Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5416

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/10/704788 / HA ZA 25-662
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 lid 3 BWArt. 7:759 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over kwaliteit en aanvaarding stucwerkzaamheden in nieuwbouwwoning

Deze zaak betreft een geschil tussen eisers en een aannemer over de kwaliteit van stucwerkzaamheden in een nieuwbouwwoning. Eisers stellen dat het stucwerk ondeugdelijk is en vorderen schadevergoeding en herstel. De aannemer betwist de gebreken en stelt dat het werk is aanvaard, waardoor zij niet langer aansprakelijk zou zijn.

De rechtbank stelt vast dat het stucwerk bij oplevering niet is aanvaard, mede omdat eisers onvoldoende kennis hadden om de gebreken te ontdekken en het enkele feit dat de woning werd geschilderd onvoldoende is voor aanvaarding. Ook na herstelwerkzaamheden is het stucwerk niet aanvaard, omdat eisers hun onvrede bleven uiten en niet onvoorwaardelijk akkoord gingen.

Gezien de betwisting over de kwaliteit benoemt de rechtbank een onafhankelijke deskundige om de staat van het stucwerk te beoordelen. Partijen mogen zich uitlaten over de deskundige en de te stellen vragen. De procedure wordt aangehouden tot het deskundigenrapport is uitgebracht, waarna de rechtbank zal oordelen over de tekortkoming en eventuele schadevergoeding.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het stucwerk niet is aanvaard en benoemt een onafhankelijke deskundige voor beoordeling, waarna verdere beslissing volgt.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

team handel en haven
Zaaknummer: C/10/704788 / HA ZA 25-662
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van

2 2. [eiser 2] ,

te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ., en afzonderlijk: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. J. Schutrups,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam] BOUW- EN AANNEMINGSBEDRIJF B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [naam] ,
advocaat: mr. I. van Leusden-Willemse.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de kwaliteit van de door een aannemer verrichte stucwerkzaamheden in de nieuwbouwwoning van eisers. De rechtbank verwerpt het betoog van de aannemer dat eisers de verrichte stucwerkzaamheden al hebben aanvaard. De aannemer is dus nog niet ontslagen van aansprakelijkheid voor mogelijke gebreken aan het stucwerk. Ten aanzien van de kwaliteit van de stucwerkzaamheden heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een onafhankelijke deskundige. Partijen, eerst eisers, mogen zich uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige en over de vragen die aan de deskundige moeten worden gesteld.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2025, met producties 1 tot en met 33;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
- het oproepingsbericht van de rechtbank van 19 november 2025;
- de akte overlegging producties van [gedaagden] ., met producties 34 en 35;
- de mondelinge behandeling van 20 april 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Op 13 oktober 2022 is tussen [gedaagden] . en [naam] een aannemingsovereenkomst (hierna: de Aannemingsovereenkomst) gesloten met betrekking tot de bouw van een vrijstaande woning op het perceel gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de Woning).
3.2.
Een onderdeel van de Aannemingsovereenkomst is het verrichten van stucwerkzaamheden door [naam] in de Woning.
3.3.
[naam] heeft haar werkzaamheden op 20 december 2023 opgeleverd aan [gedaagden] .
3.4.
Over de kwaliteit van de door [naam] verrichte stucwerkzaamheden in de Woning is onenigheid ontstaan tussen [gedaagden] . en [naam] .

