afgeweken van de wettelijke maatstaven, in het licht van het voorgaande dus nodeloos gemaakt.
7.34.
De rechtbank begroot de hier bedoelde advocaatkosten schattenderwijs op de helft van de gemaakte advocaatkosten in hoger beroep, ofwel op € 18.548,95. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de beschikking van het gerechtshof blijkt dat de helft van de grieven die [eiser] tegen de beschikking van de rechtbank heeft aangevoerd niet waren gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet welbewust was afgeweken van wettelijke maatstaven.
Voor het overige wordt het beroep van [bedrijf A] c.s. op eigen schuld van [eiser] verworpen
7.35.
[bedrijf A] c.s. voeren voorts als verweer dat de vermeende schade grotendeels het gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] moeten worden toegerekend op grond van de volgende stellingen:
[eiser] heeft aan [persoon A] ten onrechte aangegeven dat hij en de vrouw altijd geleefd hebben van het vaste inkomen van [eiser] , exclusief bonussen,
[eiser] heeft door een kansloos hoger beroep in te stellen het zelf bewerkstelligd dat zijn alimentatie door het hof is verhoogd van € 12.867 naar € 13.738 per maand,
[eiser] heeft mogelijk nagelaten om in de alimentatieprocedure aan te voeren dat uit de e-mail van de vrouw van 11 maart 2019 afgeleid moet worden dat zij bewust bereid was geweest om genoegen te nemen met een (aanzienlijk) lagere alimentatie dan waarop zij krachtens de wet aanspraak kon maken.
7.36.
De rechtbank verwerpt het verweer van [bedrijf A] c.s. dat op grond van die stellingen de door [eiser] gevorderde schade (deels) voor zijn rekening moet blijven. Het verweer van [bedrijf A] c.s. behelst een beroep doen op eigen schuld van [eiser] en zij dienen daarom concrete feiten te stellen waaruit volgt dat (een deel van) de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend en zij moeten die feiten bewijzen als [eiser] die met goede argumenten tegenspreekt.
7.37.
De stelling onder a) snijdt geen hout. Als professioneel mediator in het echtscheidingsproces tussen [eiser] en de vrouw rustte op [bedrijf A] c.s. namelijk de plicht om hen te informeren over de wettelijke maatstaven voor het vaststellen van de partneralimentatie. Daar vielen ook de situaties onder waarin de bonussen van [eiser] wel en niet meetelden voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. [bedrijf A] c.s. hadden [eiser] en de vrouw daarom kritische vragen moeten stellen om te kunnen uitsluiten dat de bonussen van [eiser] volgens de wettelijke maatstaven meegeteld dienden te worden bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Dit geldt te meer omdat de vrouw in een e-mail van 11 maart 2019 [bedrijf A] had gevraagd om rekening te houden met het volledige inkomen van [eiser] , inclusief uitgestelde bonussen. Niet gesteld is dat [bedrijf A] c.s. dergelijke vragen hebben gesteld.
7.38.
In de stelling onder b) volgt de rechtbank [bedrijf A] c.s. niet. [bedrijf A] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat het hoger beroep van [eiser] volledig kansloos was. De verhoging van de alimentatie door het hof is voorts geen direct gevolg van het hoger beroep van [eiser] . Uit de beschikking van het hof blijkt namelijk dat die verhoging heeft plaatsgevonden naar aanleiding van incidenteel beroep van de vrouw. Niet gesteld is dat dit incidenteel beroep zou zijn uitgebleven indien [eiser] geen hoger beroep zou hebben ingesteld en ook niet dat het incidenteel beroep een voorzienbaar gevolg was van het hoger beroep van [eiser] .
7.39.
De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijk beoordeling van stelling onder c). Naar de rechtbank begrijpt baseren [bedrijf A] c.s. hun beroep op eigen schuld slechts op die stelling in het (zich niet voordoende) geval dat de rechtbank zou oordelen dat het verwijt dat [bedrijf A] c.s. hebben nagelaten in het echtscheidingsconvenant op te nemen dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven waren afgeweken, gegrond is. Een andere lezing zou namelijk in strijd zijn met de stelling van [bedrijf A] c.s. dat de aanname van [eiser] dat welbewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven niet juist is.
Aan het beroep op matiging wordt niet toegekomen
7.40.
Voor zover nodig hebben [bedrijf A] c.s. een beroep gedaan op matiging van de te vergoeden schade tot het bedrag van € 500.000. Omdat de te vergoeden schade dat bedrag niet overstijgt, kan dit beroep op matiging onbesproken blijven.
Samenvatting
7.41.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht als na te melden en tot toewijzing van de gevorderde schadevergoeding tot € 60.832,91 (€ 18.309 + € 23.974,96 + 18.548,95). De daarover gevorderde wettelijke rente wordt ook toegewezen, omdat deze voldoende steun vindt in de feiten en het recht en [bedrijf A] c.s. daartegen geen afzonderlijk verweer hebben gevoerd.
