Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5239

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/10/704436 / HA ZA 25-637
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 1 BWArt. 3:185 BWArt. 3:300 lid 1 BWArt. 6:212 BWArt. 6:136 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling en uitkoop van gemeenschappelijke woning na beëindiging affectieve relatie

De rechtbank behandelt een geschil tussen ex-partners over de verdeling van hun gemeenschappelijke woning en financiële afwikkeling na het beëindigen van hun affectieve relatie. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een nieuwbouwwoning met een hypotheek van circa €280.000. De man wil de vrouw uitkopen, maar partijen verschillen van mening over de waarde van de woning en de termijn voor uitkoop.

De rechtbank oordeelt dat de woning opnieuw getaxeerd moet worden door een door de man te kiezen taxateur uit een door de vrouw geselecteerde lijst, waarbij de kosten voor de man zijn. De actuele waarde geldt als bindend advies. De man krijgt drie maanden na taxatierapport om de financiering rond te krijgen en de uitkoop te realiseren. De vrouw moet worden ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek.

De man vordert betaling van hypotheeklasten en verbouwingskosten, maar deze vorderingen worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en gespreide betalingen door de vrouw. Wel krijgt de man gelijk in zijn vordering tot terugbetaling van zijn eigen inbreng van €23.065 bij aankoop van de woning. De rechtbank compenseert de proceskosten tussen partijen en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De man krijgt de gelegenheid om de woning binnen drie maanden na taxatie uit te kopen tegen de actuele waarde minus zijn eigen inbreng; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/704436 / HA ZA 25-637
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci te Rijswijk.

1.De kern van het geschil

1.1.
De affectieve relatie tussen de man en de vrouw is geëindigd. In deze procedure gaat het om de vraag wat er met de gezamenlijke woning van de man en de vrouw moet gebeuren. Verder is het de vraag of de man nog geld van de vrouw tegoed heeft in verband met de afwikkeling van hun samenleving. De rechtbank beslist dat de man de tijd krijgt om te onderzoeken of hij de uitkoop kan realiseren. Daarvoor zal de woning eerst moeten worden getaxeerd. Als uitkoop niet lukt, dan moet de woning worden verkocht aan een derde. De rechtbank beslist verder welk bedrag de vrouw nog aan de man moet betalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 24 juli 2025, met producties 1 tot en met 6;
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 17 september 2025, met producties 1 tot en met 5;
  • de brieven van de rechtbank van 22 september 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 20 januari 2026;
  • het B16-formulier van de man ingekomen op 9 december 2025, met bijgaand een KvK-uittreksel van een eenmanszaak van de man en een financieringsopzet;
  • de brief van de vrouw van 14 januari 2026 met een verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling en met aanvullende producties 6 tot en met 10;
  • het bericht van de man van 15 januari 2026 dat hij bezwaar maakt tegen aanhouding van de mondelinge behandeling;
  • het bericht van de rechtbank van 15 januari 2026 dat de mondelinge behandeling van 20 januari 2026 doorgaat;
  • de mondelinge behandeling van 20 januari 2026;
  • het beknopte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, met daarin vastgelegd de afspraak van partijen dat de man € 100,- aan de vrouw betaalt voor de lamp die boven de eettafel in de woonkamer hangt, en aangehecht de door partijen gemaakte afspraken over wie welk deel van de inboedel toekomt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad van 2017 tot halverwege 2024. Zij hebben tijdens hun relatie informeel samengeleefd. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst.
3.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een (nieuwbouw)woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] (hierna: de woning). De woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening van de Rabobank (hierna: de hypotheek), waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. De hoogte van de hypotheekschuld is momenteel ongeveer € 280.000,-. De maandelijkse hypotheeklasten bedragen € 1.192,36.
3.3.
Partijen hebben destijds – na aankoop van het perceel in november 2020 en in afwachting van de oplevering van hun (nieuwbouw)woning – samen in de (voormalige) woning van de vrouw gewoond. Vanaf november 2021 zijn zij in hun nieuwe woning getrokken.
3.4.
