In deze kortgedingprocedure vorderen eisers, gevestigd in Portugal en Duitsland, betaling van respectievelijk €41.225,44 en €55.902,06 van gedaagde, gevestigd in Nederland. De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve zijn internationale bevoegdheid en toepasselijk recht en stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is vanwege de nauwere band met Nederland.
Gedaagde is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, waarna verstek wordt verleend. Het spoedeisend belang van eisers wordt erkend vanwege de substantiële bedragen en aanwijzingen van onvoldoende liquiditeit bij gedaagde. Gedaagde heeft voorafgaand slechts gedeeltelijk verweer gevoerd over verrekening en betaling, welke bedragen reeds in de vorderingen zijn verwerkt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn en wijst deze toe, inclusief wettelijke handelsrente vanaf 16 april 2026. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsommen, rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, met een extra bedrag bij niet-tijdige betaling. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.