De buitengerechtelijke kosten worden toegewezen tot het bedrag van € 1.383,33
7.42.
De rechtbank wijst de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten toe tot het bedrag van € 1.383,33. Ter toelichting geldt het volgende.
7.43.
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank toetst daarom aan het zogenoemde Rapport BGK-integraal.
7.44.
Vast staat dat de advocaat van [eiser] in een brief van 7 maart 2024 [bedrijf A] c.s. heeft gesommeerd tot betaling van schadevergoeding. Vervolgens heeft de advocaat in een brief aan [bedrijf A] c.s. van 24 juni 2024 uitgebreid gereageerd op de ontvangen verweren van [bedrijf A] c.s., de sommatie herhaald en meegedeeld dat hij openstaat voor een minnelijk gesprek. Dit zijn verrichtingen die meer omvatten dan die waarvoor de in artikel 237 e.v. Rv bedoelde kostenvergoeding een vergoeding pleegt in te sluiten. Hiermee staat voldoende vast dat [eiser] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
7.45.
De door [eiser] gevorderde vergoeding is conform het tarief in het Besluit. Die vergoeding is redelijk. Berekend over de toe te wijzen hoofdsom van
€ 60.832,61 bedraagt de vergoeding waarop aanspraak kan worden gemaakt € 1.383,33. De vordering wordt daarom tot dat bedrag toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
[bedrijf A] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten
7.46.
[bedrijf A] c.s. zijn te beschouwen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, omdat zij ten principale hebben bestreden aansprakelijk te zijn en niet bereid waren enige schadevergoeding te betalen. Zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten), voor zover aan de zijde van Houwing betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.354,35
7.47.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7.48.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

8.De beoordeling in de vrijwaringszaak

De standpunten van partijen
8.1.
[bedrijf A] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat op [advocatenkantoor X] c.s. een verplichting rust om dezelfde schade te vergoeden als de schade die [bedrijf A] c.s. in de hoofdzaak aan [eiser] moet vergoeden en dat die schade in gelijke delen tussen hen moet worden verdeeld. Die schadevergoedingsverplichting van [advocatenkantoor X] baseren [bedrijf A] c.s. op een schending van de zorgplicht van mr. [naam advocaat 2] jegens [eiser] en de vrouw. Zij stellen dat daarvan sprake is omdat mr. [naam advocaat 2] zich niet ervan heeft vergewist dat [eiser] en de vrouw de in het echtscheidingsconvenant opgestelde regeling begrepen en omdat hij heeft verzuimd te controleren of sprake was van een situatie waarin de vrouw welbewust met minder genoegen had genomen dan waarop zij wettelijk aanspraak kon maken.
8.2.
[advocatenkantoor X] c.s. spreken tegen dat mr. [naam advocaat 2] zijn zorgplicht jegens [eiser] en de vrouw heeft geschonden. Volgens hen strekt de verplichting van de advocaat om de belangen van beide echtgenoten in een zaak als de onderhavige te behartigen niet zo ver dat hij tegen hun kennelijke wil in de inhoud van de alimentatieafspraken dient te toetsen.
Het toetsingskader
8.3.
Uitgangspunt is dat een advocaat tegelijkertijd voor beide echtelieden mag optreden en namens hen een echtscheidingsprocedure op gemeenschappelijk verzoek mag voeren, maar dat op hem dan een zware zorgplicht rust. Deze zorgplicht houdt in dat de advocaat beide echtelieden goed dient te informeren over hun rechtspositie en dat hij zich ervan dient te vergewissen dat beide partijen de regeling die in het echtscheidingsconvenant staat begrijpen. Indien een partij met minder genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken dient de advocaat zich ervan te vergewissen dat deze partij die concessie welbewust aanvaard. Deze verplichting bestaat ook als de advocaat het convenant niet heeft opgesteld en daartoe geen opdracht heeft gekregen, maar het convenant is opgesteld onder begeleiding van een echtscheidingsmediator.
De zorgplicht is niet geschonden
8.4.
De rechtbank wijst de vorderingen van [bedrijf A] c.s. af omdat mr. [naam advocaat 2] de hiervoor omschreven zorgplicht naar haar oordeel niet heeft geschonden. Zij licht dit toe als volgt.
8.5.
