ECLI:NL:RBROT:2026:5312
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs deelname terroristische organisatie en training
De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 april 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van deelname aan een terroristische organisatie en deelname aan terroristische training in de periode van augustus 2024 tot maart 2025. Een belangrijke procedurele vraag was of het openbaar ministerie ontvankelijk was, omdat het niet had voldaan aan een rechterlijke opdracht om het procesdossier te vertalen. De rechtbank oordeelde dat het openbaar ministerie ondanks deze weigering ontvankelijk bleef, omdat de verdachte voldoende toegang had tot essentiële processtukken via een tolk en zijn advocaat.
De inhoudelijke beoordeling richtte zich op de bewijsvoering omtrent de deelname aan de terroristische organisatie Islamitische Staat en de training. De rechtbank vond dat het bewijs niet wettig en overtuigend was voor deelname aan de organisatie. Ook de gedragingen die als training werden aangemerkt, zoals het lid zijn van een Telegramkanaal, het bezitten van bepaalde video's en het zoeken naar wapens, werden niet als voldoende bewijs gezien voor het opzet en de uitvoering van terroristische training.
De rechtbank concludeerde dat de verdachte weliswaar interesse had in jihadistisch gedachtengoed, maar dat dit niet gelijkstaat aan het volgen van een terroristische training in de zin van artikel 134a Sr. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van beide ten laste gelegde feiten. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, aangezien deze eerder was geschorst.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan terroristische organisatie en terroristische training wegens onvoldoende bewijs.