ECLI:NL:RBROT:2026:530

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/10/703806/ HA RK 25-718
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelgeschil over overlijdensschade van minderjarige kinderen na verkeersongeval met beide ouders

In deze zaak gaat het om een deelgeschil over de overlijdensschade van twee minderjarige kinderen die hun ouders hebben verloren bij een verkeersongeval. De kinderen, die zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit hebben, wonen sinds het overlijden van hun ouders bij hun grootouders in Marokko. De centrale vraag is hoe het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot: op basis van de kosten van professionele hulp in Nederland of in Marokko. De rechtbank oordeelt dat de schade moet worden begroot op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten van ingehuurde professionele hulp in Marokko, zolang de kinderen daar wonen. Daarnaast is er een geschil over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De rechtbank bepaalt dat de verzekeraar, National Academic Verzekeringsmaatschappij N.V., een bedrag van € 14.337,60 aan buitengerechtelijke kosten moet vergoeden. Ook wordt bepaald dat de verzekeraar bevrijdend kan betalen op de derdengeldenrekening van de notaris van de verzoeker. De rechtbank wijst de verzoeken van de verzoeker af en oordeelt dat de kosten van het deelgeschil op € 9.968,65 worden begroot.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703806 / HA RK 25-718
Beschikking van 21 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
kantoorhoudende te Hilversum,
optredend als lasthebber van:
[naam 1],
[naam 2],
beiden wonende te Fès, Marokko,
beiden handelend in hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordigers van:
a)
[minderjarige 1],
b)
[minderjarige 2],
beiden wonende te Fès, Marokko,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. Y.B. Boendermaker te Hilversum,
tegen
NATIONAL ACADEMIC VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Dordrecht,
verwerende partij,
hierna te noemen: NA,
advocaat: mr. N.P.H. Borm.

1.De zaak in het kort

1.1.
Deze zaak wordt gevoerd in verband met de buitengerechtelijke onderhandelingen tussen partijen over de schade die twee minderjarige kinderen lijden door het overlijden van hun ouders bij een eenzijdig verkeersongeval met een personenauto die bij NA verzekerd was. Tot aan het overlijden van de ouders woonden zij met de kinderen in Nederland. Sinds het overlijden van hun ouders wonen de kinderen bij hun grootouders in Marokko, die ook de voogdij over de kinderen hebben gekregen.
1.2.
De centrale vraag die moet worden beantwoord is of het door de kinderen gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in Nederland of in Marokko. Daarnaast zijn partijen verdeeld over de vraag of een bedrag van € 16.760,91 als buitengerechtelijke kosten door NA moet worden vergoed. Tot slot is aan de orde de vraag of NA bevrijdend aan haar verplichtingen kan voldoen door betaling op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van [verzoeker].
1.3.
In deze beschikking oordeelt de rechtbank dat het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in Marokko, zolang de kinderen daar wonen. Verder oordeelt de rechtbank dat NA een bedrag van € 14.337,60 aan buitengerechtelijke kosten moet vergoeden en dat NA bevrijdend aan haar verplichtingen kan voldoen door betaling op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van [verzoeker].

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 25 producties,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek en 1 productie,
- het verweerschrift tegenverzoek tevens houdende wijzing van verzoek, met producties 26 t/m 28,
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025,
- de spreekaantekeningen van NA.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
Op 30 augustus 2018 vond te Burgos (Spanje) een eenzijdig verkeersongeval plaats met een personenauto met Nederlands kenteken. [naam 3] was de bestuurder van die personenauto en [naam 4] was één van de inzittenden. Zij zijn als gevolg van het ongeval overleden.
3.2.
[naam 3] en [naam 4] waren echtgenoten en woonachtig in Nederland (Hoofddorp). Zij hebben twee minderjarige kinderen achtergelaten, te weten:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013,
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017,
(verder: de kinderen). De kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.
3.3.
