De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die in een pleeggezin verblijft. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, stemde in met het verzoek en gaf aan haar rol in het leven van de minderjarige te willen vergroten, met uitbreiding van omgangsmomenten.
De pleegouders onderschreven het verzoek en benadrukten de kwetsbaarheid van de minderjarige en het belang van een versterkte positie van de moeder. De pleegzorgbegeleider rapporteerde positieve ontwikkelingen in de zorg en het welzijn van de minderjarige, mede dankzij verbeterde samenwerking tussen betrokken partijen.
De kinderrechter constateerde dat geen verweer werd gevoerd tegen het verzoek en dat de hulpverlening noodzakelijk blijft. De moeder heeft vooruitgang geboekt en de samenwerking is verbeterd. De verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is daarom in het belang van de minderjarige en noodzakelijk voor diens verzorging en opvoeding.
De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken en op 21 april 2026 schriftelijk vastgelegd.