Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5294

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716859 / KG ZA 26-277
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:75 BWArt. 25 lid 1 Brussel I-bis Verordening (nr. 2015/2012)Art. 4 lid 1 Brussel I-bis VerordeningArt. 7 lid 1 Brussel I-bis VerordeningArt. 30 Brussel I-bis Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot levering Hernieuwbare Brandstofeenheden wegens sancties en overmacht

Lukoil NL heeft met Cargill overeenkomsten gesloten voor de levering van Hernieuwbare Brandstofeenheden (HBE's) om te voldoen aan haar wettelijke CO₂-compensatieverplichtingen. Na het opleggen van sancties door het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten aan de moedermaatschappij van Lukoil NL, heeft Cargill de levering van HBE's opgeschort en later beëindigd wegens onmogelijkheid van nakoming.

Lukoil NL vordert nakoming van de overeenkomsten, maar de rechtbank oordeelt dat de VK- en VS-sancties extraterritoriale werking hebben en van toepassing zijn op de transacties, mede door een 'UK- en US-nexus' via de structuur en activiteiten van Cargill. De sanctievrijstellingen die Lukoil NL aanvoert, zijn onvoldoende om de leveringen toe te staan.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor de vordering die betrekking heeft op een overeenkomst zonder forumkeuze en wijst de overige vorderingen af wegens overmacht. De belangenafweging weegt zwaar in het voordeel van Cargill vanwege het risico op sanctiemaatregelen. Lukoil NL wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen tot levering HBE's afgewezen wegens sancties en overmacht; rechtbank verklaart zich onbevoegd voor deel vordering.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716859 / KG ZA 26-277
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van
LUKOIL NETHERLANDS B.V.,
gevestigd in Maastricht,
eiseres,
hierna te noemen: Lukoil NL,
advocaten: mr. S. Nagy en mr. D.L. van Besouw te Amsterdam,
tegen
CARGILL N.V.,
gevestigd in Mechelen (België),
gedaagde,
hierna te noemen: Cargill,
advocaten: mr. M.P.L. Schaink en mr. S.I. Paoletta.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 maart 2026;
- de 41 producties van Lukoil NL, waaronder gecorrigeerde producties 16 en 17;
- de incidentele conclusie ten aanzien van bevoegdheid van Cargill;
- de 22 producties van Cargill;
- de mondelinge behandeling op 3 april 2026;
- de pleitnota van Lukoil NL;
- de pleitnota van Cargill.

2.De feiten

2.1.
Lukoil NL exploiteert tankstations in Nederland en verhandelt daarnaast brandstoffen, olieproducten en smeermiddelen. Zij richt zich zowel op particulieren als op professionele klanten.
2.2.
De aandelen in Lukoil NL worden indirect gehouden door de Russische oliemaatschappij PJSC Lukoil via de Oostenrijkse vennootschap Lukoil International GmbH (hierna: Lukoil International) en de Belgische vennootschap Lukoil Belgium N.V. (hierna: Lukoil Belgium).
2.3.
Cargill houdt zich bezig met de productie van en handel in biobrandstoffen.
2.4.
Lukoil NL is wettelijk verplicht de aan haar toe te rekenen CO₂-uitstoot te compenseren met CO₂-reductie. In dat kader rust op haar op grond van de Wet Milieubeheer een jaarverplichting om een bepaald aandeel hernieuwbare energie in het vervoer te realiseren (hierna: de Jaarverplichting). Dat realiseert zij door het aankopen van Hernieuwbare Brandstofeenheden (hierna: HBE’s). Er zijn verschillende typen HBE’s. Eén HBE staat voor één gigajoule (GJ) hernieuwbare energie. Op 1 mei 2026 moet Lukoil NL het aantal HBE’s dat uit haar Jaarverplichting voor 2025 volgt op haar rekening in het Register Energie voor Vervoer (hierna: het Register) hebben staan. De Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: de NEa) houdt toezicht op de nakoming van de Jaarverplichting.
2.5.
