De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een baby van anderhalve maand vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging veroorzaakt door de problematiek van de moeder, waaronder middelengebruik, een licht verstandelijke beperking en instabiele huisvesting. De moeder verblijft sinds kort bij haar vader, die haar ondersteunt, maar de situatie is nog pril en er bestaat twijfel over de duurzaamheid.
De moeder erkent de problematiek deels, stelt dat het met de baby goed gaat en dat de zorgen over haar andere kinderen niet meer spelen. Zij is gestopt met middelengebruik en vraagt om afwijzing of een kortere duur van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de baby ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om toezicht te houden en hulpverlening te monitoren. De beschikking wordt voor de duur van twaalf maanden gegeven en is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep.
De beslissing is genomen na een zitting met gesloten deuren en is op 21 april 2026 uitgesproken door kinderrechter D.G.J. Roset. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.