Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5387

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/10/714460 / KG ZA 26-117
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 RvArt. 843a RvArt. 194 RvArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzagevordering in conservatoir bewijsbeslag wegens ontbreken spoedeisend belang

De gemeente Dordrecht heeft conservatoir bewijsbeslag gelegd op stukken van Ballast Nedam Ontwikkelingsmaatschappij B.V. (BNO) en vordert inzage in deze stukken om haar verweer in een lopende hogerberoepsprocedure voor te bereiden en mogelijke eigen vorderingen te beoordelen. De rechtbank overweegt dat de inzagevordering niet als voorlopige bewijsverrichting kan worden aangemerkt omdat er al een procedure in hoger beroep loopt tussen partijen.

De rechtbank benadrukt dat de nieuwe regeling inzake inzagerecht (artikelen 194-195a Rv) sinds 1 januari 2025 van toepassing is, maar dat de lopende hogerberoepsprocedure onder het oude bewijsrecht valt. De gemeente kan zich in die procedure tot het hof wenden voor inzage, maar heeft onvoldoende concreet gemaakt dat het hof haar verzoek niet tijdig zou behandelen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is voor de inzagevordering in dit kort geding, mede omdat de stukken in bewaring zijn gegeven en de gemeente haar verweer in hoger beroep kan voeren zonder deze inzage. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom een nieuwe bodemprocedure spoedeisend is. De vordering wordt daarom afgewezen en de gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten van BNO.

Uitkomst: De vordering van de gemeente tot inzage in de inbeslaggenomen stukken wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714460 / KG ZA 26-117
Vonnis in kort geding van 8 mei 2026
in de zaak van
GEMEENTE DORDRECHT,
zetelend in Dordrecht,
eiseres,
advocaten: mrs. M.B. Klijn, R.R. Verkerk en A.N. Faber,
tegen
BALLAST NEDAM ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde,
advocaten: mrs. T.R.B. de Greve, D.C. Orobio de Castro en P.M. de Vos.
Partijen worden hierna de gemeente en BNO genoemd.
De zaak in het kort
De gemeente heeft ten laste van BNO conservatoir bewijsbeslag gelegd. De inbeslaggenomen stukken zijn afgegeven aan een gerechtelijk bewaarder. In dit kort geding vordert de gemeente dat zij inzage krijgt in de stukken. Volgens de gemeente heeft zij de stukken nodig om haar verweer in de hogerberoepsprocedure tussen partijen voor te kunnen bereiden, om te beoordelen of zij eventueel eigen vorderingen tegen BNO in kan stellen, en om haar kansen in de procedure(s) tegen BNO in te kunnen schatten.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de gemeente af.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 6 februari 2026, met producties 1 tot en met 19,
  • de aanvullende producties 20 en 21 van de gemeente,
  • de akte in het geding brengen producties, nadere specificatie belang bij inzage in stukken van de gemeente, met producties 22 tot en met 32,
  • de partiële conclusie van antwoord van BNO, met producties 1 tot en met 43,
  • de akte gedeeltelijke reactie conclusie van antwoord van de gemeente, met producties 33 tot en met 62,
  • de aanvullende producties 44 en 45 van BNO,
  • de pleitnotities van mr. Klijn,
  • de spreekaantekeningen van mr. De Greve.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2026.