Om aan haar Jaarverplichting te voldoen, heeft Lukoil NL in 2025 meerdere overeenkomsten met Cargill gesloten voor de aankoop van HBE’s:
  • de HBE Overeenkomst 1 van 4 april 2025 voor 350.000 HBE’s van verschillende types;
  • de HBE Overeenkomst 2 van 30 juli 2025 voor 200.000 HBE’s type A;
  • de HBE Overeenkomst 3 van 26 september 2025 voor 350.000 HBE’s type G.
2.6.
Op 15 oktober 2025 heeft het Verenigd Koninkrijk PJSC Lukoil en haar dochtermaatschappijen aangewezen als ‘designated person’ zoals bedoeld in de Sanctions and Anti-Money Laundering Act 2018 (hierna: de SAMLA) en de Russia Regulations 2019 en op grond daarvan sancties (hierna: de VK-sancties) opgelegd.
Op 22 oktober 2025 hebben de Verenigde Staten op grond van de Russian Harmful Foreign Activities Sanctions Regulations 31 CFR part 587 en Executive Order 14024 (hierna: E.O. 14024) sancties (hierna: de VS-sancties) opgelegd aan PJSC Lukoil en haar dochtermaatschappijen.
Zowel de VK- als de VS-sancties omvatten onder meer bevriezing van tegoeden, beperkingen op financiële diensten, transport- en trustdienstenverboden en overige handelsbeperkingen.
2.7.
In verband met de sancties die op PJSC Lukoil zijn opgelegd, is PJSC Lukoil begonnen met de voorbereiding van de verkoop van Lukoil International en diens dochtermaatschappijen. In januari 2026 heeft PJSC Lukoil aangekondigd dat zij in dat kader in vergaande onderhandeling is met de Amerikaanse Carlyle-groep.
2.8.
De Office of Financial Sanctions Implementation (hierna: de OFSI), de toezichthouder op economische sancties in het Verenigd Koninkrijk, heeft twee sanctievrijstellingen verstrekt aan Lukoil International en haar dochtermaatschappijen:
  • GENERAL LICENCE – Russian Oil Majors Wind Down, die gold voor de periode van 15 oktober t/m 28 november 2025;
  • GENERAL LICENCE – Continuation of Business of Lukoil International Entities, die aanvankelijk gold van 27 november 2025 tot 26 februari 2026 en daarna is verlengd tot 25 augustus 2026.
2.9.
De Office of Foreign Assets Control (hierna: de OFAC), de toezichthouder op economische sancties in de Verenigde Staten, heeft aan Lukoil International en diens dochtermaatschappijen meerdere sanctievrijstellingen verstrekt:
  • GENERAL LICENCE – Authorizing Certain Transactions Involving Lukoil Retail Service Stations Located Outside of Russia, die is ingegaan op 22 oktober 2025 (Licence no. 128), op 14 november 2025 is verlengd (Licence no. 128A) en op 4 december 2025 is verlengd t/m 29 april 2026 (Licence no. 128B);
  • GENERAL LICENCE – Authorizing Certain Transactions for the Negotiation of and Entry Into Contingent Contracts for the Sale of Lukoil International GmbH and Related Maintenance Activities, die is ingegaan op 14 november 2025 (Licence no. 131) en daarna meerdere malen is verlengd, voor het laatst op 30 maart 2026 t/m 1 mei 2026 (Licence no. 131D).
2.10.
Op 27 oktober 2025 heeft Cargill aan Lukoil NL meegedeeld dat zij haar contractuele verplichtingen opschort in verband met de opgelegde VK- en VS-sancties.
2.11.
Lukoil NL heeft bezwaar gemaakt tegen de opschorting en daartoe aangevoerd dat de sancties niet van toepassing zijn op de HBE-overeenkomsten en dat zij bovendien beschikt over sanctievrijstellingen (‘General Licenses’) van de OFSI en de OFAC.
2.12.
Partijen hebben over en weer correspondentie gevoerd, maar zijn niet tot een overeenstemming gekomen.
2.13.
