Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5411

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/10/715987 / JE RK 26-439
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die in een pleeggezin verblijft. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, stemde in met het verzoek en gaf aan haar rol in het leven van de minderjarige te willen vergroten, met uitbreiding van omgangsmomenten.

De pleegouders onderschreven het verzoek en benadrukten de kwetsbaarheid van de minderjarige en het belang van een versterkte positie van de moeder. De pleegzorgbegeleider rapporteerde positieve ontwikkelingen in de zorg en het welzijn van de minderjarige, mede dankzij verbeterde samenwerking tussen betrokken partijen.

De kinderrechter constateerde dat geen verweer werd gevoerd tegen het verzoek en dat de hulpverlening noodzakelijk blijft. De moeder heeft vooruitgang geboekt en de samenwerking is verbeterd. De verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is daarom in het belang van de minderjarige en noodzakelijk voor diens verzorging en opvoeding.

De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken en op 21 april 2026 schriftelijk vastgelegd.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 20 april 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715987 / JE RK 26-439
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Dordrecht,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. Ch.J. Nicolaï, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam pleegzorgbegeleider],
de pleegzorgbegeleider van Enver, hierna te noemen: de pleegzorgbegeleider.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 februari 2026, ontvangen op 5 maart 2026;
  • het e-mailbericht met bijlage van mr. Ch.J. Nicolaï van 24 maart 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • de brief van de moeder van 23 maart 2026, ontvangen op 30 maart 2026;
  • de brief van de GI van 30 maart 2026 betreffende het verzoek over het aanmelden van informanten, ontvangen op diezelfde datum;
  • het toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming van 9 april 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de pleegouders;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] ;
  • de pleegzorgbegeleider.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 2] (de behandelaar van de moeder van Antes) en aan [naam 3] (de ambulant begeleider van de moeder van Antes).

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 20 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 20 april 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 20 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. De communicatie vanuit de GI is de afgelopen periode gebrekkig verlopen. De samenwerking tussen de GI en de pleegouders verliep stroef. Sinds enkele weken is een andere jeugdbeschermer betrokken en zijn herstelgesprekken gevoerd. De samenwerking tussen de betrokkenen loopt nu beter. De GI is voornemens om de komende periode een breder en actueler beeld te verkrijgen van de ontwikkeling en het welbevinden van [minderjarige] , zodat een perspectiefbesluit kan worden genomen en de omgang tussen de moeder en [minderjarige] waar mogelijk verder kan worden uitgebreid. Onlangs heeft een omgangsmoment bij de kinderboerdij plaatsgevonden en daar was iedereen positief over. Voor [minderjarige] is Integrale Vroeghulp ingezet, om te kijken wat hij in zijn ontwikkeling nodig heeft. Het verslag vanuit Integrale Vroeghulp dient nog te worden besproken met de moeder.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI. Na een stressvolle periode is de moeder schuldenvrij. Daarnaast volgt de moeder een opleiding en is zij vrijwilliger bij een stichting. De moeder is tevreden met het pleeggezin en ziet dat haar kinderen goed worden verzorgd. De moeder ziet in dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bijdraagt aan de ontwikkeling van [minderjarige] . Zij wil wel graag een actievere rol spelen in het leven van [minderjarige] . Er moet worden gekeken naar een manier waarop meer omgang tussen [minderjarige] en de moeder kan plaatsvinden. De moeder zou graag willen dat de omgangsmomenten ook bij haar thuis kunnen plaatsvinden.
4.2.
De pleegouders stemmen tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de GI. Zij geven aan teleurgesteld te zijn in de jeugdzorg, maar met de nieuwe jeugdbeschermer zijn in het belang van [minderjarige] de nodige stappen vooruit gezet. De pleegouders wensen voor de moeder en [minderjarige] dat de positie van de moeder kan worden versterkt. [minderjarige] is kwetsbaar en is snel van slag, maar hij kijkt ook uit naar de omgangsmomenten met de moeder.

5.De informatie

5.1.
De pleegzorgbegeleider brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. [minderjarige] is een kwetsbaar kindje en heeft veel zorg nodig, maar hij heeft de afgelopen periode positieve stappen gezet in zijn ontwikkeling en er is meer duidelijkheid gekomen over zijn gezondheid en wat hij nodig heeft. [minderjarige] is ingebed in het pleeggezin. Het is fijn om te merken dat bij de betrokkenen de neuzen nu dezelfde kant op staan en er vertrouwen is in de nieuwe jeugdbeschermer.

6.De beoordeling

6.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat geen verweer wordt gevoerd tegen het verzoek van de GI. De inzet van hulpverlening is voor [minderjarige] nog steeds nodig en een terugplaatsing bij de moeder is niet aan de orde. De moeder heeft wel grote stappen gezet en is actief bezig met haar herstel. De samenwerking tussen de moeder, de pleegouders, pleegzorg en de GI is de afgelopen periode verbeterd met de komst van de nieuwe jeugdbeschermer en het voeren van herstelgesprekken. Dat vormt een goede basis voor de komende periode. De aankomende periode zal in het teken staan van het vormen van het opvoedperspectief en de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] . De moeder staat erachter dat [minderjarige] in het pleeggezin woont en is dankbaar voor de pleegouders, maar zij zou haar eigen rol in het leven van [minderjarige] graag willen vergroten en de omgangsmomenten met [minderjarige] willen uitbreiden en anders vormgeven. Belangrijk is dat de mogelijkheden hiertoe worden onderzocht. Het belang van [minderjarige] is daarbij leidend.
6.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg daarom verlengen voor de duur van een jaar.
6.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 20 april 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 20 april 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.