Na het ongeval zijn de kinderen naar hun in Marokko (Fès) wonende grootouders [naam 1] en [naam 2] (verder: de grootouders) gebracht. De grootouders en de bij hen wonende tante van de kinderen hebben de zorg voor de kinderen op zich genomen.
3.4.
Bij beschikking van 15 januari 2020 erkende de rechtbank Den Haag de Marokkaanse maatregel van 21 september 2018 waarbij de grootouders belast zijn met de voogdij over de kinderen.
3.5.
De personauto waarmee het ongeval plaatsvond is bij NA verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid. Naast het risico van wettelijke aansprakelijkheid omvat de verzekering tevens een Schadeverzekering voor Inzittenden en een ongevallenverzekering.
3.6.
NA heeft namens de vader jegens de kinderen aansprakelijkheid erkend voor de schade die zij lijden door het overlijden van hun moeder. Daarnaast heeft NA meegedeeld de schade als gevolg van het overlijden van beide ouders uit pragmatisch oogpunt op grond van de WAM-polis te behandelen.
3.7.
[verzoeker] is notaris en bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 16 april 2019 benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van de ouders. Die vereffening is medio 2020 geeïndigd.
3.8.
Tussen 20 en 22 september 2019 hebben [verzoeker] en mr. Boendermaker samen met een schadebehandelaar van NA de grootouders en de kinderen in Marokko bezocht. Van dit bezoek is een verslag gemaakt.
3.9.
Tussen 25 en 27 mei 2023 hebben [verzoeker] en mr. Boendermaker nogmaals de grootouders en de kinderen in Marokko bezocht. Ook van dit bezoek is een verslag gemaakt.
3.10.
De grootouders hebben als wettelijk vertegenwoordigers van de kinderen een ‘general power of attorney’ en een ‘proces power of attorney’ ondertekend, waarbij aan [verzoeker] opdracht is gegeven om namens hen, en zonodig in rechte, de vorderingen te innen en schikkingsonderhandelingen te voeren.

4.De verzoeken en verweren

4.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), samengevat en zo veel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat voor de berekening van het door de kinderen gederfd levensonderhoud als uitgangspunt dient te worden genomen dat zij in het ouderlijk huis zouden zijn blijven wonen en de voogden met hun gezin daar zouden zijn ingetrokken;
NA te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 16.760,91 aan buitengerechtelijke kosten, onderverdeeld in € 9.125,52 aan kosten gemaakt door de raadsman en
€ 7.635,39 aan kosten die door [verzoeker] zijn gemaakt;
de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 13.564,10, te vermeerderen met het bedrag dat is betaald aan griffierecht, en NA te veroordelen tot betaling hiervan.
4.2.
NA verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn verzoeken althans tot afwijzing van de verzoeken.
4.3.
Op haar beurt verzoekt NA de rechtbank, samengevat:
I. te bepalen dat de schade vanwege het gederfd levensonderhoud in natura moet worden begroot op de daadwerkelijk gemaakte kosten van de ingehuurde professionele hulp in Marokko;
II. te bepalen dat, voor zover bij de kinderen een zorgbehoefte blijft bestaan, waarvan wordt vastgesteld dat de voogden en de tante daarin voorzien, de schade vanwege het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op het geschatte bedrag van de bespaarde kosten van normale en gebruikelijke professionele hulp in Marokko;
III. te verklaren voor recht dat NA haar verplichtingen jegens de kinderen bevrijdend kan nakomen door te betalen op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van [verzoeker].
4.4.
[verzoeker] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken sub I en II van NA en concludeert tot afwijzing daarvan.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Het onderhavige geschil heeft een internationaal karakter omdat de kinderen en hun wettelijk vertegenwoordigers in Marokko wonen en [verzoeker] en NA in Nederland zijn gevestigd. Daarom moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken kennis te nemen en welk recht op de schadevorderingen van de kinderen van toepassing is.
5.2.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is en licht dit toe als volgt.
5.3.