Na verbreking van de affectieve relatie zijn de vrouw en haar zoon in de woning blijven wonen. De man verblijft daar ook regelmatig.
3.5.
Op 1 mei 2025 is de woning in opdracht van de man getaxeerd op een waarde van € 500.000,-. Op 14 januari 2026 is de woning in opdracht van de vrouw getaxeerd op een waarde van € 540.000,-.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De man vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de woning aan de man toe te delen, waarbij de woning op € 500.000,- wordt gewaardeerd;
II. de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de overdracht en levering van haar aandeel in de woning, op straffe van een dwangsom;
III. ingeval de vrouw niet meewerkt aan de overdracht en levering van haar aandeel in de woning, de man vervangende toestemming te verlenen;
IV. de man aan te wijzen als dwangvertegenwoordiger in de zin van artikel 3:300 lid 1 BW Pro voor alle noodzakelijke rechtshandelingen ten behoeve van de juridische levering van de woning;
V. te bepalen dat de koopsom van € 500.000,- zal worden aangewend voor de aflossing van de hypotheek bij de Rabobank, voor de voldoening van de verkoop- en leveringskosten (waaronder notariskosten), en voor de betaling van eventuele achterstallige vaste lasten en/of noodzakelijke herstelkosten;
VI. te bepalen dat de man vervolgens recht heeft op vergoeding van zijn eigen inbreng groot € 23.065,-, en dat de daarna resterende netto-overwaarde bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
VII. de vrouw te veroordelen aan de man te betalen € 7.750,34 wegens voorgeschoten hypotheeklasten en € 5.376,03 wegens door de man gefinancierde verbouwingen;
VIII. de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man van de roerende zaken die exclusief aan hem toebehoren;
IX. de vrouw te veroordelen de woning binnen één week na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten, op straffe van een dwangsom;
X. de vrouw te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
4.2.
De vrouw voert verweer en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
in reconventie
4.3.
De vrouw vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de woning aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van € 500.000,-;
II. te bepalen dat de vrouw aan de man betaalt de aan hem toekomende overwaarde, na aftrek van de nog openstaande hypotheek en na aftrek van de door de vrouw gemaakte investeringskosten groot € 6.383,20;
III. te bepalen dat de man gehouden is mee te werken aan de juridische levering van de woning, op straffe van een dwangsom;
IV. ingeval de man niet meewerkt aan de juridische levering, de vrouw vervangende toestemming te verlenen;
V. de man te veroordelen de woning binnen één week na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en te verlaten, op straffe van een dwangsom;
VI. de roerende zaken die tot het exclusieve eigendom van de vrouw behoren, aan de vrouw toe te delen;
VII. de man te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.4.
Ter zitting voert de man verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.

5.De beoordeling

Inleidende opmerkingen
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze hierna gezamenlijk behandeld.
5.2.
Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de vorderingen die zien op de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel (in conventie de vordering onder VIII. en in reconventie de vordering onder VI.). Die vorderingen gelden dan ook als ingetrokken en liggen niet meer ter beoordeling voor.
5.3.
Dat zelfde geldt voor de vorderingen van de vrouw in reconventie onder I. tot en met V., kort: toedeling van de woning aan haar en de daaraan verwante vorderingen onder II. tot en met V. Ter zitting heeft zij namelijk laten weten dat zij ervan afziet om de man uit te kopen en dat zij ermee akkoord gaat dat de man in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over te nemen. De rechtbank leidt hieruit af dat ook deze reconventionele vorderingen door de vrouw zijn ingetrokken. De enige vordering die in reconventie nog overblijft is de vordering onder VII.
De woning
5.4.
De vraag is wat er met de woning moet gebeuren.
5.5.
Tussen partijen, die gemeenschappelijk eigenaar zijn van de woning, bestaat een (eenvoudige) gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW Pro. In artikel 3:185 BW Pro is bepaald dat, als deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, zij de rechter kunnen benaderen om de wijze van verdeling of de verdeling zelf vast te stellen. De rechter moet naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen door partijen over en weer is gevorderd. De rechter behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
5.6.
