Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5250

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716708 / KG ZA 26-267
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:167 BWArt. 194 RvArt. 196 RvArt. 197 RvArt. 7 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot rectificatie wegens onrechtmatige publicatie door werkgever over oud-werknemer

Eiseres was tussen mei 2023 en februari 2025 in dienst bij gedaagde. Gedaagde stuurde in februari 2026 een bericht aan klanten waarin zij stelde dat eiseres zonder medeweten betalingen via Tikkie had ontvangen, wat zou leiden tot een politieonderzoek en juridische procedure. Eiseres betwistte deze beschuldigingen en vorderde rectificatie en inzage in de verzonden berichten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bericht feitelijk onjuist en door onvolledigheid misleidend was, omdat eiseres met toestemming betalingen had ontvangen en gedaagde onvoldoende bewijs had geleverd voor haar stelligheid. De publicatie was onrechtmatig en de belangenafweging gaf voorrang aan de bescherming van de goede naam van eiseres boven de vrijheid van meningsuiting van gedaagde.

De rechter bepaalde dat gedaagde binnen drie dagen een rectificatie moest sturen aan dezelfde ontvangers en binnen veertien dagen inzage moest geven in de verzonden berichten aan een door eiseres aan te wijzen deurwaarder. Tevens werd een dwangsom opgelegd bij niet-naleving en werden de proceskosten aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagde tot rectificatie, inzage in verzonden berichten en betaling van proceskosten wegens onrechtmatige publicatie.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716708 / KG ZA 26-267
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. M.H. de Lange,
tegen
[naam]
h.o.d.n. [gedaagde]
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M.R. van Leeuwen.
Partijen worden hierna genoemd [eiser] en [gedaagde] .

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] was in dienst bij [gedaagde] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] toen strafbare feiten gepleegd. [gedaagde] heeft daarom een aantal klanten een bericht gestuurd waarin staat dat zij bewijs aan het verzamelen is van betalingen via Tikkie die [eiser] ten onrechte zou hebben ontvangen van klanten. Dat zou nodig zijn voor een politieonderzoek en een procedure. [eiser] vindt dat dit niet klopt en dat haar reputatie door het bericht wordt geschaad. Zij wil daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een rectificatie te sturen. De voorzieningenrechter wijst deze vordering grotendeels toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 maart 2026 met producties 1 tot en met 12;
- de akte indiening producties van [gedaagde] met producties 1 tot en met 6 ;
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
2.2.
Na de mondelinge behandeling is de zaak ten behoeve van partijen aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben geen regeling bereikt en vervolgens verzocht om vonnis.

3.De feiten

3.1.
[eiser] was tussen 1 mei 2023 en februari 2025 in dienst van [gedaagde] . [eiser] is in juli 2025 een procedure gestart tegen [gedaagde] en heeft onder meer de betaling van (achterstallig) loon gevorderd.
3.2.
[gedaagde] heeft in februari 2026 een bericht (hierna: het bericht) gestuurd aan enkele van haar klanten met de volgende inhoud:

In de periode 2023, 2024 en 2025 is gebleken dat een voormalig medewerkster van [gedaagde] , [eiser] zonder onze medeweten klanten heeft verzocht om betalingen via een Tikkie op haar persoonlijke naam te voldoen onder vermelding dat de pinautomaat niet werkte.
Wij hebben inmiddels aangifte gedaan en er loopt een juridische procedure. Voor het politieonderzoek en de rechtszaak zijn zij bezig met het verzamelen van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat deze Tikkie-verzoeken daadwerkelijk zijn verstuurd en betaald.
Omdat u een vaste klant van ons bent en regelmatig door haar bent behandeld, willen wij u vriendelijk vragen om in uw bankomgeving te controleren of er betalingen (Tikkies) op haar achternaam zijn gedaan. Mocht dit het geval zijn, zouden wij het zeer op prijs stellen als u ons hiervan op de hoogte wilt brengen. Indien mogelijk ontvangen wij graag een screenshot van de betreffende betaling(en). In verband met de deadline van de rechtszaak verzoeken wij u vriendelijk om dit uiterlijk donderdag 19 februari aan ons door te geven. Wij realiseren ons dat dit kort dag is, maar uw hulp zou voor ons van grote waarde zijn.
Alvast hartelijk dank voor uw medewerking en begrip in deze vervelende situatie.”
3.3.
[eiser] heeft bij brief van 11 maart 2026 [gedaagde] gesommeerd om het bericht in te trekken en een rectificatie te versturen met de volgende inhoud:

