Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5243

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716616 / KG ZA 26-260
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing executie dwangsommen in zorgregeling na vermoeden seksueel misbruik

De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding waarin de vrouw verzocht om schorsing van de executie van dwangsommen en opheffing van loonbeslag, voortvloeiend uit een eerder vonnis dat haar veroordeelde de zorgregeling voor hun minderjarige dochter na te komen.

De vrouw stelde dat zij de zorgregeling stopzette vanwege vermoedens van seksueel misbruik door de man, onderbouwd met een verklaring van de huisarts en een lopend politieonderzoek. De man betwistte deze beschuldigingen en benadrukte het belang van voortzetting van de zorgregeling voor het welzijn van het kind.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw onvoldoende nieuwe feiten had aangevoerd die rechtvaardigen af te wijken van het eerdere vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. De verklaring van de huisarts was niet eenduidig en Veilig Thuis had twijfels over de juistheid van de beschuldigingen. Bovendien was de zorgregeling inmiddels hervat.

Daarom werden de vorderingen van de vrouw afgewezen, mocht de man executoriale maatregelen treffen en werd het loonbeslag gehandhaafd. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de executie van dwangsommen en opheffing van loonbeslag af wegens ontbreken van nieuwe omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716616 / KG ZA 26-260
Vonnis in kort geding van 23 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. D.A.Y. Jacques,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna genoemd de vrouw en de man.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 maart 2026 met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord van de man met producties 1 tot en met 10;
- het bericht van de vrouw van 19 maart 2026 met productie 5;
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn ouders van de minderjarige [dochter] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] (hierna: het kind).
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2024 (C/10/672853) is bepaald dat de ouders het ouderlijk gezag over de minderjarige gezamenlijk uitoefenen en is tevens een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld.
2.3.
De vrouw is de zorgregeling niet nagekomen vanaf 7 november 2025. De man heeft de vrouw in kort geding gedagvaard met het verzoek om – kort samengevat – de vrouw te veroordelen de zorgregeling na te komen op verbeurte van een dwangsom. In het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2025 (hierna: het vonnis) is overwogen en beslist:

4.8. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4.8.1.
Er is geen sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat het nakomen van
de zorgregeling in strijd is met de belangen van de minderjarige. De vrouw heeft ook niet
aangetoond dat de rechtbank bij het vaststellen van de zorgregeling van onjuiste of
onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.8.2.
Voor zover de vrouw aanvoert dat de minderjarige de afgelopen periode
concrete(re) uitlatingen heeft gedaan waardoor een strafrechtelijk onderzoek is gestart, heeft de vrouw dit onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter tast, met de man, zo goed als volledig in het duister wat er aan de hand zou zijn. Daarover wordt geen openheid van zaken gegeven, noch aan de man, noch aan de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft niets concreets waaruit kan volgen dat de minderjarige nu, in tegenstelling tot toen de rechtbank de zorgregeling heeft vastgesteld, niet veilig is bij de man. Moeder deelt haar concrete waarnemingen niet. Evenmin zijn er recente signalen bekend vanuit onafhankelijke derden zoals een huisarts of school, die duiden op onveiligheid. De enkele stelling van de vrouw dat een strafrechtelijk onderzoek is gestart, is onvoldoende.
4.9.
De voorzieningenrechter is, al het voorgaande afwegend, van oordeel dat het in het
belang van de minderjarige is dat de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van
19 september 2024 wordt nagekomen. Het feit dat de ouders van de man doorgaans
aanwezig of in buurt zijn, de man woont immers bij hen in, is op dit moment een voldoende waarborg. De voorzieningenrechter zal de vordering van de man om de vrouw te
veroordelen tot medewerking aan de uitvoering van de zorgregeling dan ook toewijzen.
[…]
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.12.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat is gevorderd en
het is ook het gebruik in procedures als deze. Er is geen apart verweer tegen gericht.
Daarnaast is de voorzieningenrechter ook ambtshalve van oordeel dat de belangen van de
man en de minderjarige bij directe uitvoerbaarheid groter zijn dan de belangen bij de vrouw.
De minderjarige heeft recht op de zorg van haar vader.
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de vrouw om mee te werken aan de zorgregeling en vakantie- en feest-
dagenregeling zoals vastgelegd bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van
19 september 2024 (C/10/672853);
5.2.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen als zij na betekening
van dit vonnis niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet […]
5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad
2.4.
Het vonnis is door de deurwaarder betekend op 23 december 2025. De vrouw is de zorgregeling vervolgens niet nagekomen. Als gevolg daarvan heeft zij een dwangsom verbeurd. De vrouw is de zorgregeling wel nagekomen vanaf 16 januari 2026 en zij heeft vanaf dat moment geen dwangsommen verbeurd.
2.5.
De man heeft bij deurwaardersexploot van 20 februari 2026 beslag laten leggen op het loon van de vrouw. De eerstvolgende uitbetaling van het loon van de vrouw vindt plaats op 24 maart 2026.