Partijen zijn het, zoals gezegd, op zich erover eens dat verdeling van de woning moet plaatsvinden. Beide partijen willen ook dat de man de gelegenheid krijgt om de vrouw uit te kopen. De man stelt dat dit financieel gezien haalbaar voor hem is. Partijen twisten over het volgende:
de waarde die moet worden gehanteerd voor de uitkoop. De man stelt dat dit de taxatiewaarde van € 500.000,- uit het rapport van mei 2025 moet zijn. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van de taxatiewaarde van € 540.000,- uit het door haar overgelegde rapport van januari 2026;
welke termijn de man moet worden gegund om de woning over te nemen.
Ad a. De waarde van de woning
5.7.
De rechtbank stelt voorop dat de waardering van een op het tijdstip van de verdeling tot de (hier: eenvoudige) gemeenschap behorend goed – te weten: de woning – moet gebeuren naar de waarde ten tijde van de verdeling. Partijen kunnen met elkaar afspreken van dit uitgangspunt af te wijken, terwijl ook uit de redelijkheid en billijkheid anders kan voortvloeien.
5.8.
Bij aanvang van de procedure – de dagvaarding dateert van 24 juli 2025 – was het taxatierapport dat de man in mei 2025 heeft laten opstellen, actueel. Inmiddels is alweer bijna een jaar verstreken sinds dat taxatierapport en zijn er – gezien het taxatierapport uit januari 2026 dat in opdracht van de vrouw is opgesteld – aanwijzingen dat de woning in waarde is gestegen.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van overeenstemming tussen partijen in die zin dat een andere waarde dan de waarde ten tijde van de verdeling moet worden gehanteerd. De rechtbank ziet verder onvoldoende aanknopingspunten om het ene dan wel het andere taxatierapport te gebruiken, nu de man het niet eens is met het taxatierapport dat door de vrouw is overgelegd en de vrouw het er niet mee eens om de waarde uit het taxatierapport dat in opdracht van de man is opgesteld te gebruiken.
5.10.
Gezien het voorgaande zal in het kader van de uitkoop moeten worden uitgegaan van de waarde van de woning ten tijde van de verdeling. Verder zal de woning, bij gebreke van een taxatie waarover beide partijen het eens zijn, (opnieuw) moeten worden getaxeerd door een taxateur/makelaar. Omdat de man de woning wil overnemen, zullen de kosten van de taxateur/makelaar voor zijn rekening komen.
5.11.
De opdracht tot taxatie moet door beide partijen worden verstrekt en getekend. Partijen zullen de taxateur informeren dat alle correspondentie aan hen beiden verstuurd moet worden. Partijen mogen bij de taxatie aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Indien een partij aangeeft bij de taxatie aanwezig of vertegenwoordigd te willen zijn, dan zal bij het bepalen van de datum van de taxatie rekening gehouden worden met de verhinderdata van die partij.
Ad b. Termijnen
5.12.
De man stelt ter zitting dat hij drie maanden nodig heeft om de uitkoop te realiseren. Hij heeft al de nodige stappen gezet voor het rondkrijgen van die financiering. De vrouw vindt dit te lang en meent dat een termijn van zes weken na datum vonnis voldoende is.
5.13.
De rechtbank beslist als volgt. Binnen één week na dit vonnis (22 april 2026) selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week (29 april 2026) uit die selectie de makelaar die de woning moet gaan taxeren. De rechtbank gaat ervan uit dat de taxatie daarna binnen vier weken zal plaatsvinden (27 mei 2026), tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en in aanwezigheid van partijen. De rechtbank acht drie maanden na het uitgebrachte taxatierapport een reële termijn voor de man om de daadwerkelijke financiering en overdracht te realiseren (dus uiterlijk 27 augustus 2026), ook omdat hij zelf aangeeft dat dit haalbaar is.
De door de man gevorderde bedragen
5.14.
De man vordert betaling van de vrouw van de volgende bedragen:
€ 7.750,34 vanwege door hem teveel betaalde hypotheeklasten;
€ 5.376,03 vanwege door hem betaalde verbouwingskosten;
Ad a. Hypotheeklasten
5.15.
