3.3.Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2
De verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij heeft deelgenomen aan een terroristische training door opzettelijk kennis en vaardigheden te vergaren tot het plegen van een terroristisch misdrijf.
Vereist voor een bewezenverklaring is dat degene die de training volgt, het opzet heeft die kennis en vaardigheden te verwerven. Dit opzet ziet ook op het inzetten van die kennis en vaardigheden tot het (later) plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan.
Het opzet op het inzetten van die kennis en vaardigheden tot het (later) plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit hetgeen bekend is over de achtergrond van de persoon van de verdachte, waarbij, naast de aard en het karakter van de training, de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen:
1. de eventuele haat tegen “ongelovigen” en/of “afvalligen” in de Westerse wereld of elders;
2. de mogelijke fascinatie voor terroristisch geweld;
3. zijn of haar eventuele radicalisering.
Op de bij de verdachte in gebruik zijnde telefoon zijn na onderzoek verschillende foto’s, video’s, documenten en berichten aangetroffen. De verdachte heeft erkend dat hij dit materiaal heeft gedownload en op enig moment heeft bekeken. Tevens is gebleken van verschillende zoekslagen op het internet door de verdachte.
Aan de verdachte is een aantal gedragingen ten laste gelegd welke gedragingen feitelijk zijn omschreven onder A tot en met D. De vraag die moet worden beantwoord is of dit trainingshandelingen zijn in de zin van artikel 134a Sr.
Onderdeel A. zich voegen in een Telegramkanaal waarin links worden gedeeld in IS websites en waarin IS geprezen wordt
Onderdeel B. video’s en/of documenten voorhanden hebben waarin het martelaarschap wordt verheerlijkt.
De verdachte heeft op 26 december 2024 van de Telegramgroep “ [naam Telegramgroep] ” berichten ontvangen met daarin URL’s en verwijzingen naar IS en andere terroristische groeperingen.
Ook had de verdachte op zijn telefoon een video van [persoon A] , een invloedrijke geleerde van IS en een video van [persoon B] , een Zweedse uitreiziger die zich aansloot bij IS en stierf in de strijd voor IS. Verder wordt een video aangetroffen waarvan wordt vermoed dat het een gedeelte betreft van een propagandavideo van IS. Nadere duiding over de inhoud van deze berichten en video’s ontbreekt echter in het dossier. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of dit materiaal geschikt is om kennis op te doen om terroristische misdrijven te kunnen plegen.
De verdachte heeft een boek gedownload en opgeslagen in zijn telefoon met de titel “ [naam titel] ” van voornoemde [persoon A] . In het dossier wordt een korte samenvatting gegeven van de inhoud van dit boek, namelijk dat het boek is gericht op het noemen van verzen van de Koran over de heilige strijd, de Jihad, en ook het noemen van gezegden van profeet Mohamed die te maken hebben met het opofferen van eigen ziel en leven om het woord en religie van Allah te verspreiden en versterken. Er worden ook verhalen verteld, met interpretaties daarvan door imams, over mensen die hun leven hebben opgeofferd voor God, in verschillende religies.
Het boek lijkt te gaan over denkbeelden en ideologieën. Het is voor de rechtbank, zonder nadere duiding, niet vast te stellen of het boek materiaal betreft geschikt om kennis op te doen om terroristische misdrijven te kunnen plegen.
Ten aanzien van de in de telefoon van de verdachte aangetroffen foto’s met de IS vlaggen, de IS-patch op de jas en de vragen die de verdachte heeft gesteld aan ChatGPT over het kalifaat en IS, is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan worden gezien als het vergaren van kennis of vaardigheden voor het plegen van een terroristische aanslag in de zin van artikel 134a Sr.
Onderdeel C. één of meer video’s naar iemand sturen waarin de verdachte met een zakmes zwaait en waarin op de achtergrond een nasheed te horen is.
De verdachte heeft een video van zichzelf gemaakt en naar een vriend gestuurd, waarin hij met een IS-nasheed meezingt en met een mes steekbewegingen maakt richting de camera. Er zijn twee versies van deze video, met twee verschillende nasheeds op de achtergrond. In de eerste video is een tekst te horen waarin gesproken wordt over het kwaad van de ongelovigen en waarin opgeruid wordt tot geweld jegens ongelovigen: zo wordt er gezegd ‘jouw zwaard roept vandaag’ en ‘scheur het ongeloof van de vijanden uiteen’ en ‘verdrijf hun uit mijn land’. In de tweede video wordt onder meer gesproken over het volk van de strijd en schade.
De rechtbank is van oordeel dat dit materiaal geen trainingshandelingen opleveren in de zin van artikel 134a Sr.
Onderdeel D. op één of meer websites zoeken naar wapens
De verdachte heeft op Marktplaats gezocht op ‘pistol’, ‘pistool antiek’ en ‘spijkerpistool’. Op Temu heeft de verdachte gezocht naar walkie-talkies, bivakmutsen, een tactisch vest en een opvouwbaar mes. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen als het vergaren van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf.
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie.
Dat de verdachte interesse heeft in extremistisch jihadistisch gedachtengoed is op grond van hetgeen in zijn telefoon is aangetroffen aannemelijk en geeft reden tot zorg. Nu de gedragingen, zoals die onder A tot en met D zijn ten laste gelegd, naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen trainingshandelingen opleveren in de zin van artikel 134a Sr, dient de verdachte reeds daarom eveneens te worden vrijgesproken van feit 2.