3.De vorderingen

3.1.
De vrouw verzoekt – zakelijk samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de executie van de dwangsommen voortvloeiend uit het vonnis schorst totdat nader onderzoek naar de situatie van het kind heeft plaatsgevonden;
het gelegde loonbeslag op het inkomen van de vrouw met onmiddellijke ingang opheft;
de man verbiedt verdere executiemaatregelen te treffen ter zake van deze dwangsommen, zolang het onderzoek naar seksueel misbruik loopt;
dan wel een zodanige beslissing omtrent het kind neemt als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren
met veroordeling van de man in de kosten.
3.2.
De man voert verweert en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4.De beoordeling

Standpunten van partijen
4.1.
De stellingen van de vrouw komen – kort en zakelijk samengevat – op het volgende neer:
  • Bij het kind worden sinds 2023 onder andere irritaties in de genitale streek waargenomen. In 2025 heeft het kind verteld door de man te zijn aangeraakt in dan wel rondom de genitale streek, zonder dat daar een aanduidbare reden voor zou zijn. Het kind heeft dit kenbaar gemaakt aan de vrouw en de oma (van moederszijde) van het kind.
  • De vrouw heeft gelet hierop op 7 november 2025 de zorgregeling stopgezet en in het kader van haar beschermingsplicht melding gemaakt bij Veilig Thuis, aangifte gedaan bij de politie en het kind laten onderzoeken door de huisarts. De vrouw heeft daarom ook in eerste instantie geen gevolg gegeven aan het vonnis van 19 december 2025.
  • De huisarts heeft naar aanleiding van het onderzoek van het kind op 2 januari 2026 een schriftelijke verklaring afgelegd, waaruit blijkt dat sprake is van een vermoeden van seksueel misbruik. De huisarts heeft ook melding gemaakt bij Veilig Thuis van dit vermoeden. Deze schriftelijke verklaring is de reden dat nu schorsing van de executie van het vonnis wordt gevraagd door de vrouw.
  • De vrouw kon in de eerdere procedure niet haar vermoedens van seksueel misbruik door de man kenbaar maken, omdat haar dat was afgeraden door de politie. Er loopt nu nog een onderzoek door de zedenpolitie. De tenuitvoerlegging van het vonnis moet nu worden geschorst tot dit onderzoek is afgerond.
  • De vrouw is de zorgregeling weer opnieuw nagekomen, omdat zij anders dwangsommen zou verbeuren en dit zou haar in een financiële noodsituatie brengen.
4.2.
De stellingen van de man komen – kort en zakelijk samengevat – op het volgende neer:
  • De beschuldigingen van de vrouw zijn onjuist. De vrouw heeft de man vaker beschuldigd en verhindert de omgang tussen de man en het kind al langere tijd.
  • De man heeft telefonisch contact gehad met de huisarts over de afgelegde verklaring en de melding bij Veilig Thuis en dit per e-mail bevestigd aan de huisarts. De huisarts heeft zijn excuses aangeboden voor het doen van de melding zonder hoor en wederhoor. De huisarts verdenkt de man niet van seksueel misbruik.
  • Veilig Thuis heeft in een e-mail aangegeven dat zij van mening zijn dat de gemelde zorgen van de vrouw onvoldoende feitelijk onderbouwd zijn en dat sprake is van complexe echtscheidingsproblematiek. De zorgregeling zou moeten worden voortgezet.
  • Het is niet logisch dat de vrouw zulke ernstige beschuldigingen uit tegen de man, maar vervolgens de zorgregeling weer hervat. De man wil het kind graag zien en dat geldt andersom ook zo. Als de vrouw dat mag verhinderen heeft dat ernstige gevolgen voor de ontwikkeling van het kind.
  • De man wil liever niet dat dwangsommen worden verbeurd, maar vreest ervoor dat zonder deze prikkel tot nakoming de vrouw de zorgregeling niet meer zal nakomen. Het gaat slechts om een beperkt bedrag dat wordt ingehouden op het loon van de vrouw.
Spoedeisend belang
4.3.
Het spoedeisend belang van de vorderingen vloeit voort uit de aard van de vorderingen en de omstandigheid dat de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis op 24 maart 2026 feitelijk effect zal hebben.
Toetsingskader executiegeschil
4.4.