2.De feiten

2.1.
In 2019 organiseert de gemeente een marktselectieprocedure voor de ontwikkeling van het Gezondheidspark in Dordrecht (hierna: het project). Het project omvat de verkoop van een bestaande parkeergarage en vijf kavels (hierna: het onroerend goed) ten behoeve van een gefaseerde uitbreiding van de parkeergarage (fase 0) en de bouw van woningen (fasen 1, 3a, 3b en 4). De gemeente gunt het project aan BNO.
2.2.
Op 22 juni 2021 sluiten de gemeente en BNO een ‘Ontwikkelovereenkomst Middenzone Gezondheidspark gemeente Dordrecht’ (hierna: de ontwikkelovereenkomst). Daarin leggen partijen vast dat de gemeente voornemens is om het onroerend goed aan BNO te verkopen, zodat BNO het project kan ontwikkelen. Na goedkeuring van het definitief ontwerp voor de fasen 0 en 1 gaan partijen over tot het sluiten van vervolgovereenkomsten, die na overeenstemming tussen partijen worden vastgesteld. De verkoop en levering van het onroerend goed vindt plaats conform de vervolgovereenkomsten. De ontwikkelovereenkomst bepaalt verder dat de gemeente het onroerend goed exclusief voor BNO reserveert voor een periode van 18 maanden voor de fasen 0 en 1 en 36 maanden voor de fasen 3a, 3b en 4. Voor deze reservering is BNO een vergoeding van € 968.000,00, inclusief omzetbelasting, aan de gemeente verschuldigd, die, in geval van verkoop en levering aan BNO, op de koopsom in mindering wordt gebracht. Indien binnen de reserveringsperiode geen gronduitgifte aan BNO plaatsvindt, vervalt de reserveringsvergoeding aan de gemeente. De gemeente heeft in dat geval ook het recht om de ontwikkelovereenkomst geheel dan wel gedeeltelijk te beëindigen.
2.3.
Na het sluiten van de ontwikkelovereenkomst onderhandelen de gemeente en BNO over vervolgovereenkomsten. Daarbij wordt de duur van de reservering voor de fasen 0 en 1 tweemaal verlengd, eerst tot 22 februari 2023 en vervolgens tot 31 maart 2023. Partijen bereiken over de vervolgovereenkomsten geen overeenstemming.
2.4.
Bij brief van 14 april 2023 beëindigt de gemeente de ontwikkelovereenkomst gedeeltelijk, voor de fasen 0 en 1, onder meer op de grond dat de (verlengde) duur van de reservering voor die fasen is overschreden.
2.5.
Bij dagvaarding van 5 juni 2023 maakt BNO bij deze rechtbank een procedure tegen de gemeente aanhangig. Daarin vordert zij primair nakoming van de ontwikkelovereenkomst door middel van levering aan haar van het onroerend goed en subsidiair ontbinding van de ontwikkelovereenkomst, terugbetaling van de reserveringsvergoeding en schadevergoeding. De gemeente voert verweer.
2.6.
Bij vonnis van 1 mei 2024 (hierna: het vonnis) wijst de rechtbank de vorderingen van BNO af. De overwegingen van de rechtbank kunnen als volgt worden samengevat. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de vervolgovereenkomsten. Zonder dat kan de gemeente niet worden veroordeeld tot levering van het onroerend goed. Uit de ontwikkelovereenkomst vloeit wel een verplichting voort om te goeder trouw over de vervolgovereenkomsten te onderhandelen, maar van die verplichting heeft BNO geen nakoming gevorderd. De subsidiaire vordering heeft BNO met name gebaseerd op het verwijt dat de gemeente de totstandkoming van de vervolgovereenkomsten heeft gefrustreerd door te eisen dat zij de nieuwe parkeergarage zelf mocht kopen, nadat de belegger die de garage van BNO zou kopen was afgehaakt. BNO heeft de onderhandelingen echter zelf tot een breekpunt gebracht door zich te verzetten tegen indexatie van de koopprijs voor het onroerend goed. BNO heeft niet voldoende concreet onderbouwd dat de gemeente niet wilde meebewegen omdat zij erop uit was de nieuwe parkeergarage zelf te kopen. De ontwikkelovereenkomst is dus geëindigd voor de fasen 0 en 1. Daarom vervalt de reserveringsvergoeding voor deze fasen aan de gemeente.
2.7.
Bij brief van 25 juni 2024 laat de gemeente aan BNO weten dat zij ook het resterende deel van de ontwikkelovereenkomst (fasen 3a, 3b en 4) beëindigt.
2.8.
Op 23 juli 2024 stelt BNO bij het hof Den Haag hoger beroep in tegen het vonnis. Vooruitlopend op het indienen van de memorie van grieven dient BNO een verzoek in tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (ex artikel 186 (oud) Rv) en inzage in stukken (ex artikel 843a (oud) Rv). Daaraan legt BNO onder meer ten grondslag dat zij informatie wil vergaren om het vonnis te ontkrachten. Zo is BNO het niet eens met het oordeel dat zij onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat de gemeente erop uit was de nieuwe parkeergarage zelf te kopen en om die reden niet mee wilde bewegen.
2.9.
Bij beschikking van 19 augustus 2025 (hierna: de beschikking) wijst het hof de verzoeken van BNO gedeeltelijk toe. Zo beveelt het hof een voorlopig getuigenverhoor van in totaal tien getuigen. Ook veroordeelt het hof de gemeente tot afgifte van schone versies van bepaalde, in de beschikking genoemde stukken.
2.10.
BNO dient bij de gemeente tevens verzoeken tot informatie in op grond van de Woo. De gemeente deelt naar aanleiding daarvan en op grond van de beschikking 1.343 documenten en circa 2.000 WhatsAppberichten met BNO.
2.11.
Bij (aangepast) verzoekschrift van 5 december 2025 verzoekt de gemeente de voorzieningenrechter in deze rechtbank om verlof tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag op in- en uitgaande e-mailcorrespondentie (inclusief bijlagen) en gesprekken/conversaties/chats (inclusief bijlagen) op berichtenservices zoals WhatsApp en Signal op de zakelijke accounts/telefoonnummers van onder meer de [functie 1] ( [functionaris 1] ), [functie 2] ( [functionaris 2] ) en [functie 3] ( [functionaris 3] ) van BNO. Daarbij verzoekt zij tot afgifte van de inbeslaggenomen stukken aan een gerechtelijk bewaarder. De gemeente legde aan dat verzoek onder meer ten grondslag dat zij een vordering tot schadevergoeding op BNO heeft en op een later moment een separate procedure jegens BNO aanhangig wenst te maken. Samengevat stelt de gemeente dat het juist BNO is geweest die de onderhandelingen over de vervolgovereenkomsten opzettelijk heeft gefrustreerd, vanwege veranderende marktomstandigheden, en thans onrechtmatig procedeert in hoger beroep door het opwerpen van vertragingen (het indienen van de Woo-verzoeken en preprocessuele bewijsverrichtingen).
2.12.
Bij beschikking van 10 december 2025 verleent de voorzieningenrechter het gevraagde verlof. Daarbij wordt bepaald dat de inbeslaggenomen stukken in bewaring dienen te worden gegeven aan DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris).
2.13.
Op 3 februari 2026 legt de deurwaarder op verzoek van de gemeente ten laste van BNO conservatoir bewijsbeslag. Daarbij worden data op de smartphones van [functionaris 1] , [functionaris 2] en [functionaris 3] in beslag genomen. De deurwaarder geeft de in beslaggenomen stukken vervolgens in bewaring aan DigiJuris.
2.14.
Op 26, 27 en 31 maart 2026 en 6 april 2026 vinden bij het hof de voorlopige getuigenverhoren plaats. De gemeente ziet af van contra-enquête.
2.15.
In opdracht van BNO doorzoekt en analyseert Forvis Mazars Forensic & Investigations Services B.V. (hierna: Forvis Mazars) de inbeslaggenomen stukken. In haar rapport van 13 april 2026 staat dat daarbij geen aanwijzingen zijn gevonden dat BNO de onderhandelingen bewust heeft geprobeerd te vertragen of beëindigen, bijvoorbeeld vanwege gewijzigde marktomstandigheden of interne financiële overwegingen.
2.16.
In hoger beroep staat de zaak op de rol voor memorie van grieven op 26 mei 2026.