De man stelt dat hij in de periode van 13 november 2020 tot en met 30 november 2021 alleen de hypotheeklasten voor de woning voor zijn rekening heeft genomen. Hij vordert van de vrouw betaling van de helft van de door hem betaalde hypotheeklasten over die periode, wat neerkomt op een bedrag van € 7.750,34, aldus de man. De vrouw stelt op haar beurt dat deze vordering teniet is gegaan, omdat zij haar aandeel in die lasten wel heeft voldaan, maar dat dit gespreid is gebeurd in de periode van november 2020 tot en met februari 2023. Zij heeft diverse bankafschriften overgelegd waaruit die betalingen aan de man zouden blijken.
5.16.
De rechtbank beslist als volgt. Partijen zijn het erover eens dat zij ieder de helft van de verschuldigde hypotheeklasten over genoemde periode zouden dragen. Vraag is of het bevrijdende verweer van de vrouw slaagt.
5.17.
Uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften volgt dat zij in de periode van november 2020 tot en met februari 2023 (meestal ook) onder vermelding van “hypotheek” een bedrag van afgerond € 16.000,- aan de man heeft betaald, wat – gedeeld door het aantal maanden in die periode – neerkomt op een maandelijkse betaling die (vrijwel) gelijk is aan het aandeel van de vrouw in de maandelijkse hypotheeklasten over die periode. De man heeft ter zitting gezegd dat hij dit zelf niet heeft nagerekend, maar dat als de berekening klopt, hij het met de vrouw eens is. Dit betekent dat het verweer van de vrouw slaagt. De vordering van de man op dit punt onder VII. wordt dus afgewezen.
Ad b. Verbouwingskosten
5.18.
De man stelt dat hij de kosten van de verbouwing van de woning voor zijn rekening heeft genomen. Het gaat om een bedrag van € 10.752,06. Hij vordert van de vrouw betaling van de helft van dit bedrag, te weten € 5.376,03, op grond van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw (artikel 6:212 BW Pro). Hij heeft diverse aankoopbonnen overgelegd, zonder enige toelichting.
5.19.
De vrouw betwist dat zij verplicht is dit bedrag aan de man te betalen. Subsidiair doet zij een beroep op verrekening en stelt zij dat zij op haar beurt voor de verbouwing en de inrichting van de woning ook kosten heeft gemaakt. Die kosten bedragen € 12.766,40. Zij heeft diverse bonnen overgelegd, ook zonder enige toelichting.
5.20.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, is niet komen vast te staan dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de man en dat de man daardoor schade heeft geleden die de vrouw aan hem moet vergoeden. De man heeft dit niet, althans onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Hij heeft gesteld noch toegelicht waarom de door hem gestelde aankopen tot een waardevermeerdering van de woning hebben geleid waarvan de vrouw meeprofiteert. Dat dit voor de aankopen in kwestie het geval is geweest is namelijk zonder enige toelichting niet duidelijk. Zo zit er ook een bon bij van een stofzuiger. Zelfs van de gemaakte kosten voor de badkamer is het maar zeer de vraag of dit tot een waardevermeerdering van de woning heeft geleid; de man heeft dit in elk geval niet gesteld, laat staan onderbouwd. Zelfs als sprake zou zijn geweest van een aankoop die tot waardevermeerdering van de woning heeft geleid, geldt dat de man onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat die aankoop volledig voor zijn rekening is gekomen. Zo zijn niet van alle aankopen bankafschriften overgelegd en waar de man wel bankafschriften heeft overgelegd, heeft de man ook bankafschriften overgelegd waaruit volgt dat de betaling is gedaan vanaf de en/of rekening van de man en de vrouw.
5.21.
Gelet op het voorgaande wordt de vordering van de man op dit punt onder VII. afgewezen. De man heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot toewijzing van zijn vordering op een andere grondslag. Het beroep op verrekening door de vrouw kan dus onbesproken blijven.
Eigen inbreng van de man voor de aankoop van de woning
5.22.
Verder is de vraag of de man recht heeft op betaling door de vrouw van de helft van het bedrag van € 23.065,00, te weten het bedrag dat hij bij aankoop van de woning zelf heeft ingebracht. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is en licht dat hierna toe.
5.23.