De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 3 Rv. Hierin is, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat in zaken die bij verzoekschrift worden ingeleid de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien een in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Aan dit vereiste wordt voldaan omdat NA in Nederland is gevestigd.
5.4.
Partijen zijn het erover eens dat de schade die de kinderen door het overlijden van hun ouders lijden naar Nederlands recht moet worden begroot. De rechtbank volgt partijen hierin, omdat het ongeval een eenzijdig ongeval betrof met een in Nederland geregistreerd voertuig (artikelen 4 en 8 van het Haagse Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118)).
Aan de formele vereisten voor verzoeken in een deelgeschil wordt voldaan
5.5.
De verzoeken van beide partijen berusten op artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel waarvoor de ene partij de andere partij aansprakelijk houdt. Aan dit vereiste wordt voldaan. Vast staat namelijk dat de vader aansprakelijk is voor de schade die de kinderen lijden door het overlijden van hun moeder en dat de kinderen op NA als de WAM-verzekeraar een rechtstreekse vordering tot het vergoeden van die schade hebben (artikel 6 WAM). Ook staat tussen partijen vast dat voor de schadeafwikkeling geen onderscheid gemaakt dient te worden tussen de juridische grondslagen van de vorderingen die voortvloeien uit het overlijden van de beide ouders. Dat er geen sprake is van aansprakelijkheid voor de dood van de vader doet er onder deze omstandigheden niet aan af dat er een geschil is als bedoeld in artikel 1019w Rv.
5.6.
Ook moet de rechtbank beoordelen of de verzochte beslissingen kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. In dit geval verschillen partijen namelijk – kort gezegd – van mening over (i) de maatstaven op basis waarvan het door de kinderen gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot, (ii) de te vergoeden buitengerechtelijke kosten en (iii) de wijze waarop NA de overlijdensschade bevrijdend aan de kinderen kan voldoen. Een oordeel daarover kan een bijdrage leveren aan het vlottrekken van de onderhandelingen die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De zaak is daarom geschikt voor behandeling als deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv. Dat staat op zich tussen partijen ook niet ter discussie.
5.7.
Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.
De maatstaven voor het begroten van het gederfde levensonderhoud in natura
5.8.
Artikel 6:108 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) geeft nabestaanden in de situatie dat een ander voor het overlijden aansprakelijk is recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud dat zij van de overledene ontvingen. Dat gederfd levensonderhoud kan worden onderscheiden in (i) gemiste financiële middelen en (ii) het wegvallen van de inspanningen waarmee de overledene bijdroeg aan de gemeenschappelijke huishouding (hierna: het gederfd levensonderhoud in natura). Het gederfde levensonderhoud in natura omvat niet alleen het verrichten van huishoudelijke taken, maar ook het leveren van een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de kinderen.
5.9.
Dit deelgeschil beperkt zich tot de vraag welke maatstaven bij de begroting van het gederfd levensonderhoud in natura moeten gelden. Over die beperking van het geschil zijn partijen het eens.
5.10.
[verzoeker] stelt dat het gederfd levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van bespaarde kosten van professionele hulp in Nederland. Volgens hem moet van de concrete omstandigheden geabstraheerd worden in die zin dat als uitgangspunt moet worden genomen dat de kinderen na het overlijden van hun ouders in het ouderlijk huis in Nederland zouden zijn gebleven en hun grootouders daar zouden zijn ingetrokken. De redenen die [verzoeker] daarvoor stelt zijn dat in de situatie zonder het overlijden van de ouders het gezin in Nederland zou zijn blijven wonen, alle overige aspecten van de overlijdensschade op basis van Nederlandse maatstaven worden begroot en het hanteren van Marokkaanse tarieven voor bespaarde professionele hulp zou betekenen dat de kinderen niet naar Nederland zullen kunnen terugkeren. Ook verwijst [verzoeker] naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:10051).
5.11.