Bij e-mail van 3 maart 2026 heeft Cargill ten aanzien van de HBE Overeenkomsten het volgende aan Lukoil NL meegedeeld:
“We hereby notify you that performance of our obligations under this Contract remains impossible, within the meaning of applicable Dutch law, due to the following circumstances:
(i) your company continues to be owned by an entity that is subject to sanctions imposed by multiple jurisdictions;
(ii) the execution of this specific HBE tickets Contract is not authorized under any current US general licenses; and
(iii) any change in ownership that would remove the sanctions impediment is reasonably unlikely to be approved and to be fully effective by 31 March 2026.
Accordingly, we hereby notify you of our intention to terminate this Contract due to impossible performance.”

3.Het geschil

3.1.
Lukoil NL vordert – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
i. Cargill te veroordelen tot levering van:
1. HBE’s type G tegen een totale prijs van € 6.231.750,00;
2. 100.000 HBE’s type IXb 2025 tegen de prijs van € 9,6 per GJ;
3. 50.000 HBE’s type A 2025 tegen de prijs van € 11,55 per GJ;
4. 200.000 HBE’s type A of type O 2025 tegen de prijs van € 11,55 per GJ; en
5. 200.000 HBE’s type A tegen een prijs van € 13,96 per GJ;
welke leveringen dienen plaats te vinden binnen 48 uur na de uitspraak van het te wijzen vonnis, middels overschrijving op de rekening van Lukoil NL in het Register van de NEa, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere
dag dat Cargill in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 16.672.500,00;
ii. Cargill te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
iii. iedere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend of noodzakelijk acht.
3.2.
Het verweer van Cargill strekt ertoe dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het geschil dan wel de vorderingen afwijst.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Cargill is gevestigd in België. Dat maakt dat het geschil een internationaal karakter heeft.
4.2.
Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat zij in HBE Overeenkomsten 1 en 2 een forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam zijn overeengekomen. Daarmee is de voorzieningenrechter te Rotterdam op grond van artikel 25 lid 1 Brussel Pro I-bis Verordening (nr. 2015/2012) bevoegd om kennis te nemen van het geschil ten aanzien van deze overeenkomsten.
4.3.
HBE Overeenkomst 3 kent geen forumkeuzebeding. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I-bis Verordening heeft de Belgische rechter rechtsmacht, aangezien Cargill is gevestigd in België. Daarnaast geeft artikel 7 lid 1 een Pro bijzondere bevoegdheid aan de Nederlandse rechter in Den Haag, nu de gevorderde verbintenis uit hoofde van Overeenkomst 3 (de levering van HBE-rechten aan de NEa) moet worden uitgevoerd in Den Haag, de vestigingsplaats van de NEa. De voorzieningenrechter te Rotterdam kan daar dus geen bevoegdheid aan ontlenen.
4.4.
Het argument van Lukoil NL dat er in België geen reële remedie is die rechtdoet aan de belangen van Lukoil NL, kan haar niet baten. Voor zover die stelling al zou kloppen, miskent Lukoil NL daarmee dat zij zich kan wenden tot de rechter in Den Haag.
4.5.
Het standpunt van Lukoil NL dat, met verwijzing naar artikel 30 Brussel Pro I-bis Verordening, de voorzieningenrechter te Rotterdam bevoegdheid kan aannemen vanwege de sterke samenhang tussen de vorderingen, wordt eveneens verworpen. Dat artikel creëert geen (alternatieve) bevoegdheid in geval van samenhangende vorderingen.
4.6.
Dat betekent dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van vordering i. onder 1. (die haar grondslag vindt in HBE Overeenkomst 3).
Juridisch kader kort geding
4.7.
Bij de beoordeling van een eis in kort geding is van belang of de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten, en hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagde als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
4.8.
Lukoil NL heeft gesteld dat de niet-nakoming van de HBE Overeenkomsten 1 en 2 (hierna: de HBE Overeenkomsten) door Cargill ertoe leidt dat Lukoil NL niet tijdig (vóór 1 mei 2026) kan voldoen aan haar Jaarverplichting voor 2025 waardoor zij mogelijk geconfronteerd wordt met bestuursrechtelijke handhaving door de NEa. Daarmee is het spoedeisend belang van Lukoil NL bij haar vorderingen voldoende gegeven.