4.Het geschil

4.1.
[gedaagden] . vorderen dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
( i) voor recht verklaart dat [naam] jegens [gedaagden] . toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de Aannemingsovereenkomst;
(ii) [naam] veroordeelt tot betaling van vervangende schadevergoeding ter hoogte van
€ 31.661,00, althans ter hoogte van € 30.250,00, althans een door de rechtbank in goede
justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot en met de dag van de volledige betaling;
(iii) [naam] veroordeelt tot betaling van aanvullende schadevergoeding ter hoogte van
€ 170.794,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot en met de dag van de volledige
betaling;
Subsidiair:
(iv) voor recht verklaart dat [naam] jegens [gedaagden] . toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de Aannemingsovereenkomst;
( v) [naam] veroordeelt tot betaling van vervangende schadevergoeding nader op te maken bij staat;
(vi) [naam] veroordeelt tot betaling van aanvullende schadevergoeding nader op te maken bij staat;
Meer subsidiair:
(vii) voor recht verklaart dat [naam] jegens [gedaagden] . toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de Aannemingsovereenkomst;
(viii) [naam] veroordeelt om de gebreken zoals deze nu blijken uit het rapport van TBA van 11 september 2024 en het rapport van Keuringsdienst voor Wonen van 16 februari 2025, conform een door [gedaagden] ., althans een door de rechtbank aan te wijzen deskundige op te stellen plan van aanpak en planning, zodanig te herstellen dat het Werk alsnog beantwoordt aan de Aannemingsovereenkomst;
(ix) voor recht verklaart dat de gebreken niet eerder als hersteld zullen worden aangemerkt dan dat de onder (vi) bedoelde deskundige de gebreken – na het drogingsproces en na de inspectie van het Werk – als afdoende deugdelijk hersteld heeft beoordeeld;
In alle gevallen:
( x) [naam] veroordeelt tot betaling van de kosten van de door [gedaagden] . ingeschakelde
deskundigen ad € 1.010,00 en € 1.180,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat
bedrag vanaf 1 oktober 2024, althans vanaf de datum van de dagvaarding, althans vanaf een
door de rechtbank te bepalen datum, tot en met de dag van de volledige betaling;
(xi) [naam] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en – indien voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening, tot de datum van de volledige betaling.
4.2.
[naam] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagden] . in hun vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, kosten rechtens en, voor zover mogelijk, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.De beoordeling