Uit de stukken volgt dat [advocatenkantoor X] van [bedrijf A] het echtscheidingsconvenant ontving, waarna mr. [naam advocaat 2] [eiser] en de vrouw bij brief van 18 april 2019 heeft geschreven. Mr. [naam advocaat 2] deelt in zijn brief aan [eiser] en de vrouw mee dat hij namens hen beiden een gemeenschappelijk verzoekschrift heeft opgesteld aan de hand van het hem toegezonden convenant (en het ouderschapsplan) zou indienen. Hij heeft hen gevraagd om in te stemmen met de inhoud van het door hem opgestelde gemeenschappelijk verzoek en hij heeft [eiser] en de vrouw er daarbij uitdrukkelijk op gewezen dat als zij vragen of opmerkingen over de afspraken in het convenant of de procedure bij de rechtbank hadden, zij met hem telefonisch contact konden opnemen. Ook heeft mr. [naam advocaat 2] in zijn brief erop gewezen dat hij ervan uitgaat dat [eiser] en de vrouw een berekening hadden laten maken voor het in het convenant overeengekomen bedrag aan partneralimentatie van
€ 4.546 bruto per maand en dat zij op de hoogte waren van hun rechten. Ten slotte heeft mr. [naam advocaat 2] aangeboden om een nieuwe berekening (als second opinion) te laten maken, als [eiser] en/of de vrouw dat zouden wensen, waarvoor hij dan wel € 250,00 exclusief btw extra in rekening zou brengen.
8.6.
[bedrijf A] c.s. hebben niet weersproken dat [eiser] en de vrouw vervolgens mr. [naam advocaat 2] niet hebben gevraagd een nieuwe berekening van de partneralimentatie te maken.
8.7.
Tegen deze achtergrond kan niet gezegd worden dat mr. [naam advocaat 2] zijn zorgplicht jegens [eiser] en/of de vrouw heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft mr. [naam advocaat 2] meer in het bijzonder voldaan aan zijn verplichting om zich ervan te vergewissen dat beide echtelieden instemden met het convenant en de daarin opgenomen alimentatieverplichting. Mr. [naam advocaat 2] heeft [eiser] en de vrouw expliciet erop gewezen dat hij ervan uitgaat dat zij voor de vaststelling van de alimentatie in het convenant een berekening hadden laten maken en dat zij op de hoogte waren van hun rechten. Hij heeft partijen er ook op gewezen dat als een dergelijke berekening ontbrak of als zij ondanks dat prijs stelden op een herberekening, zij hem hiervoor (tegen betaling van een aanvullende vergoeding) zouden kunnen inschakelen. [bedrijf A] c.s. stellen niet dat [eiser] of de vrouw van mening zijn dat zij niet wisten dat zij mr. [naam advocaat 2] zouden hebben kunnen vragen een herberekening te laten maken van de alimentatie of dat zij zich anderszins onvoldoende voorgelicht achtten door de advocaat.
8.8.
Naar het oordeel van de rechtbank mag van een advocaat niet worden verlangd dat hij, hoewel hij de echtelieden expliciet erop gewezen heeft dat zij hem kunnen vragen een herberekening van de in het kader van een mediation afgesproken alimentatie te laten maken, een zodanige herberekening maakt zonder dat zij daarom hebben verzocht. Hierin ligt besloten dat mr. [naam advocaat 2] onder die omstandigheden ook niet uit eigen beweging behoefde te controleren of de door [eiser] en de vrouw in het convenant gemaakte afspraken al dan niet in overeenstemming waren met de wettelijke maatstaven.
8.9.
Omdat mr. [naam advocaat 2] zijn zorgplicht in dit geval niet heeft geschonden, moeten de vorderingen van [bedrijf A] c.s. in vrijwaring worden afgewezen.
[bedrijf A] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten
8.10.
[bedrijf A] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten in de vrijwaringsprocedure betalen, voor zover aan de zijde van [advocatenkantoor X] c.s. gevallen. De proceskosten van [advocatenkantoor X] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
3.502,00
(1 punt* × € 3.502,00)
Totaal
10.363,00
*Voor de mondelinge behandeling wordt geen punt gerekend aangezien [advocatenkantoor X] c.s. op de zitting niet aanwezig waren.

9.De beslissing

De rechtbank:
in de hoofdzaak:
9.1.
verklaart voor recht dat [bedrijf A] c.s. een beroepsfout hebben gemaakt en dat zij aansprakelijk zijn voor de daardoor door [eiser] geleden en nog te lijden schade tot de hierna onder 9.2 en 9.3 vermelde bedragen,
9.2.
veroordeelt [bedrijf A] c.s. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 60.832,91, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over:
- het bedrag van € 18.309,00 met ingang van de dagvaarding,
- het bedrag van € 23.974,96 met ingang van 2 juni 2022,
- het bedrag van € 18.548,95 met ingang van 10 januari 2024,
telkens tot de dag van volledige betaling,
9.3.
veroordeelt [bedrijf A] c.s. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.383,33 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
9.4.
veroordeelt [bedrijf A] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 5.354,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf A] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
9.5.
veroordeelt [bedrijf A] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
9.6.
verklaart de onder 9.2 t/m 9.5 vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
9.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak:
9.8.
wijst de vorderingen af,
9.9.
veroordeelt [bedrijf A] c.s. in de proceskosten van € 10.363,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
9.10.
verklaart de onder 9.9 vermelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
2515/3152