NA is het daar niet mee eens. Zij stelt dat het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van de daadwerkelijke kosten van professionele hulp in Marokko. Voor zover niet de ingehuurde professionele hulp maar de grootouders en de tante voorzien in de zorgbehoefte van de kinderen en het voor de door hen verrichte activiteiten normaal en gebruikelijk is om professionele hulp in te schakelen en de redelijkheid meebrengt dat die zorgtaken niet door een professionele hulpverlener worden vervuld, dient de schade te worden begroot op de bespaarde kosten van professionele hulp in Marokko. Dit omdat uitgangspunt is dat de schade zoveel mogelijk concreet moet worden begroot en een begroting op basis van daadwerkelijke en/of bespaarde kosten van professionele hulp in Marokko niet tot een onredelijk resultaat leidt.
5.12.
De rechtbank stelt NA in het gelijk voor zolang als de kinderen in Marokko wonen en wijst de verzoeken sub I en II van NA in die zin toe. Het onder 4.1 sub a) vermelde verzoek van [verzoeker] wijst de rechtbank af. De rechtbank licht dit toe als volgt.
5.13.
De schade door gederfd levensonderhoud wordt bepaald door de behoefte van de nabestaanden en hun behoeftigheid. De behoefte van de nabestaanden is wat nodig is om in het levensonderhoud te voorzien op zo’n manier dat eenzelfde levensstandaard kan worden voortgezet zoals die voor het overlijden bestond ondanks het wegvallen van de overledene. Daarbij moet worden uitgegaan van wat de overledene feitelijk placht te verstrekken en
- naar redelijke verwachting op het moment van overlijden - in de toekomst zou verstrekken. De behoeftigheid is wat de nabestaanden in totaal tekort komen om die levensstandaard te kunnen houden. Dit totale tekort vormt de schade door gederfd levensonderhoud.
5.14.
In een geval als het onderhavige, waarin de ouders in een gezin met minderjarige kinderen door een ongeval zijn overleden, is het antwoord op de vraag of en in hoeverre die kinderen behoefte hebben aan een vergoeding voor gederfd levensonderhoud in natura afhankelijk van de concrete omstandigheden waarin zij verkeren. Dergelijke omstandigheden zijn hun leeftijd, de verdere gezinssamenstelling, de aard van de (huishoudelijke) werkzaamheden van de overledenen waarin na hun overlijden op andere wijze moet worden voorzien en de (financiële) positie waarin de minderjarige kinderen na het overlijden van de ouders verkeren.
5.15.
Van de concrete omstandigheden kan geabstraheerd worden als daarmee wordt vermeden dat de onderhoudslast van minderjarige kinderen wordt gelegd op de naasten die de zorg voor hen op zich hebben genomen in plaats van op de aansprakelijke persoon. Dat onredelijke resultaat moet worden voorkomen.
5.16.
Voor die deels objectieve benadering bestaat te meer aanleiding omdat het hier gaat om de begroting van (grotendeels) nog niet ingetreden schade. Door deze aard van de schadepost ligt het voor de hand om bij de vaststelling van de behoefte van minderjarige kinderen aan een voorziening voor vervangende huishoudelijke hulp uit te gaan van de na het ongeval bekende concrete omstandigheden waarin zij tot hun meerderjarigheid zullen verkeren. Ook bestaat daarvoor aanleiding om het mogelijk te maken dat zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ouders in overleg tussen de aansprakelijke partij en de wettelijk vertegenwoordigers van minderjarige kinderen een passende vergoeding voor deze vorm van gederfd levensonderhoud kan worden vastgesteld.
5.17.
Het beroep van [verzoeker] op de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:10051) kan hem niet baten. Daargelaten dat die beschikking alleen geen vaste rechtspraak vormt, wijkt de onderhavige casus op relevante punten af van de in die beschikking beoordeelde casus.
5.18.
Niet ter discussie staat dat de overleden ouders samen volledig voor de gemeenschappelijke huishouding van hun gezin zorgden. Hiermee is gegeven dat de kinderen vanaf het overlijden van hun ouders redelijkerwijs behoefte hebben aan vervangende hulp.
5.19.
