Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 10 februari 2026, met bijlagen;
- de rolbeslissing van 19 maart 2026;
- de akte van Hef Wonen, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert Stichting Hef Wonen betaling van een huurachterstand van haar huurders, [gedaagden], die niet in de procedure zijn verschenen. De kantonrechter stelt vast dat de huurprijswijzigingsbepalingen in de huurovereenkomst en algemene voorwaarden oneerlijk zijn, omdat zij de verhuurder een discretionaire bevoegdheid geven om de huurprijs jaarlijks naar eigen inzicht te verhogen zonder redelijke markttoets of invloed van de huurder.
De kantonrechter vernietigt deze bepalingen, waardoor alle huurverhogingen komen te vervallen en de oorspronkelijke huurprijs van € 754,16 per maand blijft gelden. De huurachterstand wordt berekend over de maanden december 2022 tot en met februari 2023, inclusief servicekosten en herstelkosten, minus reeds betaalde bedragen, wat resulteert in een resterende schuld van € 3.608,49.
Daarnaast wordt een bepaling in de huurovereenkomst die onbegrensde incassokosten toelaat als oneerlijk beoordeeld en afgewezen. De huurders worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom met wettelijke rente vanaf 10 februari 2026 en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter vernietigt de oneerlijke huurprijswijzigingsbepalingen, stelt de huurachterstand vast op € 3.608,49 exclusief incassokosten en veroordeelt de huurders tot betaling met wettelijke rente en proceskosten.