Op (DATUM) zond ik u een bericht waarin ik onjuiste informatie heb vermeld. [eiser] heeft namelijk op mijn verzoek klanten voor behandelingen en producten via Tikkies laten betalen. Deze betalingen heeft zij vervolgens aan mij doorbetaald. Ik had dit bericht met onjuiste en insinuerende inhoud dan ook niet mogen verzenden. Er is geen sprake geweest van verduistering of enige vorm van onjuist handelen door [eiser] . Ik verzoek u mijn eerdere bericht dan ook als niet verzonden te beschouwen en bied mijn excuses hiervoor aan.”
3.4.
[gedaagde] heeft kenbaar gemaakt niet bereid te zijn om het bericht in te trekken of een rectificatie te versturen.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – kort samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar voor voorraad verklaard vonnis:
[gedaagde] veroordeelt om inzage te verstrekken aan wie en op welke wijze [gedaagde] het bericht heeft toegezonden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
[gedaagde] veroordeelt om een bericht tot rectificatie te versturen aan dezelfde personen en op dezelfde wijze als dat het bericht is verzonden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure.
4.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de werkelijke kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Toetsingskader kort geding
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering en hoe aannemelijk het is dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
5.2.
Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit de aard van de vorderingen. [eiser] heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat het bericht op dit moment al gevolgen voor haar goede naam heeft en dat daarom niet van haar kan worden gevergd een bodemprocedure af te wachten.
Toetsingskader rectificatie
5.3.
De kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door een botsing van twee fundamentele rechten: het recht op vrijheid van meningsuiting (in artikel 7 Grondwet Pro en artikel 10 EVRM Pro) van [gedaagde] tegenover het recht van [eiser] op de bescherming van de goede naam (artikel 8 EVRM Pro).
5.4.
Een bevel tot rectificatie vormt een beperking van het recht op de vrijheid van meningsuiting. Dat recht kan worden beperkt indien de beperking is voorzien bij wet en wanneer dat in een democratische samenleving noodzakelijk is voor de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.
5.5.
De wet voorziet in een beperking in artikel 6:167 BW Pro. Dit artikel bepaalt dat een bevel tot rectificatie kan worden gegeven wanneer sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard door een partij en deze publicatie onrechtmatig is jegens een andere partij. Ook de publicatie van juiste feiten kan onder omstandigheden een onware suggestie wekken die een rectificatiebevel kan rechtvaardigen. Onder publicatie wordt begrepen iedere onjuiste of misleidende mededeling. Deze kan dus ook plaatsvinden per e-mail of via mondelinge uitlatingen.
5.6.
Voor het antwoord op de vraag welk recht — het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van de goede naam — zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de ernst van de beschuldiging, de inbreuk op de goede naam, alsmede de mate waarin de beschuldiging ten tijde van de uitlatingen steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal.
5.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het recht op de bescherming van de goede naam van [eiser] in dit geval zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] . Daarvoor is het volgende redengevend.
Er is sprake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie
5.8.
Het bericht van [gedaagde] bevat de mededeling dat “gebleken” zou zijn dat [eiser] “zonder medeweten” van [gedaagde] betalingen van klanten via Tikkie zou hebben ontvangen. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter feitelijk onjuist of door onvolledigheid misleidend.
5.9.
[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van de ontvangst en behoud van betalingen via Tikkie op instructie of met toestemming van [gedaagde] . Dit blijkt uit diverse WhatsApp-berichten van [gedaagde] waarin die instructie of toestemming werd gegeven. Het blijkt ook uit een e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde] waarin een overzicht werd gegeven van welke betalingen zij had ontvangen en behouden. [gedaagde] betwist bovendien niet dat zij voor meerdere betalingen via Tikkie wel instructie of toestemming zou hebben gegeven, maar stelt dat [eiser] andere betalingen ten onrechte zou hebben ontvangen en behouden. Dit alles staat haaks op hetgeen [gedaagde] in het bericht heeft medegedeeld.
5.10.
[gedaagde] heeft verder vooralsnog onvoldoende aangetoond dat zou zijn “gebleken” dat [eiser] betalingen via Tikkie heeft ontvangen of behouden zonder daartoe instructie of toestemming voor te hebben verkregen. [gedaagde] heeft hiertoe wel enkele producties overgelegd, maar haar toelichting daarbij overtuigt niet. Dat geldt temeer nu [gedaagde] heeft gesteld dat zij met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid kan aantonen waar zij [eiser] van verwijt. Het had voor de hand gelegen dat [gedaagde] dat in deze procedure dan ook had gedaan. Hieruit volgt dat de mededeling (ook) ten tijde van de uitlating onvoldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal en vooralsnog niet voor waar kan worden gehouden.
5.11.
De feitelijke mededelingen in het bericht van [eiser] zijn gelet op het voorgaande onjuist, maar ook door onvolledigheid misleidend. [gedaagde] heeft immers achterwege gelaten te benoemen dat zij ook toestemming en instructie heeft gegeven voor de ontvangst van betalingen via Tikkie. Daardoor wordt de suggestie gewekt dat iedere betaling aan [eiser] via Tikkie ten onrechte, althans buiten het zicht van [gedaagde] zou zijn gedaan. Deze onvolledige mededeling is misleidend, omdat ontvangers van het bericht door deze onvolledigheid op het verkeerde been worden gezet, terwijl dat niet het geval zou zijn geweest indien de mededeling niet onvolledig was geweest.