Vast staat dat de kinderen na het overlijden van hun ouders bij hun grootouders en tante in Marokko wonen. Dit betekent dat de kinderen het genot hebben van de gemeenschappelijke huishouding van hun grootouders en tante. Ook betekent dit dat die gemeenschappelijke huishouding een veel zwaardere last op de grootouders en tante legt, omdat aan de kinderen tijd en aandacht in het kader van de verzorging en opvoeding besteed moet worden en ook de huishoudelijke taken toenemen.
5.20.
Aannemelijk is dat de grootouders, in ieder geval gedeeltelijk, in die verzwaring van de gemeenschappelijke huishouding hebben voorzien door het inhuren van extra huishoudelijke hulp. In het bezoekverslag van september 2019 staat namelijk, dat zij voor het ongeval 1 dag per week (huishoudelijke) hulp in huis hadden en dat er sinds het ongeval twee hulpen in de huishouding zijn. Inmiddels was er een full time hulp en werd de hulp die er al was voor 4 dagen per week ingehuurd. Eén van beide hulpen was intern komen wonen. Feiten die aannemelijk maken dat die forse toename van de huishoudelijke hulp los staat van de komst van de kinderen zijn niet gesteld.
5.21.
De daadwerkelijke kosten van de extra ingehuurde huishoudelijke hulp die voorziet in de verzwaring van de gemeenschappelijke huishouding van de grootouders en de tante doordat de kinderen bij hen zijn gaan wonen, zijn een gevolg van het gederfd levensonderhoud in natura. Die kosten moeten daarom door NA worden vergoed.
5.22.
Dat de extra ingehuurde huishoudelijke hulp geheel voorziet in de verzwaring van de gemeenschappelijke huishouding staat niet vast. [verzoeker] stelt dat dat niet het geval is en NA weerspreekt dat niet. Er moet daarom rekening mee worden gehouden dat de grootouders en de tante een deel van de vorenbedoelde verzwaring van de gemeenschappelijke huishouding voor hun rekening nemen. De omstandigheid dat daarvoor geen concrete kosten worden gemaakt, leidt tot een aanspraak op maximaal de daarmee bespaarde kosten van normale en gebruikelijke professionele hulp in Marokko. Dit met de kanttekening dat voor zover door de grootouders en de tante bestede tijd aan componenten van de verzorging en opvoeding van de kinderen waarvoor het niet normaal en gebruikelijk is dat professionele hulp wordt ingeschakeld eraan in de weg staat dat zij tijd besteden aan huishoudelijke taken waarvoor het inhuren van professionele hulp wel normaal en gebruikelijk is, die professionele hulp ook voor vergoeding in aanmerking komt.
5.23.
Voor een verdere abstrahering van de concrete omstandigheden in die zin dat wordt uitgegaan van de fictie dat de professionele hulp in Nederland wordt ingehuurd ziet de rechtbank geen aanleiding. Het hanteren van de daadwerkelijke kosten en gebruikelijke kosten voor professionele hulp in Marokko leidt er namelijk niet toe dat de onderhoudslast van de kinderen op de grootouders en de tante wordt gelegd in plaats van op de aansprakelijke persoon.
5.24.
De omstandigheid dat naar redelijke verwachting de ouders met de kinderen in Nederland waren blijven wonen indien zij niet zouden zijn overleden, leidt niet tot een ander oordeel. Ook niet als wordt meegewogen dat de daarbij behorende levenstandaard uitgangspunt is voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Voor de compensatie van het gederfde levensonderhoud in natura is namelijk van belang dat de kinderen in dezelfde mate zorg en aandacht krijgen als wanneer de ouders niet zouden zijn overleden. Dat vertaalt zich in het aantal uren dat daaraan wordt besteed en dus moet worden vergoed. Het betalen van een hoger tarief voor ingehuurde of bespaarde professionele hulp dan gebruikelijk is voor professionele hulp in het land waar de kinderen wonen, draagt niet aan dat resultaat bij.
5.25.