Inleiding
5.1.
Aan de vordering van [gedaagden] . ligt het standpunt ten grondslag dat het door [naam] aangebrachte stucwerk in de Woning niet voldoet aan de normen die zijn overeengekomen. [naam] is daarom tekort geschoten in de nakoming van haar verbintenis onder de Aannemingsovereenkomst. De vordering is het totaalbedrag aan (vervangende en aanvullende) schade die [gedaagden] . stellen te hebben geleden als gevolg van die tekortkoming.
5.2.
[naam] betwist dat het stucwerk ondeugdelijk is. Ook betwist zij de hoogte van de schade, waarbij [naam] mede een beroep doet op artikel 7:759 lid 2 BW Pro. Als meest verstrekkende verweer stelt [naam] zich op het standpunt dat [gedaagden] . het stucwerk hebben aanvaard.
Het stucwerk is bij gelegenheid van de oplevering niet aanvaard
5.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie aan welke norm het stucwerk dient te voldoen. In de technische omschrijving, die onderdeel is van de contractstukken, is opgenomen dat het stucwerk “sausklaar” moet zijn en “conform oppervlaktebeoordelingscriteria groep 1.” Met deze beoordelingscriteria wordt gedoeld op de criteria zoals die zijn beschreven door TBA. De beschrijving van de beoordelingscriteria en de wijze waarop stucwerk moet worden beoordeeld zijn als producties door partijen in het geding gebracht (productie 10 bij dagvaarding respectievelijk productie 2 bij conclusie van antwoord) en staan evenmin ter discussie.
5.4.
Op 20 december 2023 heeft de oplevering van het overeengekomen werk plaatsgevonden. Bij die oplevering zijn geen opmerkingen gemaakt over het stucwerk. [gedaagden] . stellen dat het stucwerk toen nog niet kon worden beoordeeld, omdat het nog niet (volledig) droog was. [naam] betwist dit en wijst erop dat de schilder van [gedaagden] . al vanaf november 2023 aan het sausen was, terwijl dat niet zou kunnen als het stucwerk nog nat was. Kennelijk bedoelt [naam] hiermee te betogen dat, nu bij de oplevering geen opmerkingen zijn gemaakt over het stucwerk, [gedaagden] . dat stucwerk hebben aanvaard. De rechtbank verwerpt dit standpunt en licht dit als volgt toe.
5.5.
Op grond van artikel 7:658 lid 3 BW Pro is de aannemer ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het moment van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Kennelijk meent [naam] dat eiseres de gestelde gebreken aan het stucwerk bij de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. De stelplicht voor feiten die deze conclusie kunnen rechtvaardigen ligt bij [naam] . Zij beroept zich immers op de rechtsgevolgen van die feiten, namelijk ontslag van aansprakelijkheid.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat [naam] onvoldoende concrete feiten heeft gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat [gedaagden] . de gestelde gebreken aan het stucwerk ten tijde van de oplevering hadden moeten ontdekken. Daarbij moet worden bedacht dat het hier gaat om in zekere mate specialistisch werk dat moet voldoen aan gedetailleerd beschreven vereisten. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] . zélf over de vereiste kennis van zaken beschikken om dit te kunnen beoordelen of dat zij zich bij de oplevering door een deskundige hebben laten bijstaan. Anders dan [naam] heeft aangevoerd, is het enkele feit dat [gedaagden] . het stucwerk in gebruik hebben genomen – door hun schilder gelegenheid te geven het stucwerk te schilderen – onvoldoende om aan te nemen dat het werk is aanvaard.
5.7.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagden] . het stucwerk bij gelegenheid van de oplevering niet hebben aanvaard en dat [naam] dus niet is ontslagen van aansprakelijkheid voor mogelijke gebreken aan dat stucwerk.
Het stucwerk is na herstelwerkzaamheden niet alsnog aanvaard
5.8.
Vast staat dat [gedaagden] . op 29 januari 2024 voor het eerst hebben geklaagd over de kwaliteit van het stucwerk. Vervolgens heeft [naam] herstelwerkzaamheden doen uitvoeren. Hierbij is het stucwerk niet volledig overgedaan, maar is het plaatselijk gerepareerd. Bij e-mailbericht van 22 februari 2024 heeft [eiser 1] aan [naam] laten weten nog altijd niet tevreden te zijn over het stucwerk. Vervolgens heeft op 26 februari 2024 een ontmoeting plaatsgevonden in de Woning, waarbij het stucwerk is besproken. Daarna heeft [naam] drie wanden in de Woning in hun geheel opnieuw gestukadoord.
5.9.
[naam] stelt dat [gedaagden] . na dit laatste herstelwerk alsnog akkoord zijn gegaan met het stucwerk. Daartoe voeren zij aan dat op 26 februari 2024 is afgesproken dat drie wanden opnieuw zouden worden gestukadoord en dat de schilder de Woning zou sausen als [gedaagden] . met het stucwerk akkoord waren. Omdat de schilder de Woning daadwerkelijk heeft gesausd, kan het volgens [naam] niet anders dan dat [gedaagden] . met het stucwerk akkoord zijn gegaan.
5.10.
De rechtbank verwerpt dit betoog.
5.11.
In de eerste plaats geldt dat niet kan worden aangenomen dat [gedaagden] . op 26 februari 2026 onvoorwaardelijk akkoord zijn gegaan met het opnieuw stukadoren van (slechts) drie wanden om de gestelde gebreken te verhelpen. Uit whatsapp-berichten van 27 en 28 februari 2024 blijkt dat [gedaagden] . ervan uitgingen dat vier wanden opnieuw gestukadoord zouden worden. Weliswaar zegt de heer [naam] , de bestuurder van [naam] , in diezelfde chat dat “de afspraak” was dat er drie wanden gedaan zouden worden, maar [naam] heeft geen enkel concreet feit gesteld waaruit volgt dat die afspraak inderdaad is gemaakt. Het feit dat [eiser 1] al een dag later spreekt over vier wanden, ondersteunt de gestelde afspraak vanzelfsprekend niet.
