ECLI:NL:RBROT:2026:5253

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
ROT 26/2545
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1.2.1 Wmo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek maatwerkvoorziening begeleiding op grond van de Wmo 2015

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget voor begeleiding door een GGZ-instelling vanwege onverwerkte trauma's en psychische klachten. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze aanvraag afgewezen omdat er sprake is van een voorliggende voorziening, namelijk psychologische behandeling via huisarts of psycholoog.

Verzoekster heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd bij de rechtbank Rotterdam. Tijdens de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij baat heeft bij gesprekken met een hulpverlener, maar dat deze begeleiding niet gericht is op het bevorderen van haar zelfredzaamheid en participatie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat hoewel verzoekster baat heeft bij de gesprekken, dit niet voldoet aan de criteria van de Wmo 2015, die vereist dat begeleiding gericht moet zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie. Verzoekster is zelfstandig in huishoudelijke taken en maatschappelijke participatie.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Dit oordeel is voorlopig en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een maatwerkvoorziening begeleiding wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de Wmo-criteria.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2545

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. A. Wintjes).

Samenvatting

Verzoekster wil een maatwerkvoorziening voor begeleiding door [naam GGZ-instelling] . De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster veel baat heeft met de gesprekken die zij nu al voert met een hulpverlener van Lì Lián, maar dat betekent niet dat zij recht heeft op een vergoeding vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Niet is gebleken dat sprake is van begeleiding die is gericht op het bevorderen van verzoeksters zelfredzaamheid en participatie. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor behandeling en begeleiding door [naam GGZ-instelling] bij het verwerken van haar trauma's en bij het dagelijks leven. [1] Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [persoon A] (van [naam GGZ-instelling] ) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster heeft last van stress, piekeren, angst en slaapproblemen. Zij heeft te maken met onverwerkte trauma’s, waaronder het verlies van haar ouders en haar toenmalige partner. Ze heeft verschillende medicijnen van de huisarts geprobeerd, maar daar is ze mee gestopt omdat ze onvoldoende hielpen. Van 2023 tot september 2025 is zij onder behandeling geweest van de praktijkondersteuner huisarts (poh), maar dit bood onvoldoende steun. Ze heeft een verwijzing gekregen naar de Parnassia Groep, maar daar bleek een wachtlijst van twee jaar te zijn. Vervolgens heeft verzoekster rond oktober 2025 een verwijzing gekregen naar een GGZ-psycholoog, maar die kosten werden niet vergoed door haar zorgverzekeraar.
4. Verzoekster heeft op 2 december 2025 een aanvraag ingediend voor behandeling en begeleiding door pgb-aanbieder [naam GGZ-instelling] .
Waar gaat het in deze zaak om?
5. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens het college dient verzoekster psychologische behandeling in te schakelen, omdat haar belemmeringen anders blijven bestaan. Een behandeling via een praktijkondersteuner huisarts-ggz of psycholoog zijn voorliggende voorzieningen, ondanks eventuele wachtlijsten. Verzoekster wordt daarom geadviseerd om via haar huisarts opnieuw een verwijzing te vragen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat er aan haar een maatwerkvoorziening wordt toegekend voor begeleiding door [naam GGZ-instelling] .
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Gelet op de actuele gezondheidssituatie van verzoekster, zoals deze door haar is toegelicht, neemt de voorzieningenrechter dat spoedeisend belang aan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
8. Verzoekster heeft tijdens de zitting verklaard dat zij begeleiding (geen behandeling) wenst door [naam GGZ-instelling] . Zij heeft inmiddels twee gesprekken gevoerd met een hulpverlener van [naam GGZ-instelling] en volgens verzoekster helpen deze gesprekken haar om over haar problemen te praten.
9. Om voor een maatwerkvoorziening (voor [naam GGZ-instelling] ) in aanmerking te komen, moet de begeleiding gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie (deelnemen aan het maatschappelijk verkeer). [2] Uit het ondersteuningsverslag van 24 januari 2026 blijkt dat verzoekster zelfstandig is ten aanzien van het uitvoeren van huishoudelijke taken, het bereiden van maaltijden, het doen van boodschappen en persoonlijke verzorging. Zij heeft geen schulden, verzorgt zelf de post, administratie en financiën en werkt als vrijwilligster in een speeltuin. Zij heeft geen hulpvraag op deze gebieden, maar kampt met stress, piekeren, angst-, slaap- en geheugenproblemen in verband met onverwerkte trauma’s. Tijdens de zitting heeft verzoekster desgevraagd verklaard dat als zij geen begeleiding krijgt, zij gaat zitten piekeren en dat haar huishouden er dan op achteruit gaat. Dit betekent echter niet dat zij deze begeleiding nodig heeft voor het verbeteren van haar zelfredzaamheid of haar participatie. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster veel baat heeft bij de gesprekken met de hulpverlener van [naam GGZ-instelling] , maar dat betekent niet dat zij dan ook recht heeft op een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo. Dat komt dus omdat er niet wordt gewerkt aan de doelen uit de Wmo (zelfredzaamheid en participatie).

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken voor begeleiding door [naam GGZ-instelling] . Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is een voorziening op grond van de Wmo.
2.Artikel 1.2.1, aanhef en onder a, van de Wmo.