Ook het belang van de kinderen bij het behoud van de mogelijkheid om voor hun meerderjarigheid in Nederland terug te keren, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de (bespaarde) kosten van professionele hulp van meet af aan op basis van Nederlandse tarieven moeten worden vergoed. Wel moet bij het begroten van de schade door gederfd levensonderhoud in natura rekening worden gehouden met de kans dat de kinderen in Nederland zullen terugkeren. Zij hebben nu eenmaal de Nederlandse nationaliteit en het is de wens van de grootouders om de kinderen op enig moment naar Nederland te laten terugkeren. Dit betekent dat niet voor de gehele looptijd van het gederfde levensonderhoud in natura kan worden bepaald dat de vergoeding voor (bespaarde) professionele hulp moet worden gebaseerd op de Marokkaanse tarieven daarvoor.
5.26.
Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank de verzoeken sub I en II van NA als na te melden toewijst en het onder 4.1 sub a) vermelde verzoek van [verzoeker] afwijst. De rechtbank beseft dat daarmee tussen partijen nog niet vast staat hoe het gederfde levensonderhoud in natura over de gehele looptijd moet worden berekend, maar het is aan partijen om in hun onderhandelingen daar verder vorm aan te geven. Bijvoorbeeld door de goede en kwade kansen dat de kinderen voordat zij meerderjarig worden naar Nederland zullen terugkeren af te wegen of een regeling onder voorbehoud te treffen.
De buitengerechtelijke kosten van de raadsman
5.27.
[verzoeker] maakt aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 9.125,52 dat nog openstaat op de declaraties van mr. Boendermaker. Hij baseert deze aanspraak op artikel 6:96 BW en stelt de declaraties zijn voorzien van een urenspecificatie en dat de gedeclareerde kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW.
5.28.
NA bestrijdt dat de openstaande kosten van mr. Boendermaker voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Zij voert aan dat zij in totaal € 67.468,70 aan buitengerechtelijke kosten heeft voldaan en dat de werkzaamheden van mr. Boendermaker in geringe mate aan de vaststelling van de schade en de totstandkoming van een regeling hebben bijgedragen. Ook vindt NA het niet redelijk dat zij de juridische kosten moet betalen die zijn gemaakt om een vergoeding voor gederfd levensonderhoud in natura op basis van bespaarde kosten van professionele hulp naar Nederlandse maatstaven en Nederlands prijspeil te verkrijgen.
5.29.
De rechtbank oordeelt dat NA het openstaande bedrag moet voldoen en licht dat toe als volgt.
5.30.
Uitgangspunt is dat een persoon die recht heeft op vergoeding van overlijdensschade jegens de aansprakelijke partij ook recht heeft op vergoeding van de redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, verleend door een advocaat van zijn keuze. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit vereist dat in de gegeven omstandigheden het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen.
5.31.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat [verzoeker] in redelijkheid niet kon denken dat de kinderen aanspraak hebben op een vergoeding voor gederfd levensonderhoud in natura die is gebaseerd op bespaarde kosten van ingehuurde professionele hulp in Nederland. Ook was het redelijk om voor het krijgen van die vergoeding juridische bijstand in te schakelen. Daarmee is gegeven dat het redelijk was om daarvoor kosten van rechtsbijstand te maken. Dat [verzoeker] op dat punt in het ongelijk is gesteld, maakt dat niet anders.
5.32.
De tweede vraag die moet worden beantwoord is of de omvang van de door mr. Boendermaker verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk was. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend omdat NA dat onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Niet ter discussie staat namelijk dat mr. Boendermaker de omvang van de door hem verrichte werkzaamheden door middel van urenspecificaties heeft verantwoord. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van NA om aan te geven welke werkzaamheden redelijkerwijs niet nodig waren. Bij gebreke daarvan staat vast dat mr. Boendermaker de door hem de gedeclareerde uren in redelijkheid heeft gemaakt. Omdat de redelijkheid van het uurtarief dat mr. Boendermaker hanteert (€ 295,00 exclusief btw) niet ter discussie staat, is daarmee gegeven dat zijn declaraties aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen.