De voorzieningenrechter gaat er bij het vervolg van uit dat de vrouw, zoals zij tijdens de zitting heeft verklaard, hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 19 december 2025. Uit het Zeester-arrest [1] van de Hoge Raad volgt dat in een executiegeschil zoals hier aan de orde is, de volgende toetsingsmaatstaf geldt:
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
Bij de toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
De vorderingen worden niet toegewezen
4.5.
Het standpunt van de vrouw komt er in feite op neer dat van haar niet gevergd kan worden om de zorgregeling na te komen, omdat zij het vermoeden heeft dat de man de dochter seksueel misbruikt. De aard van dit verwijt is zwaarwegend. Indien voldoende aannemelijk is dat het vermoeden juist is, zal spoedig sprake zijn van een situatie waarin het gerechtvaardigd belang van de vrouw (en van het kind) meebrengt dat (verdere) uitvoering van het vonnis moet worden geschorst. Omdat dezelfde kwestie ook al het voorwerp van geschil was in het kort geding van december en de voorzieningenrechter zijn beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren heeft gemotiveerd, zal wel sprake moeten zijn van feiten en omstandigheden die dateren van na de mondelinge behandeling van dat kort geding.
4.6.
De vrouw meent dat de door haar overgelegde verklaring van de huisarts, die dateert van na de mondelinge behandeling van december 2025, nieuwe informatie betreft waarmee het vermoeden van seksueel misbruik wordt onderbouwd. Verder heeft zij betoogd dat zij in het kort geding in december nog geen openheid van zaken kon geven over de redenen van haar vermoeden, omdat haar dit door de politie om onderzoeksredenen was afgeraden. De voorzieningenrechter heeft geen reden hieraan te twijfelen, maar hij volgt de vrouw niet in haar betoog dat hiermee sprake is van omstandigheden die rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.7.
Uit de in deze procedure overgelegde stukken blijkt geen eenduidig beeld. Er loopt een onderzoek door de politie, maar de uitkomsten hiervan zijn nog niet bekend. Veilig Thuis heeft kenbaar gemaakt twijfels te hebben aan de juistheid van het verhaal van de vrouw en heeft erop gewezen dat het kind ook belang heeft bij voortgang van de zorgregeling. De huisarts wijst ook niet eenduidig naar de man en heeft kenbaar gemaakt onjuist te hebben gehandeld met de melding richting Veilig Thuis. Verder is van belang dat de vrouw de zorgregeling weer heeft hervat, terwijl het vermoeden van seksueel misbruik door de man nog niet is weggenomen.
4.8.
Gelet op het voorgaande ontbreekt het aan voldoende duidelijke aanknopingspunten om te kunnen spreken van nieuwe omstandigheden die rechtvaardigen dat van het vonnis wordt afgeweken. Daarbij moet worden bedacht dat tegenover het vermoeden van de vrouw en het daaruit voortvloeiende belang om de zorgregeling niet na te komen het evengoed zwaarwegende belang staat dat is gemoeid met de voortzetting van de zorgregeling door partijen, zowel voor de man als voor de dochter, in het geval dat het vermoeden niet juist blijkt te zijn. De betrokken instanties benadrukken dit laatste ook. Voor de volledigheid voegt de voorzieningenrechter hier nog aan toe dat niet is gebleken van een aan het vonnis klevende kennelijke feitelijke of juridische misslag.
4.9.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis dus af. Het is niet in geschil tussen partijen dat de vrouw een dwangsom heeft verbeurd. De man mag daarom overgaan tot het nemen van executoriale maatregelen en dit levert geen misbruik van bevoegdheid op. De afwijzing van deze vorderingen brengt mee dat ook de daarop gegronde vordering tot opheffing van het loonbeslag niet toewijsbaar is. De discussie tussen partijen over de vraag hoeveel dwangsommen de vrouw heeft verbeurd, is voor deze beslissing niet van belang.
4.10.
De vordering tot het treffen van een in goede justitie te bepalen voorlopige voorziening in het belang van het kind is te breed en niet door de vrouw toegelicht en wordt daarom ook afgewezen.
Proceskosten
4.11.
Omdat partijen ex-partners zijn worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
4049 / 1980