5.12.
In de tweede plaats is van belang dat [eiser 1] op 1 maart 2024 zijn zorgen heeft geuit over de vraag of het opnieuw stukadoren van drie wanden tot het gewenste resultaat leidt. Daarbij heeft hij ook uitdrukkelijk vermeld “in ieder geval ergens volgende week” met (de bestuurder van) [naam] “door de woning” te willen lopen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat dit niet is gebeurd. Wél heeft [eiser 1] op 16 maart 2024 gevraagd om contact over “vervolg stuc werk en scheuren”.
5.13.
Gelet op deze gang van zaken kan niet worden aangenomen dat [gedaagden] . het (herstelde) stucwerk hebben aanvaard. Alles wijst erop dat [gedaagden] . niet gerust waren op het resultaat en na het opnieuw stukadoren ook niet tevreden waren. Bovendien is duidelijk dat zij [naam] hierover steeds op de hoogte hebben gehouden. Bij deze stand van zaken is het enkele feit dat [gedaagden] . de schilder gelegenheid hebben gegeven de Woning opnieuw te sausen onvoldoende om daaraan het gevolg te kunnen verbinden dat zij het stucwerk (alsnog) hebben aanvaard. Dat het sausen van het stucwerk (en het ook anderszins inrichten van de Woning) mogelijk andere gevolgen heeft voor het uiteindelijke oordeel in deze zaak, maakt dat niet anders.
5.14.
Al met al is de conclusie dat het stucwerk ook op een later moment niet door [gedaagden] . is aanvaard.
De rechtbank zal een deskundige benoemen
5.15.
[gedaagden] . menen dat het stucwerk niet deugt. Zij hebben dit standpunt voldoende onderbouwd aan de hand van een rapport van een deskundige van TBA. [naam] heeft betwist dat zij ondeugdelijk werk heeft geleverd. Ook deze betwisting heeft zij voldoende onderbouwd, met name door concrete kritiek op de kwaliteit van het onderzoek van de deskundige. Hierbij is van belang dat [gedaagden] . [naam] geen gelegenheid hebben geboden om bij het onderzoek van de deskundige aanwezig te zijn.
5.16.
Gegeven de (voldoende gemotiveerde) betwisting door [naam] staat dus nog niet vast dat het stucwerk niet voldoet aan de overeengekomen norm. De rechtbank heeft op dit punt behoefte aan voorlichting door een onafhankelijke deskundige. Partijen krijgen gelegenheid om zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol voor het nemen van een akte, eerst door [gedaagden] . en daarna door [naam] . De rechtbank verzoekt partijen met elkaar te overleggen over de persoon van de deskundige en de stellen vragen zodat zo mogelijk een eenduidig voorstel kan worden gedaan. Dit komt de voortgang van de procedure uiteraard ten goede. Het voorschot van de deskundige zal door [gedaagden] . moeten worden betaald.
Het vervolg van de procedure: eventueel debat over de hoogte van de schade
5.17.
Nadat de te benoemen deskundige rapport heeft uitgebracht, zal de rechtbank een oordeel geven over de deugdelijkheid van het stucwerk. Als het oordeel inhoudt dat het stucwerk niet voldoet, is daarmee gegeven dat [naam] is tekort geschoten in de nakoming van haar verbintenis. In dat geval is zij aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [gedaagden] . geleden schade. Anders dan [naam] heeft bepleit, geldt voor dat geval dat [naam] in verzuim is geraakt. Het e-mailbericht van [gedaagden] . van 24 september 2024 geldt als een ingebrekestelling. De daarin geboden termijn om tot herstel over te gaan, is weliswaar wat kort, maar moet worden bezien tegen de achtergrond van de al sinds maart 2024 lopende discussie tussen partijen over de kwaliteit van het stucwerk nadat herstelwerkzaamheden waren verricht.
5.18.
Met het oog op het eventuele debat over de hoogte van de schade overweegt de rechtbank al vast het volgende.
5.19.
Het is aan [gedaagden] . om de geleden schade te onderbouwen. Blijft voldoende onderbouwing van een bepaalde post achterwege, dan kan in zoverre niet worden vastgesteld dat [gedaagden] . schade hebben geleden en/of dat die schade in redelijkheid moet worden toegerekend aan de tekortkoming van [naam] . Daarnaast is van belang dat een zeer aanzienlijk deel van de vordering betrekking heeft op kosten die verband houden met het leeghalen en opnieuw inrichten (met maatwerkmeubels) van de Woning. Deze kosten vloeien voort uit de keuze van [gedaagden] . om de Woning al volledig in te richten op een moment dat zij al klachten hadden over het stucwerk en ook wisten dat dit dispuut nog niet was opgelost. Dit is een keuze die in hun risicosfeer ligt. Hieraan doet in beginsel niet af dat [gedaagden] . onder tijdsdruk stonden om te gaan verhuizen en inmiddels afspraken hadden gemaakt met meubelleveranciers. Daarom slaagt het beroep van [naam] op eigen schuld van [gedaagden] . Als eigen schuld moet immers ook worden beschouwd handelen in strijd met de verplichting om schade te beperken. Een definitief oordeel over de omvang van de schade en de mate van eigen schuld houdt de rechtbank aan tot na het deskundigenbericht. In dat verband kan dan zo nodig ook het beroep van [naam] op artikel 7:759 lid 2 BW Pro aan de orde komen.
5.20.
Gelet op wat de rechtbank in r.o. 5.19 heeft overwogen, ligt het voor de hand om de deskundige ook vragen te stellen over de kosten van noodzakelijk herstel van eventueel ondeugdelijk stucwerk. De rechtbank verzoekt partijen dit te betrekken in hun voorstellen voor aan de deskundige te stellen vragen.
5.21.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 3 juni 2026voor het nemen van een akte door [gedaagden] . als vermeld in r.o. 5.16 en 5.20;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
901/1980