Inhoudelijke beoordeling
4.9.
Uit de HBE Overeenkomsten volgt dat Cargill verplicht is tot levering van HBE’s aan Lukoil NL. De vorderingen strekken tot nakoming door Cargill van deze verplichtingen en zijn daarom in beginsel toewijsbaar. Dat is anders als Cargill de nakoming van de leveringsverplichtingen heeft mogen opschorten, de HBE Overeenkomsten rechtsgeldig heeft beëindigd of sprake is van overmacht waardoor Cargill niet kan nakomen. In verband hiermee stelt Cargill dat zij met het leveren van de overeengekomen HBE’s in strijd zou handelen met de VK- en VS-sancties en risico loopt op sanctiemaatregelen.
4.10.
Beoordeeld moet dus worden of aannemelijk is dat (de bodemrechter zal oordelen dat) de VK- en VS-sancties de nakoming van de leveringsverplichting door Cargill in de weg staan. Indien dat zo is, is aannemelijk dat Cargill is geconfronteerd met een overmachtssituatie in de zin van artikel 6:75 BW Pro. Duidelijk is immers dat de afkondiging van de sancties in oktober 2025 voor beide partijen ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten niet voorzien was en kennelijk verband hield met geopolitieke ontwikkelingen. In die situatie kan een vordering tot nakoming door Cargill niet worden toegewezen.
4.11.
De voorzieningenrechter begrijpt dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de VK- en VS-sancties die op PJSC Lukoil zijn gelegd, ook gelden voor Lukoil NL omdat zij een (klein)dochtervennootschap is van PJSC Lukoil.
4.12.
Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of de sancties van toepassing zijn op de transacties uit hoofde van de HBE Overeenkomsten en, als dat het geval is, of de transacties toch toegestaan zijn in verband met de aan Lukoil NL gegeven sanctievrijstellingen.
Zijn de VK- en VS-sancties op de transacties van toepassing?
4.13.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de VK- en VS-sancties extraterritoriale werking hebben.
4.14.
Voor wat betreft de VK-sancties blijkt dat uit artikel 21 SAMLA Pro, waarin staat:
Extra-territorial application
(1) Prohibitions or requirements may be imposed by or under regulations under section 1 in relation to –
(a) conduct in the United Kingdom or in the territorial sea by any person;
(b) conduct elsewhere, but only if the conduct is by a United Kingdom person.
(2) In subsection (1) “United Kingdom person” means –
(a) a United Kingdom national, or
(b) a body incorporated or constituted under the law of any part of the United Kingdom.
(3) For this purpose a United Kingdom national is an individual who is –
(a) a British citizen, a British overseas territories citizen, a British National (Overseas) or a British Overseas citizen,
(…)”
Daaruit volgt dat de VK-sancties van toepassing zijn op handelingen die worden verricht in het gebied van het Verenigd Koninkrijk of handelingen buiten het Verenigd Koninkrijk door een ‘UK person’.
4.15.
Daarnaast geldt dat een handeling buiten het Verenigd Koninkrijk door een ‘non-UK person’ een overtreding van de VK-sancties kan betekenen als die handeling enig verband houdt met het Verenigd Koninkrijk, de zogenaamde ‘UK-nexus’. Verwezen wordt naar de ‘Financial Sanctions Enforcement and Monetary Penalties Guidance’ van 9 februari 2026 van de OFSI, waarin de OFSI het bestaan van een UK-nexus toelicht. Daarin staat:
5.3. UK Nexus
A breach does not have to occur within UK borders for OFSI’s authority to be engaged. There simply has to be a connection to the UK, which we call a UK nexus.
Financial sanctions apply to all persons within the territory and territorial sea of the UK and to all UK persons, wherever they are in the world. Individuals and legal entities who are within or undertake activities within the UK’s territory must comply with financial sanctions that are in force. All UK nationals and legal entities established under UK law, including their branches must also comply with UK financial sanctions that are in force, irrespective of where their activities take place.