De kosten van [verzoeker]
5.33.
[verzoeker] (als lasthebber) maakt aanspraak op vergoeding van de reis- en verblijfkosten die hij heeft gemaakt voor zijn bezoeken aan de grootouders en de kinderen in september 2019 en mei 2023. [verzoeker] stelt dat deze kosten moeten worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW. De kosten bedragen
€ 5.923,31 en € 5.212,08 en NA heeft op 23 januari 2020 € 3.500,00 in mindering daarop betaald.
5.34.
NA bestrijdt dat de kosten van [verzoeker] redelijkerwijs nodig waren voor het vaststellen van de schade. Hij bracht zijn bezoeken in zijn hoedanigheid van vereffenaar en de kosten daarvan komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het optreden van [verzoeker] als tolk heeft NA met het bedrag van € 3.500,00 ruimschoots vergoed.
5.35.
De rechtbank oordeelt dat NA de kosten van het tweede bezoek van [verzoeker] van
€ 5.212,08 moet vergoeden en licht dit als volgt toe.
5.36.
De kosten van vereffening zijn geen kosten in de zin van artikel 6:96 BW of artikel 6:108 BW. De kosten die [verzoeker] als vereffenaar maakte komen daarom niet voor vergoeding op grond van die wetsartikelen in aanmerking.
5.37.
NA heeft het bedrag van € 3.500,00 op 23 januari 2020 voldaan. Dit moment van betaling brengt mee dat deze moet worden geacht in mindering te strekken op de kosten van het eerste bezoek.
5.38.
[verzoeker] heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat hij ten tijde van het eerste bezoek een andere hoedanigheid had dan vereffenaar van de nalatenschap en tolk. Met name heeft hij geen feiten gesteld waaruit volgt dat hij toen bevoegd was om bij het regelen van de overlijdensschade voor de kinderen op te treden. Bij gebreke daarvan valt niet in te zien dat de reis- en verblijfkosten die hij voor dat bezoek heeft gemaakt en het door NA vergoede bedrag van € 3.500 te boven gaan, zijn aan te merken als door de kinderen geleden schade in de vorm van redelijke kosten voor het vaststellen van hun schade.
5.39.
Dit ligt anders bij het tweede bezoek omdat de vereffening toen was geëindigd en uit de datering van de aan [verzoeker] verstrekte ‘general power of attorney’ blijkt dat de grootouders deze tijdens het tweede bezoek hebben ondertekend. Niet ter discussie staat dat het tweede bezoek plaatsvond om de schaderegeling te bespreken. Mede gelet op de sinds het eerste bezoek verstreken tijd en het feit dat het voor de grootouders niet mogelijk is om naar Nederland te reizen, komt dit redelijk voor. Dat de omvang van de gemaakte reis- en verblijfkosten redelijk is, heeft NA niet bestreden. NA moet daarom de reis- en verblijfkosten van [verzoeker] voor het tweede bezoek van € 5.212,08 vergoeden.
Betaling op derdengeldenrekening [verzoeker]
5.40.
Aan haar verzoek om te bepalen dat zij bevrijdend aan de kinderen kan betalen op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van [verzoeker], legt NA ten grondslag dat de schadevergoeding uitsluitend ten goede van de kinderen moet komen en dat moet worden voorkomen dat deze door derden voor andere doeleinden wordt misbruikt. NA stelt dat partijen er niet in geslaagd zijn om daar een oplossing voor te vinden en dat zij er belang bij heeft dat hierover duidelijkheid komt.
5.41.
