De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering om de machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige te verlengen. De minderjarige was sinds september 2021 onder voogdij gesteld en verbleef sinds februari 2026 bij haar ouders. Eerder was een machtiging verleend voor een gesloten plaatsing van januari tot april 2026.
Tijdens de zitting op 25 maart 2026, die met gesloten deuren plaatsvond, was de minderjarige niet aanwezig en gaf zij geen mening. De gecertificeerde instelling trok het verzoek in omdat het verblijf in de gesloten accommodatie schadelijk bleek door verergering van suïcidepogingen en PNEA-aanvallen. GGZ-instellingen weigerden opname vanwege de gedragsproblematiek. De minderjarige verblijft nu thuis, waar zij rustiger lijkt en minder triggers ervaart, met ambulante ondersteuning.
De kinderrechter constateert dat het verzoek niet langer gehandhaafd wordt en wijst het af. Hoewel de thuissituatie zorgelijk blijft vanwege de complexe problematiek en eerdere ontheffing van het ouderlijk gezag, is het verblijf bij de ouders momenteel de beste optie. De rechter benadrukt het belang van continuering en uitbreiding van ambulante hulp en roept betrokken instanties op zich in te zetten voor het welzijn van de minderjarige.