A UK nexus might be created by such things as a UK company working overseas, transactions using clearing services in the UK, actions by a local subsidiary of a UK company (depending on the governance), action taking place overseas but directed from within the UK, or financial products or insurance bought on UK markets but held or used overseas. These examples are not exhaustive or definitive and will depend on the facts in the case.”
4.16.
Voor wat betreft de VS-sancties staat in de E.O. 14024 ten aanzien van gesanctioneerde personen onder meer:
“Section 1. All property and interests in property that are in the United States, that hereafter come within the United States, or that are or hereafter come within the possession or control of any United States person of the following persons are blocked and may not be transferred, paid, exported, withdrawn, or otherwise dealt in:
(…)
Sec. 2. The prohibitions in section 1 of this order include: (a) the making of any contribution or provision of funds, goods, or services by, to, or for the benefit of any person whose property and interests in property are blocked pursuant to this order; and (b) the receipt of any contribution or provision of funds, goods, or services from any such person.”
De E.O. 14024 verbiedt derhalve het verstrekken of ontvangen van “
funds, goods, or services” aan, van of ten behoeve van gesanctioneerde personen.
4.17.
Een toelichting van de OFAC van 6 maart 2024 op de toepassing van de VS-sancties op ‘non-US persons’ (productie C-11) bepaalt onder meer het volgende:
“Non-U.S. persons are also subject to certain OFAC prohibitions. For example, non-U.S. persons are prohibited from causing or conspiring to cause U.S. persons to wittingly or unwittingly violate U.S. sanctions, as well as engaging in conduct that evades U.S. sanctions.”
4.18.
Lukoil NL stelt dat de sancties niet van toepassing zijn op de HBE Overeenkomsten, omdat beide partijen Europese rechtspersonen zijn en de beoogde transacties niet in de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd. HBE’s zijn Nederlandse producten die binnen het gesloten systeem van de NEa geleverd worden en niet buiten Nederland verhandelbaar zijn, aldus Lukoil NL.
4.19.
De voorzieningenrechter verwerpt deze redenering. De door Lukoil NL gestelde omstandigheden nemen niet weg dat het bestaan van een ‘US- of UK-nexus’ voldoende kan zijn om een inbreuk op de sanctieregels aan te nemen. Cargill heeft op dat punt gemotiveerd aangevoerd dat de transacties een band hebben met zowel het Verenigd Koninkrijk als de Verenigde Staten. Zij heeft daartoe onweersproken gesteld dat de aandelen in Cargill (uiteindelijk) worden gehouden door moedermaatschappij Cargill Incorporated die in de Verenigde Staten is gevestigd, en dat het ‘executive team’ primair opereert vanuit de Verenigde Staten. De handelaar die direct betrokken is bij de HBE Overeenkomsten heeft de Britse nationaliteit. De Bank of America is de door Cargill aangewezen cash management bank voor alle transacties in euro’s, waarbij zij in lijn met het wereldwijde treasurybeleid gestandaardiseerde betalingsverwerking, rekeningrapportage en liquiditeitsbeheer voor transacties in euro’s verzorgt. De Britse groepsmaatschappij Cargill Global Funding PLC beheert de bankrekeningen van Cargill en verzorgt betalingen en ontvangt geld namens Cargill. Ook heeft Cargill verwezen naar voorbeelden uit de praktijk (producties C-12 t/m C-15) waarin OFSI en OFAC sanctiemaatregelen hebben genomen in situaties waarin een ‘US- of een UK-nexus’ een rol speelde. Uit die zaken en ook uit de toelichting van de OFSI op het bestaan van een ‘UK-nexus’ (zie 4.15.) valt af te leiden dat een band al snel wordt aangenomen.
4.20.
Cargill heeft al met al voldoende aannemelijk gemaakt dat de VK- en VS-sancties op de transacties van toepassing zijn. Het andersluidende standpunt van Lukoil NL wordt verworpen.
Zijn de transacties toch toegestaan op grond van sanctievrijstellingen?
4.21.
Lukoil NL doet een beroep op de door OFAC en OFSI aan haar gegeven sanctievrijstellingen.