3.Het geschil

3.1.
De gemeente vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. BNO veroordeelt om te gedogen en al datgene te doen wat nodig is om mogelijk te maken dat de gemeente inzage krijgt in:
primair: alle stukken waarop bewijsbeslag is gelegd, met dien verstande dat gegevens die mogelijk onder het verschoningsrecht vallen eruit worden gefilterd,
subsidiair: een door de voorzieningenrechter te bepalen selectie van stukken,
2. bepaalt dat de deurwaarder wordt aangewezen als vertegenwoordiger van BNO en in die hoedanigheid gerechtigd is, al dan niet met behulp van DigiJuris, de stukken op doelmatige wijze te selecteren en aan de gemeente ter beschikking te stellen,
3. BNO veroordeelt in de proceskosten, inclusief de kosten van het bewijsbeslag.
3.2.
BNO voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, niet-ontvankelijkheid van de gemeente dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
In geval van toewijzing van de inzagevordering verzoekt BNO de voorzieningenrechter om 1) aan de gemeente een mededelingsverbod op te leggen, versterkt met een dwangsom van € 1 miljoen per overtreding, 2) de gemeente te bevelen om alle kosten ex artikel 194 Rv Pro te dragen en die kosten vooraf te voldoen en 3) daaraan de voorwaarde te verbinden dat de gemeente de kosten van Forvis Mazars van € 135.000,00 betaalt.