De rechtbank wijst het verzoek toe omdat [verzoeker] daar geen bezwaar tegen heeft. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat volgens opgave van [verzoeker] het niet lukt om een rekening met BEM-clausule te openen omdat het daarvoor nodig is dat de voogden (de grootouders) naar Nederland komen en zij geen visum kunnen krijgen en NA dat niet tegenspreekt. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat [verzoeker] ter zitting heeft toegezegd er op te zullen toezien dat de schadevergoeding uitsluitend ten goede van de kinderen zal komen. Tot slot valt niet uit te sluiten dat tussentijdse voorschotten op de schadevergoeding nodig zijn. Dat [verzoeker], zoals hij aanvoert, na het bereiken van een vaststellingsovereenkomst de kantonrechter zal vragen om goedkeuring om die overeenkomst te ondertekenen, maakt de gevraagde voorziening daarom niet onnodig.
Kosten deelgeschil
5.42.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
5.43.
Bij het begroten van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
5.44.
[verzoeker] maakt aanspraak op € 13.564,10 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. NA heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief, maar heeft wel aangevoerd dat de gedeclareerde 38 uur bovenmatig is. Volgens NA is een kostenvergoeding voor het deelgeschil van € 7.500,00 inclusief btw te vermeerderen met het griffierecht redelijk.
5.45.
De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil van [verzoeker] op € 9.968,65 inclusief btw en griffierecht. De rechtbank baseert dit op het volgende.
5.46.
Niet ter discussie staat dat het uurtarief van € 295,00 exclusief btw (€ 356,95 inclusief btw) redelijk is. De rechtbank hanteert daarom dit uurtarief.
5.47.
Gelet op de snelheid en efficiëntie die op basis van het door de advocaat gehanteerde tarief en zijn specialisatie mag worden verwacht en de complexiteit van het geschil is de rechtbank van oordeel dat de opgegeven tijdsbesteding bovenmatig is. De rechtbank matigt deze daarom als volgt:
- opstellen verzoekschrift
10
uren
- studie verweerschrift/tegenverzoek
3
uren
- opstellen verweerschrift tegenverzoek
3
uren
- correspondentie met cliënt/NA/rechtbank
2,5
uren
- zitting inclusief voorbereiding en reistijd
6
uren
- studie beschikking en bespreking cliënt
2,5
uren
totaal
27
uren
5.48.
Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank de kosten van het deelgeschil van [verzoeker] begroot op € 9.968,65 (27 x 356,95 = € 9.637,65 + € 331,00) inclusief btw en griffierecht.
5.49.
De rechtbank zal NA overeenkomstig het verzoek van [verzoeker] veroordelen tot betaling van de kosten van het deelgeschil. NA heeft namelijk in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar de aansprakelijkheid van haar verzekerde erkend voor de schade die de kinderen lijden door het overlijden van hun moeder. Daarbij komt dat NA zich niet tegen de gevraagde veroordeling heeft verzet.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat, zolang de kinderen in Marokko wonen, de schade vanwege het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op de daadwerkelijke gemaakte kosten van de ingehuurde professionele hulp in Marokko;
6.2.
bepaalt dat, zolang de kinderen in Marokko wonen en voor zover bij hen een zorgbehoefte blijft bestaan, waarvan wordt vastgesteld dat de voogden (de grootouders) en de tante daarin voorzien, de schade vanwege het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op het geschatte bedrag van de bespaarde kosten van normale en gebruikelijke professionele hulp in Marokko, een en ander zoals toegelicht onder 5.22;
6.3.
veroordeelt NA tot betaling van een bedrag van € 14.337,60 aan buitengerechtelijke kosten, onderverdeeld in € 9.125,52 aan kosten gemaakt door de raadsman en € 5.212,08 aan kosten die gemaakt zijn door [verzoeker];
6.4.
verklaart voor recht dat NA haar verplichtingen jegens de kinderen bevrijdend kan nakomen door te betalen op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van [verzoeker];
6.5.
begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv aan de zijde van [verzoeker] op € 9.968,65 inclusief btw en veroordeelt NA tot betaling van deze kosten;
6.6.
verklaart de onder 6.3 en 6.5 vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst af hetgeen [verzoeker] meer of anders heeft verzocht;
6.8.
wijst af hetgeen NA meer of anders heeft verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
2515/2537