4.22.
De afgegeven OFAC-vrijstellingen nr. 128 en 131 (zie 2.9.) hebben als doel dat Lukoil International en haar dochtermaatschappijen hun retail-activiteiten kunnen voortzetten.
Vrijstelling 128 beoogt in het bijzonder de effecten van de VS-sancties op Europese consumenten te beperken. In OFAC-vrijstelling nr. 128 is bepaald dat “
all transactions prohibited by Executive Order (E.O.) 14024 (…) involving Lukoil International GmbH (LIG) or any entity in which LIG owns, directly or indirectly, (…) that are ordinarily incident and necessary to the purchase of goods and services from, or the maintenance, operation, or wind down of, physical retail service stations located outside of the Russian Federation, are authorized”.
De OFAC-vrijstelling nr. 131 is ingegeven door de voorgenomen verkoop van Lukoil International aan een derde (niet-Russische) partij. In dat kader is essentieel dat Lukoil NL operationeel blijft. In deze vrijstelling is bepaald dat “
all transactions prohibited
by E.O. 14024 that are ordinarily incident and necessary to the maintenance or wind down of operations, contracts, or other agreements of LIG Entities are authorized”.
4.23.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de verkoop van HBE’s kan worden geschaard onder de vrijgestelde transacties voor onderhoud, exploitatie of afwikkeling van fysieke tankstations buiten Rusland. Het gaat immers niet om transacties die nodig zijn voor de dagelijkse bedrijfsvoering met betrekking tot die tankstations, maar om een publiekrechtelijke verplichting om bepaalde hoeveelheden HBE’s tijdig geregistreerd te hebben. Niet zonder meer aannemelijk is dat het achterwege blijven van die registratie van invloed is op, kort gezegd, de levering van brandstof aan consumenten in Nederland of het onderhoud of de afwikkeling van de activiteiten van Lukoil NL. Lukoil NL heeft nog verwezen naar een door de OFAC uitgegeven standaard nr. 1225 (productie L-35), waarin de OFAC de vrijstellingen verduidelijkt. Uit de daarin concreet gegeven voorbeelden van situaties waarvoor de vrijstellingen gelden, valt ook niet zonder meer af te leiden dat de levering van HBE’s daaronder vallen.
4.24.
Ook de OFSI-vrijstelling (zie 2.8.) heeft het doel de voortzetting van de operationele activiteiten van Lukoil International en haar dochtermaatschappijen mogelijk te maken. In de ‘General Licence – Continuation of Business of Lukoil International Entities’ staat onder meer:
“4. Under this licence, subject to the conditions below:
4.1.
A Person may continue business operations involving Lukoil International and a Lukoil International Subsidiary including, but not limited to:
4.1.1.
Payments to or from Lukoil International and/ or a Lukoil International Subsidiary under any existing or new obligations or contracts;
4.1.2.
Payments to or from any other Person under any obligations or contracts; and
4.1.3.
Provision of, and receipt of, economic resources from Lukoil International and/ or a Lukoil International Subsidiary.”
4.25.
Artikel 4.1. is algemeen geformuleerd met de woorden “
may continue business operations”. Daarna volgen enkele niet-limitatief bedoelde voorbeelden. Dat lijkt met zich te brengen dat de vrijstelling ook ziet op de levering van HBE’s in het kader van de voortzetting van de ‘business operations’. In dit geval roept echter het gegeven voorbeeld onder artikel 4.1.3. vragen op. Uit de bewoording van dat artikel volgt dat de vrijstelling mede ziet op het verstrekken en ontvangen van ‘economic resources’ van Lukoil NL, waarbij dus Lukoil NL de verstrekkende partij is. Dat roept de vraag op waarom dit zo is geformuleerd en of dat betekent dat het verstrekken van ‘economic resources’ (zoals HBE’s)
aanLukoil NL daarmee is uitgesloten. Daarbij speelt een rol dat in de artikelen 4.1.1. en 4.1.2., waar het gaat om betalingen, wel expliciet ‘to or from’ staat. In dit kort geding kan geen antwoord worden gegeven op die vraag.