4.De beoordeling

4.1.
De gemeente vordert inzage van de inbeslaggenomen stukken, met uitzondering van de stukken die onder het verschoningsrecht vallen. Volgens de gemeente moet haar verzoek worden aangemerkt als een verzoek voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in de artikelen 196 en 197 Rv. BNO verzet zich op materiële gronden tegen inzage (zij beroept zich onder meer op een meer omvattend verschoningsrecht), maar werpt ook formele verweren op. Volgens BNO kan de inzagevordering uitsluitend in de hogerberoepsprocedure worden ingesteld. Daarnaast weerspreekt zij dat de gemeente een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.
4.2.
Op 1 januari 2025 is de nieuwe regeling voor het inzagerecht in werking getreden (de artikelen 194-195a Rv). Artikel 194 Rv Pro geeft een algemeen, buitengerechtelijk recht aan een partij bij een rechtsbetrekking, op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (lid 1). Daartegenover staat een algemene verplichting van degene die over die gegevens beschikt om deze aan de andere partij te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten (lid 2). Artikel 195 Rv Pro bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel, waarbij de voorwaarden en uitzonderingen van artikel 194 Rv Pro gelden. De nieuwe regeling ziet op verzoeken
in lopende procedures, die op of na 1 januari 2025 aanhangig zijn gemaakt.
4.3.
BNO heeft op 23 juli 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, dus voor de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Daarmee is op inzagevorderingen in de hogerberoepsprocedure artikel 843a (oud) Rv van toepassing (zie ook het door BNO ingediende verzoekschrift en de daarop gegeven beschikking). De gemeente heeft te kennen gegeven dat zij om die reden in het hoger beroep een incidentele vordering tot inzage onder het oude bewijsrecht heeft ingesteld, echter ‘zekerheidshalve’ en met het verzoek om die vordering niet in behandeling te nemen zolang dit kort geding loopt. De gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de conclusie inmiddels was ingediend, maar dat de griffie telefonisch had laten weten dat deze zou zijn geweigerd. Verdere informatie hierover is niet gegeven, zodat onduidelijk is wat de status hiervan is.
4.4.
Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter
voorafgaand aaneen procedure op verzoek van een belanghebbende voorlopige bewijsverrichtingen bevelen, waaronder het horen van getuigen en het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens. Artikel 197 lid 1 Rv Pro bepaalt dat het verzoek kan worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn om van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt. Een inzageverzoek (vordering) kan in spoedeisende gevallen ook aan de voorzieningenrechter worden gedaan (artikel 197 lid 1 Rv Pro, laatste zin).
4.5.
De gemeente heeft dit kort geding ingestoken als een vordering tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting. De inzagevordering heeft volgens de gemeente namelijk deels betrekking op een eventueel door haar nog aanhangig te maken procedure tegen BNO. Maar er loopt in dit geval al een procedure bij het hof, en de gemeente heeft als een van de hoofdredenen voor het verkrijgen van inzage aangevoerd dat zij in het hoger beroep op basis van een deugdelijke feitelijke grondslag verweer wil kunnen voeren. Nu de inzagevordering daarmee dus vooral betrekking heeft op een lopende procedure, kan deze vordering niet, en in ieder geval niet primair, als een voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in artikel 196 Rv Pro worden aangemerkt.
4.6.
Op grond van de laatste zin van artikel 197 lid 1 Rv Pro kan in spoedeisende gevallen een inzagevordering ook aan de voorzieningenrechter worden voorgelegd. De gemeente beroept zich op deze bepaling. Zij grondt haar inzagevordering in dit kort geding niet op artikel 843a (oud) Rv. Het is, nu we te maken hebben met relatief nieuw bewijsrecht, nog niet helemaal uitgekristalliseerd in de jurisprudentie of het slot van artikel 197 lid 1 Rv Pro ook geldt in geval van een lopende procedure. Dit kan in deze zaak echter in de midden blijven, omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een spoedeisend geval. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.6.1.
De inbeslaggenomen stukken zijn aan DigiJuris in bewaring gegeven. De stukken blijven daar, totdat in rechte wordt beslist of de gemeente daar kennis van mag nemen.
De voorzieningenrechter volgt BNO in haar betoog dat er op dit moment geen reden is om de gemeente met spoed inzage in de stukken te verschaffen.