Niet in geschil is tussen partijen dat de man een bedrag van € 23.065,- heeft ingebracht voor de aankoop van de woning. Dat bedrag was afkomstig uit de verkoopwinst van zijn vorige woning. De vrouw betwist niet dat de man recht heeft op teruggaaf van dit bedrag. Dat betekent dat de vordering van de man in beginsel kan worden toegewezen.
5.24.
De vrouw doet – naar de rechtbank begrijpt – een beroep op verrekening ter afwering van deze vordering. Dit beroep op verrekening komt erop neer dat de vrouw stelt dat bij toewijzing van de vordering van de man daarop de volgende bedragen in mindering moeten worden gebracht (in totaal: € 11.000,-):
  • een bedrag van € 2.000,-: het bedrag dat de vrouw aan haar vader heeft betaald voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de verbouwing van de woning;
  • een bedrag van € 4.000,-: dit als (nagekomen) vergoeding voor de inspanningen van de vrouw waarmee partijen makelaarskosten voor de aankoop van de woning hebben kunnen besparen;
  • een bedrag van € 5.000,-: dit als vergoeding voor de woonlasten van de vrouw gedurende de periode van juni 2021 tot november 2021, de periode waarin de man bij de vrouw woonde, in afwachting van de oplevering van hun nieuwbouwwoning.
5.25.
De man heeft ter zitting deze posten betwist dan wel betwist dat hij moet meebetalen aan deze posten.
5.26.
Vraag is of – gelet op artikel 6:136 BW Pro – de gegrondheid van het verrekeningsverweer van de vrouw tegen de vordering van de man op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Immers, gelet op de betwisting door de man, kan niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld dat de vrouw deze bedragen nog van de man tegoed heeft. De vrouw heeft hiervoor onvoldoende gesteld. Zo had van haar mogen worden verwacht dat zij concreet had onderbouwd waarom zij die bedragen nog van de man tegoed heeft, zoals bijvoorbeeld dat partijen hierover een concrete afspraak hebben gemaakt en waaruit die afspraak volgt. Wat zij nu hierover stelt, is te algemeen en te weinig concreet.
5.27.
Waar de vrouw ter zitting haar standpunt heeft gewijzigd in die zin dat zij nu stelt dat partijen de mondelinge afspraak hadden gemaakt dat zij over en weer geen aanspraak zouden maken op betaling door de ander van de helft van het bedrag van € 23.065,- respectievelijk € 11.000,-, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daargelaten dat het gezien de eisen van een goede procesorde de vraag is of deze stelling nog in een dergelijk laat stadium kan worden opgeworpen, strandt dit verweer reeds omdat de vrouw die afspraak – die door de man wordt betwist – op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd.
5.28.
Conclusie is dat de vordering van de man op dit punt (zie zijn vordering onder VI.) wordt toegewezen.
Conclusie
5.29.
Zoals gezegd, beslist de rechtbank dat de man de gelegenheid krijgt om – binnen een bepaald tijdsbestek – de uitkoop van de vrouw te realiseren, door betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw. Hierbij wordt onder overwaarde verstaan de taxatiewaarde verminderd met het saldo van de hypotheekschuld op het moment van de notariële levering aan de man. Daarbij geldt dat de man de helft van het door hem ingebrachte bedrag van € 23.065,- in mindering mag brengen op de aan de vrouw te betalen overwaarde. De kosten van de notaris in verband met de levering komen voor rekening van degene die de woning wil overnemen, zoals te doen gebruikelijk is, hier: de man. Omdat de man de kosten van de notaris moet dragen, mag hij bepalen bij welke notaris de levering zal plaatsvinden.
5.30.
De vordering van de man die inhoudt dat – naar de rechtbank begrijpt – eventuele achterstallige vaste lasten en/of noodzakelijke herstelkosten, in mindering moeten komen op de overwaarde (een deel van de vordering onder V.), wordt afgewezen. De man heeft dit deel van zijn vordering in zijn geheel niet toegelicht en daarom niet voldaan aan zijn stelplicht. De rechtbank merkt in dit verband wel op dat, gezien de gemeenschappelijke eigendom van de woning, het in de rede ligt dat partijen ieder de helft van de eigenaarslasten dragen tot de datum van de notariële levering.
