Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 8 maart 2024 (gecorrigeerd met een besluit van 13 maart 2024) op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
Gronden eiser
Aan ouder medegedeeld dat hij op 8 juli wordt uitbetaald en dat hij mij kan bellen als het niet binnen is.” De persoonlijk zaakbehandelaar van eiser heeft in zijn e-mail aan eiser van 23 juli 2021 bovendien bevestigd dat er meerdere toezeggingen zijn gedaan:
“Ondanks diverse toezeggingen is aan u de 30K Catshuisregeling nog niet uitbetaald.”De rechtbank is echter van oordeel dat eiser in de gegeven omstandigheden uit deze uitlatingen niet redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Dienst Toeslagen daadwerkelijk tot betaling zou overgaan. Daarbij acht de rechtbank relevant dat er ten tijde van de toezeggingen al een besluit was genomen op basis van de lichte toets. Daaruit volgde dat eiser vooralsnog geen recht had op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- en dat de integrale beoordeling nog niet was afgerond. De mededelingen over de datum van uitbetaling stonden haaks op dat besluit. Eiser mocht er niet zonder meer op vertrouwen dat – in weerwil van het besluit op basis van de lichte toets en in afwachting van de integrale beoordeling – toch een uitbetaling zou plaatsvinden. Daarbij is relevant dat de mededelingen werden gedaan door medewerkers van het Serviceteam, die niet over de inhoudelijke beoordeling gingen. Voor zover persoonlijk zaakbehandelaar [persoon A] tegen eiser heeft gezegd dat eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel kon doen, kon eiser daar niet gerechtvaardigd het vertrouwen aan ontlenen dat dat beroep ook zou slagen. Ten aanzien van het gesprek met staatssecretaris [persoon B] waar eiser over heeft verklaard, heeft eiser tijdens de zitting toegelicht dat dit gesprek vooral bedoeld was om hem een hart onder de riem te steken. Dat [persoon B] ook concrete toezeggingen heeft gedaan, heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.