Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5237

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/10/705685 / HA ZA 25-712
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:408 BWArt. 3:12 BWArt. 3:268 lid 2 BWArt. 6:2 BWArt. 441 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing executoriaal beslag op woning wegens onvoldoende onderbouwing

De eiser heeft een executoriaal beslag op zijn woning betwist dat door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) is gelegd vanwege onbetaalde kinderalimentatie. Hij stelde dat de woning onder water staat en dat het beslag de verkoop aan zijn neef blokkeert. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat het beslag niet aan een verkoop tegen een reële prijs in de weg staat.

De procedure omvatte een dagvaarding, conclusies van antwoord, diverse brieven en een mondelinge behandeling. De feiten betreffen een echtscheiding met vastgestelde alimentatieverplichtingen, een hypotheek op de woning, en het beslag door LBIO. De eiser heeft een schuld van ruim €120.000 aan zijn ex-echtgenote.

De rechtbank overwoog dat de eiser geen bewijs leverde van de waarde van de woning of de hoogte van de schuld aan de hypotheekhouder. LBIO betwistte de stellingen van eiser met een taxatie van de woning tussen €682.000 en €790.000. Ook werd geoordeeld dat het beslag een onderhandse verkoop niet blokkeert, mits deze voor een reële prijs plaatsvindt.

De vorderingen tot opheffing van het beslag, tot executie en tot zekerheidstelling werden afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van €2.209,00, uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis werd gewezen door mr. W.A.M. Schellekens en op 6 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot opheffing van het executoriaal beslag af wegens onvoldoende onderbouwing en handhaaft het beslag.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/705685 / HA ZA 25-712
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.P. Harten te Rotterdam,
tegen
LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: LBIO,
advocaat: mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.

1.De kern van het geschil

[eiser] heeft een schuld ter zake van onbetaalde kinderalimentatie aan zijn ex-echtgenote. LBIO heeft het invorderen van die schuld overgenomen van de ex-echtgenote van [eiser] , en heeft executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser] . Het beslag komt in rang na een hypotheek die [eiser] kort voor het beslag heeft verleend op de woning. [eiser] stelt dat hij de woning nu heeft verkocht aan zijn neef, met toestemming van de hypotheekhouder, en wil daarom van het door LBIO gelegde beslag af. Volgens [eiser] zal de woning niet méér opbrengen dan de schuld aan de hypotheekhouder, en blokkeert het beslag ten onrechte de verkoop van de woning. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af omdat [eiser] zijn stellingen op geen enkele wijze onderbouwt en omdat het beslag niet aan verkoop van de woning tegen een reële prijs in de weg staat.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 23 juli 2025;
- de conclusie van antwoord van 29 oktober 2025, met producties 1 tot en met 18;
- de brieven van de rechtbank van 18 november 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 24 maart 2026;
- het bericht van de rechtbank van 16 februari 2026 met daarin een zittingsagenda;
- de brief van LBIO van 26 februari 2026 met één bijlage;
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026 en het daarbij door LBIO overgelegde, bijgewerkte productieoverzicht.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is gehuwd geweest met [ex-echtgenote] (hierna: [ex-echtgenote] ). Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren die allen thans nog minderjarig zijn. Bij beschikking van 24 april 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant de echtscheiding tussen [eiser] en [ex-echtgenote] uitgesproken.
3.2.
Bij beschikking van 16 september 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant de door [eiser] te betalen kinderalimentatie voorlopig vastgesteld, en bij beschikking van 1 april 2019 heeft die rechtbank de kinderalimentatie definitief vastgesteld. [eiser] is van die beslissing in hoger beroep gegaan, en bij beschikking van 8 oktober 2020 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch de kinderalimentatie die [eiser] moet betalen als volgt vastgesteld:
- € 313,50 per kind per maand over de periode van 11 augustus 2017 tot en met 31 december 2017;
- € 318,50 per kind per maand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018;
- € 324,56 per kind per maand over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019; en
- € 332,67 per kind per maand over de periode vanaf 1 januari 2020.
3.3.
[eiser] heeft, afgezien van enkele betalingen in 2017 en 2018, niet aan zijn alimentatieverplichting voldaan. [ex-echtgenote] heeft LBIO verzocht de invordering op zich te nemen (op grond van artikel 1:408 BW Pro).
3.4.
[eiser] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).
3.5.
Op 15 augustus 2018 heeft [eiser] een hypotheek verleend op de woning aan Stichting Particulier Fonds Carfos, gevestigd te Curaçao (hierna: SPFC), voor een ingeschreven bedrag van € 500.000,-. Op dat moment waren er geen andere zakelijke rechten gevestigd op de woning.
3.6.
Twee maanden later, op 22 oktober 2018, heeft LBIO executoriaal beslag gelegd op de woning.
3.7.
Bij beschikking van 6 oktober 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant de alimentatieverplichting van [eiser] gewijzigd in die zin dat deze op nihil wordt gesteld zodra [eiser] wordt toegelaten tot een wettelijke of minnelijke schuldsaneringstraject, met ingang van dat traject en voor de duur daarvan.
3.8.
Op 13 oktober 2025 heeft LBIO nogmaals executoriaal beslag gelegd op de woning.
3.9.
Per 17 februari 2026 heeft [eiser] een schuld van € 120.475,38 aan [ex-echtgenote] uit hoofde van zijn alimentatieverplichting.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - zakelijk weergegeven:
I.
Primair; het executoriale beslag van LBIO op de woning opheft;
II.
Subsidiair; LBIO veroordeelt haar executoriaal beslag op de woning op te heffen binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat LBIO hieraan niet voldoet;
III.
Meer subsidiair; LBIO gelast om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn over te gaan tot de daadwerkelijke executieverkoop van de woning, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat LBIO hieraan niet voldoet;
IV.
Meest subsidiair; LBIO gelast zekerheid te stellen in de vorm van een bankgarantie of anderszins, zolang het beslag voortduurt, dit voor de door [eiser] te verwachten schade bij het uitblijven van levering van de woning aan de huidige koper, voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
V. LBIO te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.2.
[eiser] stelt hiertoe - kort gezegd - dat de woning op dit moment een waarde van ten hoogste € 250.000,- heeft vanwege de slechte staat van de woning, terwijl de vordering van SPFC op [eiser] inmiddels bijna € 600.000,- bedraagt. [eiser] heeft de woning met goedvinden van SPFC verkocht aan zijn neef [neef] voor een bedrag van € 250.000,-. De verkoop wordt alleen geblokkeerd door het beslag van LBIO, terwijl dat beslag geen verhaal oplevert omdat de woning onder water staat. Daarnaast heeft LBIO het eerste beslag al ruim zeven jaar geleden op de woning gelegd, maar heeft zij nog steeds niet geëxecuteerd.
4.3.
LBIO voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel afwijzing van die vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
LBIO voert daartoe - kort gezegd - aan dat de woning volgens de website Huispedia een realistische waarde heeft van € 682.000,- tot € 790.000,-. Bij die waarde blijft bij verkoop van de woning voldoende geld over voor verhaal van de vordering van [ex-echtgenote] , ook als sprake is van de gestelde schuld aan SPFC. LBIO betwist ook dat [eiser] werkelijk € 400.000,- van SPFC heeft geleend. Op die lening zou een rente van 6% zijn afgesproken, terwijl dat twee à drie keer zoveel is als toen gebruikelijk was. Het is al jaren onduidelijk wat [eiser] heeft gedaan met het geld dat hij heeft verkregen uit de verkoop van een andere woning in [plaats] voor € 385.000,- in 2017 en met het geld dat hij beweert geleend te hebben van SPFC, aldus LBIO. In verschillende procedures is hier nooit een antwoord op gekomen. Daarnaast zouden de ondernemingen van [eiser] zijn geliquideerd, maar staan thans nog drie vennootschappen waarvan [eiser] direct of indirect bestuurder is, ingeschreven op het adres van de woning.