5.12.
Het bericht bevat ook de mededeling: “
Wij hebben inmiddels aangifte gedaan en er loopt een juridische procedure. Voor het politieonderzoek en de rechtszaak zijn zij bezig met het verzamelen van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat deze Tikkie-verzoeken daadwerkelijk zijn verstuurd en betaald.”. Door de context en formulering van de bewoordingen “
rechtszaak” en “
zijn zij bezig”, wekt dit de suggestie dat sprake is van (straf)rechtszaak, waarvoor de politie bewijsmateriaal zou verzamelen met behulp van [gedaagde] . Hoewel [gedaagde] stelt aangifte te hebben gedaan van een strafbaar feit, heeft zij in deze procedure geen aangifte overgelegd. Het is verder niet bekend of de politie momenteel onderzoek verricht en in dat kader bewijsmateriaal zou verzamelen. Daarmee staat de juistheid van deze mededelingen niet vast. Zelfs indien een aantal van de door [gedaagde] medegedeelde feiten wel juist zouden zijn, geldt dat de context en formulering waarin de uitlating is gedaan, de suggestie wekken dat sprake is van een lopend politieonderzoek en daaraan gekoppelde procedure waarbij [eiser] als verdachte zou zijn betrokken. Daar is vooralsnog niet van gebleken.
5.13.
Gelet op het voorgaande is de conclusie dat sprake is van publicatie van gegevens die feitelijk onjuist of door onvolledigheid misleidend zijn.
De mededelingen zijn onrechtmatig
5.14.
De mededelingen kunnen niet anders worden opgevat dan als een concrete, feitelijke beschuldiging die inhoudt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en dat de politie is overgegaan tot onderzoek en vervolging met een procedure. Daarbij wordt de indruk gewekt dat het hiervoor benodigde bewijs al (in enige mate) aanwezig zou zijn, maar dat naar meer bewijs wordt gezocht. De beschuldigingen door [gedaagde] aan het adres van [eiser] zijn ernstig. [gedaagde] heeft dit ook onderkend tijdens de mondelinge behandeling. Een dergelijke beschuldiging tast gelet op de ernst en inhoud daarvan de goede naam van [eiser] aan, terwijl niet is gebleken dat op het moment dat de beschuldiging werd gedaan, zeker gelet op de stelligheid daarvan, deze voldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal. Daarom is de publicatie onrechtmatig jegens [eiser] .
Belangenafweging leidt niet tot een ander resultaat
5.15.
Het belang van [gedaagde] bij het vergaren van bewijs voor haar stellingen gaat niet zo ver dat zij daarbij op de hiervoor genoemde wijze de goede naam van [eiser] mag aantasten. Wanneer de feitelijk onjuiste of door onvolledigheid misleidende mededelingen achterwege waren gelaten, had dit niet afgedaan aan de mogelijkheid van [gedaagde] om het door haar gewenste bewijs te verkrijgen van haar klanten. De belangen van [eiser] bij bescherming van haar goede naam prevaleren daarom.
Inhoud rectificatie en toewijzing vordering
5.16.
De rechter is vrij bij toewijzing de wijze van rectificatie te bepalen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiser] voorgestelde tekst gelet op de thans nog lopende bodemprocedure over loonbetalingen, waarin de betalingen via Tikkie ook nog onderwerp van discussie zijn, te stellig is geformuleerd.
5.17.
De voorzieningenrechter zal de vordering toewijzen op de wijze als vermeld in de beslissing en ziet aanleiding om een dwangsom te verbinden aan deze veroordeling.
Vordering tot inzage klantenbestand
5.18.
[eiser] heeft gevorderd dat een deurwaarder inzage moet krijgen in het klantenbestand van [gedaagde] . De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiser] vordert dat een nader aan te wijzen deurwaarder inzage moet krijgen in zowel het door [gedaagde] verzonden bericht, als in de door [gedaagde] te verzenden rectificatie.
5.19.
Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv Pro). Indien degene die beschikt over de bepaalde gegevens medewerking weigert, kan een rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bevelen (artikel 196 Rv Pro). In spoedeisende gevallen kan het verzoek ook worden gedaan aan de voorzieningenrechter (artikel 197 Rv Pro). Het uitgangspunt van de wetgever daarbij is dat de onder het oude recht bestaande mogelijkheid tot het voeren van een kort geding procedure om inzage te vragen blijft bestaan. Inzage kan daarom ook gevorderd worden in een dagvaardingsprocedure in kort geding. De rechter wijst een verzoek tot inzage toe, tenzij hij van oordeel is dat:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
5.20.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de door [eiser] gevorderde inzage. Dat sprake is van een momenteel tussen partijen lopende bodemprocedure over de gevorderde rectificatie is niet gebleken. De voorzieningenrechter zal daarom de vordering tot inzage in lijn met het bepaalde in artikel 196 Rv Pro behandelen.
5.21.
[eiser] is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen partij bij een rechtsbetrekking en [gedaagde] beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking. De vordering heeft betrekking op voldoende bepaalde bescheiden, te weten het bestand van de ontvangers van twee berichten. [eiser] heeft belang bij inzage, namelijk om te kunnen vaststellen dat de rectificatie daadwerkelijk is verzonden aan alle klanten die ook het oorspronkelijke bericht hebben ontvangen. Van enige toepasselijke afwijzingsgrond is verder niet gebleken. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering tot inzage toewijzen, met bepaling dat [gedaagde] enkel inzage hoeft te geven aan een door [eiser] aan te wijzen deurwaarder.
5.22.
De voorzieningenrechter zal aan deze veroordeling dezelfde dwangsom verbinden als hiervoor genoemd.
Proceskosten
5.23.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Hieruit volgt al dat geen grond bestaat om [eiser] in de werkelijke proceskosten van [gedaagde] te veroordelen, zoals [gedaagde] heeft bepleit. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
156,74
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.615,74