De gemeente heeft gesteld dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar inzagevordering om de noodzaak en haalbaarheid van een door haar in te stellen bodemprocedure te kunnen bepalen. Daarbij heeft zij gewezen op feitenrechtspraak waarin is aangenomen dat bij inzagevorderingen waarbij (nog) geen bodemprocedure is ingesteld, het spoedeisend belang reeds daarmee is gegeven.
De gemeente miskent hiermee echter dat al een procedure tussen partijen - in hoger beroep - loopt. Juist omdat de gemeente als een van de hoofdredenen voor het verkrijgen van inzage heeft aangevoerd dat zij in het hoger beroep op basis van een deugdelijke feitelijke grondslag verweer wil kunnen voeren, en omdat de gemeente, als zij in die procedure toestemming krijgt om de inbeslaggenomen stukken in te zien, daarmee tevens de stukken in handen krijgt die zij nodig zegt te hebben om de noodzaak en haalbaarheid van een nieuwe bodemprocedure jegens BNO te kunnen bepalen, is het niet gewenst dat de voorzieningenrechter de hoger beroepsprocedure doorkruist met een inhoudelijke beoordeling van de inzagevordering. Dit geldt temeer nu de spoedeisendheid van die nieuwe, tegen BNO te beginnen procedure op zichzelf niet met inhoudelijke argumenten is onderbouwd.
4.6.2.
Voor zover de gemeente de stukken dus nodig heeft voor het opstellen van haar memorie van antwoord in het hoger beroep, meent de voorzieningenrechter dat de gemeente zich daartoe tot het hof kan en moet wenden op basis van een vordering ex artikel 843a (oud) Rv. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente erop gewezen dat een informatieverzoek de procedure bij het hof alleen maar verder zou vertragen omdat de behandeling daarvan al snel een jaar in beslag neemt. Dit betekent echter niet dat de gemeente reeds daarom het spoedeisend belang heeft dat vereist is voor een inhoudelijke beoordeling van haar vordering in dit kort geding. De gemeente heeft ook niet concreet gemaakt dat het hof haar niet (tijdig) in haar informatieverzoek wil ontvangen.
Verder rijst de vraag waarom de gemeente in de hogerberoepsprocedure nog niet in actie is gekomen. Zo had zij het zelfstandig inzageverzoek kunnen doen zónder daarbij het verzoek te doen om die vordering niet in behandeling te nemen zolang dit kort geding loopt, had zij een tegenverzoek kunnen doen in het kader van het door BNO gedane informatieverzoek, en had zij gebruik kunnen maken van haar recht op contra-enquête.
4.6.3.
De gemeente heeft verder gesteld dat zij de rechtszaken tegen BNO zo spoedig mogelijk tot een goed einde wil brengen, omdat deze de ontwikkeling van het project verhinderen. Dit strookt echter niet met haar stelling dat zij aan de hand van inzage in de inbeslaggenomen stukken wil onderzoeken of zij een vordering tot schadevergoeding op BNO heeft en daarvoor een nieuwe procedure tegen BNO wil beginnen. Daar komt bij dat de toewijzing van de inzagevordering in dit kort geding niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of de gemeente het project door een andere partij kan laten ontwikkelen. Dat kan de gemeente in beginsel namelijk al. Nu de rechtbank in het vonnis heeft beslist dat de gemeente gerechtigd was om de ontwikkelovereenkomst (gedeeltelijk) te beëindigen, moet er vooralsnog van worden uitgegaan dat het haar vrijstaat om het onroerend goed aan een derde te verkopen. Overigens heeft BNO tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven niet voornemens te zijn conservatoir beslag op de grond te leggen.
4.6.4.
Ten slotte heeft de gemeente gesteld dat zij met haar inzagevordering de huidige informatieongelijkheid wenst te corrigeren. Hoewel op zichzelf genomen juist is dat de gemeente op grond van verschillende Woo-verzoeken en de beschikking informatie aan BNO heeft verstrekt, miskent de gemeente hiermee haar positie als overheidsorgaan en het recht van een private partij om democratisch gelegitimeerde besluitvorming te controleren. Daarnaast dient zij uitvoering te geven aan de beschikking. Verder heeft de gemeente niet toegelicht waarom de volgens haar bestaande informatieasymmetrie met spoed zou moeten worden weggenomen. Voor zover zij de stukken nodig heeft voor het voeren van verweer in hoger beroep, kan zij zich, zoals reeds overwogen, in die procedure tot het hof wenden.
4.7.
Het vorenstaande betekent dat de vordering van de gemeente worden afgewezen.
4.8.
De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van BNO betalen. De proceskosten van BNO worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten [1]
189,00
Totaal
2.101,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de gemeente af,
5.2.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van BNO van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten, te rekenen vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026. [2971/638]

Voetnoten

1.plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.