4.26.
Ten aanzien van zowel de VK- als de VS-sancties geldt dat in deze procedure geen plaats is voor een verder (eigen) onderzoek naar de inhoud van het daarop toepasselijke recht.
4.27.
Aldus bestaat met de voorliggende stukken onvoldoende zekerheid dat de transacties zijn toegestaan op grond van de sanctievrijstellingen. Dat betekent dat niet kan worden uitgesloten dat (in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat) de VK- en VS-sancties aan de levering van HBE’s in de weg staan.
Belangenafweging
4.28.
Lukoil NL wenst te voorkomen dat zij boetes krijgt opgelegd van de NEa door niet tijdig aan de verplichtingen op grond van de Wet Milieubeheer te voldoen. Daarnaast is het voor haar van belang dat haar waarde als onderneming behouden blijft in het kader van de beoogde overname van Lukoil International door de Carlyle-groep.
4.29.
Het eerste belang is reëel, maar vormt een zuiver financieel belang. In een bodemprocedure, waar wel gelegenheid is voor nadere bewijslevering en onderzoek naar de inhoud van het Engelse en Amerikaanse recht, kan worden beoordeeld of Lukoil NL gelijk heeft. Indien dat zo is, zal het financiële belang van Lukoil NL zich oplossen in een schadevergoeding. Overigens is het nog maar de vraag of de NEa over zal gaan tot sanctiemaatregelen en, als zij dat wel doet, of zij de maximale beboeting toepast, gegeven de onderhavige omstandigheden, die er immers op neerkomen dat Lukoil NL buiten haar schuld niet kan voldoen aan het registreren van haar Jaarverplichting. Het gestelde belang in het kader van de beoogde overname is door Cargill betwist en door Lukoil NL niet onderbouwd. Cargill voert terecht aan dat het niet op het eerste gezicht aannemelijk is dat een mogelijke bestuurlijke boete van de NEa van invloed is op een overname waar $ 22 miljard mee gemoeid is.
4.30.
Hier tegenover staat het belang van Cargill om te voorkomen dat zij wordt geconfronteerd met sanctiemaatregelen als zij tot levering wordt gedwongen. Cargill wijst erop dat, indien zij tot nakoming wordt veroordeeld en zij daardoor handelt in strijd met de Britse of Amerikaanse sancties, zij daardoor wordt bloot gesteld aan boetes van de OFAC en/of de OFSI die vele malen hoger zijn dan die van de NEa. Ook kunnen deze toezichthouders andere sanctiemaatregelen treffen. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de sancties van toepassing zijn, kan dat bij de huidige stand van zaken zeker niet worden uitgesloten. Cargill heeft dus een zwaarwegend belang om dit risico te voorkomen.
4.31.
De voorzieningenrechter weegt verder mee dat Lukoil NL haar belang bij het voorkomen van bestuurlijke boetes ook op een andere manier had kunnen dienen, namelijk door op een eerder moment HBE’s elders in te kopen. Weliswaar zou dat zijn gebeurd tegen een hogere prijs (omdat vast staat dat de prijs van HBE’s in het afgelopen jaar is gestegen), maar die meerprijs had zij als schadevergoeding kunnen verhalen op Cargill. Het is een eigen keuze van Lukoil NL geweest om dit niet te doen, hoewel zij al sinds oktober 2025 wist dat Cargill niet ging nakomen. Deze afweging ligt in de risicosfeer van Lukoil NL.
4.32.
Al met al valt de belangenafweging dus uit in het voordeel van Cargill.
Conclusie
4.33.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de (resterende) vorderingen worden afgewezen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet hoeft in te gaan op het betoog van Cargill dat zij ook niet kan nakomen omdat de benodigde HBE’s niet meer in de markt beschikbaar zijn.
Proceskosten
4.34.
Lukoil NL wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Cargill veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.766,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.690,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van vordering i. onder 1.;
5.2.
wijst voor het overige de vorderingen af;
5.3.
veroordeelt Lukoil NL in de proceskosten van € 2.690,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Lukoil NL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
2091 / 1980