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
gebiedt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis op dezelfde wijze en aan dezelfde personen als het bericht zoals bedoeld in 3.2 het navolgende bericht te verzenden:

Geachte lezer,
Ik stuurde u in februari 2026 een bericht waarin ik u heb gevraagd om informatie over betalingen voor behandelingen in de beauty salon die per Tikkie zijn gedaan. In een vonnis van 21 april 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam mij bevolen om een rectificatie te sturen, omdat ik voorbarige conclusies heb getrokken over de mogelijke betrokkenheid van [eiser] . Ik heb ook ten onrechte niet vermeld dat ik [eiser] eerder meermaals instructie en toestemming heb gegeven om betalingen van klanten via Tikkie te ontvangen. Het staat ook nog niet vast dat [eiser] zonder instructie of toestemming zulke betalingen heeft ontvangen. Hierover loopt een procedure bij de kantonrechter. Ik heb tot slot ten onrechte de suggestie gewekt dat sprake is van een politieonderzoek waarin om bewijs wordt gevraagd voor een procedure.
[naam]
[gedaagde]
6.2.
gebiedt [gedaagde] om uiterlijk veertien dagen na betekening van dit vonnis inzage te verschaffen aan [eiser] van de geadresseerden van het bericht zoals bedoeld in 3.2 en van het bericht zoals bedoeld in 6.1 met bepaling dat [gedaagde] enkel inzage hoeft te verschaffen aan een door [eiser] aan te wijzen deurwaarder,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 en/of 6.2 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.615,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026. [4049 / 1980]