5.31.
Ook de vordering van de man onder IX. (ontruiming van de woning door de vrouw binnen één week na betekening van dit vonnis) wordt afgewezen. De man stelt ter onderbouwing van die vordering dat de vrouw de man de toegang tot de woning heeft ontzegd, maar ter zitting is gebleken dat de man nog met regelmaat in de woning verblijft. De man heeft dus niet duidelijk gemaakt welk belang hij heeft bij zijn vordering tot ontruiming.
5.32.
Nu dit vonnis in de plaats zal treden van de medewerking van de vrouw bij de levering wanneer zij deze niet zelf verleent, is het belang van de man tot nakoming van dit vonnis gewaarborgd. De vorderingen van de man onder II. en IV. zullen daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
5.33.
Als de uitkoop niet tijdig is gerealiseerd, waar beide partijen overigens niet van uit lijken te gaan, dan moet de woning worden verkocht aan een derde. Partijen zijn het daarover ook eens. Geen van de vorderingen in deze procedure ziet op die situatie, zodat de rechtbank niet de wijze van verdeling ingeval van een verkoop zal gelasten. De rechtbank geeft partijen mee dat in dat geval nog steeds geldt dat de vrouw – bijvoorbeeld via de notaris uit haar helft van de netto-verkoopopbrengst – aan de man moet betalen een bedrag gelijk aan de helft van de eigen inbreng van de man (€ 11.532,50).
Uitvoerbaar bij voorraad
5.34.
De rechtbank verklaart de veroordelingen van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad (233 Rv), zoals de man heeft gevorderd en waarop niet is gereageerd door de vrouw.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.35.
Gelet op de relatie tussen partijen (ex-partners) worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
gelast de volgende wijze van verdeling van de woning:
6.1.1.
bepaalt dat de vrouw binnen één week na de datum van dit vonnis drie taxateurs/makelaars aandraagt, waarna de man één week de tijd krijgt om uit deze taxateurs/makelaars één taxateur/makelaar aan te wijzen. De opdracht aan de taxateur geschiedt zoals in 5.11 is uiteengezet;
6.1.2.
bepaalt dat de taxateur – na verstrekking van de opdracht en ingevolge hetgeen in 5.11 is overwogen – binnen vier weken een waardebepaling van de woning zal verrichten tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en dat deze taxatie tussen partijen zal gelden als een bindend advies,
6.1.3.
bepaalt dat de kosten van de taxatie door de man gedragen worden,
6.1.4.
bepaalt dat de man de gelegenheid krijgt om het aandeel van de vrouw in de woning uiterlijk binnen drie maanden na de datum van ontvangst van het taxatierapport over te nemen onder de verplichting om:
- te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en
- de helft van de overwaarde aan de vrouw te vergoeden, waarop de man in mindering mag brengen de helft van het door hem ingebrachte bedrag van € 23.065,- (derhalve € 11.532,50),
6.1.5.
de notariële levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man moet uiterlijk op 27 augustus 2026 plaatsvinden bij een door de man te kiezen notaris;
6.1.6.
uiterlijk ten tijde van de notariële levering (i) moet de man ervoor zorgen dat een bedrag gelijk aan de helft van de overwaarde verminderd met het in 6.1.4 genoemde bedrag van € 11.532,50 op de rekening van de notaris staat, zodat de notaris dit bedrag na het passeren van de akte aan de vrouw kan uitkeren en (ii) moet de vrouw worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld,
6.1.7.
dit vonnis zal in de plaats treden van de ondertekening van de leveringsakte door de vrouw, indien de man aantoont dat aan de voorwaarden vermeld in 6.1.6 zal worden voldaan en de vrouw die akte niet op eerste verzoek ondertekent,
6.1.8.
bepaalt dat de kosten van de notariële levering door de man gedragen worden,
6.1.9.
als levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man niet uiterlijk 27 augustus 2026 plaatsvindt, zoals hiervoor is bepaald, moet de woning aan een derde worden verkocht,
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en in reconventie
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
3718/2334/3310