5.De beoordeling

Geen grond voor opheffing van het beslag (vorderingen I en II)
5.1.
[eiser] vordert primair opheffing van het beslag (vordering I), subsidiair veroordeling van LBIO tot opheffing van het beslag (vordering II), op de grond dat er geen enkel uitzicht is op enige executieopbrengst voor LBIO. [eiser] beroept zich hierbij kennelijk op het bepaalde in artikel 441 lid 3 Rv Pro. In dat artikel is bepaald dat het niet is toegestaan zaken in beslag te nemen indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie, tenzij de schuldeiser aannemelijk kan maken dat de schuldenaar door het beslag en de executie niet op onevenredig zware wijze in zijn belangen wordt getroffen.
5.2.
LBIO betwist gemotiveerd dat met het beslag geen opbrengst kan worden gerealiseerd die hoger is dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie. Volgens LBIO is de woning, die een perceeloppervlakte heeft van 1.194 m2, tussen € 682.000,- en € 790.000,- waard. Zij verwijst daarbij naar een door haar overgelegde schatting van de waarde door Huispedia. Zelfs als de schuld aan SPFC € 600.000,- bedraagt, hetgeen LBIO betwist, is de kans dus volgens LBIO groot dat de woning genoeg opbrengt om in elk geval een deel van de vordering van [ex-echtgenote] te voldoen.
5.3.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting door LBIO, lag het op de weg van [eiser] om zijn stelling (dat er geen enkel uitzicht is op enige executieopbrengst voor LBIO) nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. [eiser] heeft in deze procedure in het geheel geen stukken overgelegd, dus ook geen stuk waaruit blijkt wat de waarde van de woning is en geen stuk waaruit blijkt dat sprake is van een schuld aan SPFC en wat de hoogte is van die schuld. [eiser] heeft aldus, gelet op de gemotiveerde betwisting door LBIO, zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat het beslag geen redelijk doel treft en LBIO daarom misbruik van recht maakt door het beslag te handhaven. De rechtbank gaat daarom aan deze stellingen voorbij.
5.4.
Volgens [eiser] moet het beslag ook worden opgeheven omdat het de verkoop van de woning blokkeert en LBIO daarom in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 3:12 BW Pro en artikel 6:2 BW Pro door het beslag te handhaven. Dat sprake is van een verkoop aan de neef van [eiser] wordt echter betwist door LBIO en is door [eiser] niet met stukken (zoals een (concept)koopovereenkomst) onderbouwd. Bovendien blokkeert het beslag een onderhandse verkoop niet. Als SPFC, zoals [eiser] stelt, akkoord is met de onderhandse verkoop aan de neef van [eiser] , dan kan immers de route van artikel 3:268 lid 2 BW Pro worden gevolgd, waarbij een verzoek bij de Voorzieningenrechter wordt ingediend om onderhands te mogen verkopen. Als de Voorzieningenrechter dat verzoek inwilligt (dus als sprake is van een verkoop voor een reële prijs) dan kan er gewoon onderhands worden verkocht, ondanks het beslag van LBIO. Het beslag staat dus niet aan een onderhandse verkoop in de weg, mits verkocht wordt voor een reële prijs.
5.5.
De stelling van [eiser] dat de woning niet middels een verzoek tot onderhandse verkoop aan een externe particulier of commerciële partij te slijten is omdat er geen onderhandse biedingen zijn en omdat de woning onbewoonbaar is, snijdt geen hout. Onderhandse biedingen zijn immers pas te verwachten nadat een openbare verkoop is aangezegd. Bovendien is onduidelijk waarom de woning onverkoopbaar is als deze volgens [eiser] een waarde van € 250.000,- heeft.
5.6.
Gelet op het voorgaande is er geen grond voor opheffing van het beslag. De vorderingen I en II worden daarom afgewezen.
Geen grond om LBIO te bevelen over te gaan tot executie (vordering III)
5.7.
[eiser] vordert meer subsidiair een bevel dat LBIO op korte termijn overgaat tot daadwerkelijke executieverkoop van de woning (vordering III). Hij legt aan deze vordering ten grondslag (i) dat het beslag “leeg” is en dus onrechtmatig, (ii) dat het beslag de verkoop van de woning verhindert, en (iii) dat hij in een slechtere financiële situatie terechtkomt als het beslag doorloopt, omdat de woning minder waard wordt en zijn schuld oploopt.
5.8.
Dat het beslag “leeg” is (dat wil zeggen: geen waarde heeft) staat niet vast. De rechtbank verwijst naar 5.3. Dat het beslag de verkoop van de woning verhindert, is voorts niet juist. De rechtbank verwijst naar 5.4. Ten aanzien van de derde grond overweegt de rechtbank als volgt. [eiser] heeft noch zijn stelling dat de woning minder waard wordt, noch zijn stelling dat sprake is van een schuld aan SPFC die verder oploopt, op enigerlei wijze onderbouwd, terwijl dit door LBIO gemotiveerd is betwist. Derhalve staat niet vast dat [eiser] in een slechtere financiële situatie terechtkomt als het beslag doorloopt. Bovendien valt niet uit te sluiten dat sprake is van betalingsonwil van [eiser] . [eiser] heeft in het geheel geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Hij stelt dat hij geen inkomen en, naast de woning, geen vermogen heeft, maar dat is door LBIO gemotiveerd betwist en door [eiser] op geen enkele wijze onderbouwd. Het staat dus niet vast dat sprake is van betalingsonmacht, en mogelijk is sprake van betalingsonwil van [eiser] . Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat LBIO door het beslag te handhaven zonder tot executie over te gaan, en zodoende druk op [eiser] uit te oefenen, onrechtmatig handelt.
5.9.
De vordering LBIO te bevelen over te gaan tot executie (vordering III) wordt, gelet op het voorgaande, afgewezen.
Geen grond voor zekerheidstelling door LBIO (vordering IV)
5.10.
Meest subsidiair vordert [eiser] dat LBIO wordt veroordeeld zekerheid te stellen zolang het beslag voortduurt, tot een bedrag gelijk aan de te verwachten schade bij uitblijven van levering van de woning, voor het geval de executie of handhaving van het beslag achteraf onrechtmatig blijkt en voor [eiser] schade oplevert. Deze vordering wordt afgewezen omdat noch het leggen van het beslag, noch het handhaven van het beslag door de rechtbank onrechtmatig wordt geacht.
[eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld
5.11.
[eiser] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten van LBIO worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 x 1 punt × tarief II € 653,00)
- nakosten €
189,00
Totaal € 2.209,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad omdat LBIO dat heeft gevorderd en [eiser] daar geen verweer tegen heeft gevoerd (artikel 233 Rv Pro).

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling in 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
3718/2009/3310