Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5431

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717488 / JE RK 26-636
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en onmacht moeder

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2017, vanwege zorgen over zijn ontwikkeling en opvoedsituatie. Dit volgde op een incident waarbij de halfzus van de minderjarige alleen thuis werd aangetroffen en uit onderzoek bleek dat er sprake was van huiselijk geweld in het verleden en een problematische gehechtheidsrelatie tussen de moeder en de minderjarige.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De moeder en vader spraken Tigrinja, waarvoor een beëdigde tolk werd ingezet. De minderjarige werd gehoord en zijn verhaal werd besproken.

De Raad constateerde dat de moeder, belast met het ouderlijk gezag, door een onbehandeld trauma niet in staat is om adequaat te reageren in stressvolle situaties, wat de ontwikkeling van de minderjarige bedreigt. Er zijn zorgen over angstklachten, leer- en gedragsproblemen bij de minderjarige. De vader is actief betrokken en biedt een veilige omgeving tijdens omgangsweekenden.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en verlengde deze voor negen maanden, waarbij de beslissing direct uitvoerbaar werd verklaard. De moeder stemde in met het verzoek en de gecertificeerde instelling onderschreef het belang van ondersteuning en regievoering over de hulpverlening.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor negen maanden en verklaart de beschikking direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717488 / JE RK 26-636
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder ],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 1 april 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
  • de vader;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de Raad, [naam 1] en [naam 2] ;
  • een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna te noemen: de GI), [naam 3] .
1.3.
Aangezien de moeder en de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Tigrinja, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 4] , tolk in de taal Tigrinja. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het verzoek als volgt toe. De Raad is een onderzoek gestart naar de opvoedsituatie van [minderjarige] (en zijn 2-jarige halfzusje), nadat zijn halfzusje midden in de nacht door de politie alleen thuis werd aangetroffen. Uit het raadsonderzoek is gebleken dat [minderjarige] vroeger huiselijk geweld heeft meegemaakt tussen de ouders. Verder bestaan er zorgen over de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de moeder. Er is pedagogische ondersteuning aangevraagd via het wijkteam om hierop meer zicht te krijgen, maar deze is niet van de grond gekomen. Bij [minderjarige] zijn er signalen van angstklachten als gevolg van het langlopende conflict tussen de moeder en de buurvrouw en er bestaan zorgen over de leer- en gedragsontwikkeling van [minderjarige] . Hij loopt achter op school en er zijn signalen van mogelijke sensorische overgevoeligheid. De Raad ziet een liefdevolle band tussen de moeder en [minderjarige] , maar maakt zich zorgen over het functioneren van de moeder op momenten van stress. De moeder heeft een traumatische achtergrond waar zij geen behandeling voor heeft gehad en er is een patroon zichtbaar waarin de moeder op zulke momenten niet in staat is om adequaat te reageren en te voldoen aan de behoeften van [minderjarige] . Er is op dit moment geen vrijwillige hulpverlening bij de moeder en [minderjarige] betrokken en het is gebleken dat de moeder niet in staat is om op eigen initiatief hulpverlening te zoeken of te continueren. Er is een jeugdbeschermer nodig die regie voert over de in te zetten hulpverlening, zoals passende behandeling voor de angstklachten van [minderjarige] , traumabehandeling voor de moeder en het starten van een urgentieprocedure voor een andere woning. [minderjarige] gaat om het weekend en in de vakanties naar de vader. Daar verbleef hij ook in de nacht van het incident met zijn halfzusje. Het is een beschermende factor dat de vader van [minderjarige] actief betrokken is en hem een veilige omgeving biedt.

4.De standpunten

De GI is het eens met het verzoek van de Raad. Het is van belang dat de moeder wordt ondersteund bij het starten van een urgentieprocedure en dat de passende hulpverlening wordt ingezet voor zowel de moeder als voor [minderjarige] .
4.2.
De moeder stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de Raad. Zij maakt zich zorgen over het langlopende conflict met de buurvrouw en wil voorkomen dat [minderjarige] hier meer angstklachten aan overhoudt. De moeder is bereid mee te werken aan alles wat nodig is in het belang van [minderjarige] .
5.
De informatie
5.1.
De vader brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. De vader merkt dat [minderjarige] last heeft van het conflict met de buurvrouw. Zo wordt hij tijdens het logeren meermaals wakker van nachtmerries. De vader heeft goed contact met [minderjarige] en met de moeder. Hij wil [minderjarige] formeel erkennen en gezag aanvragen.

6.De beoordeling

6.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De basiszorg voor [minderjarige] is in een stabiele periode in orde, maar in momenten van stress is een patroon zichtbaar waarin de moeder niet in staat is om adequaat te reageren en te voldoen aan de behoeften van [minderjarige] . De oorzaak daarvan is mogelijk gelegen in onbehandeld trauma van de moeder. Bij [minderjarige] zijn er zorgen over zijn leer- en gedragsontwikkeling. Het Centrum voor Jeugd en Gezin heeft door de jaren heen meerdere keren zorgen geuit over de spraak- en taalontwikkeling van [minderjarige] . In het verleden is [minderjarige] aangemeld bij Enver waar bekeken zou worden welke type onderwijs het meest geschikt voor hem zou zijn, maar dat traject is niet van de grond gekomen vanwege vervoersproblemen. Daarnaast geldt dat [minderjarige] angstklachten heeft ontwikkeld. Duidelijk is dat de moeder veel van [minderjarige] houdt, maar dat zij op dit moment onmachtig is om in het vrijwillig kader hulpverlening te zoeken of te continueren. De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat de betrokkenheid van de GI de komende periode nodig is, zodat er regie gevoerd kan worden over de in te zetten hulpverlening voor [minderjarige] (speltherapie vanwege zijn angstklachten) en de moeder (vanwege onbehandeld trauma) en dat de moeder wordt ondersteund in de procedure voor het verkrijgen van een urgentieverklaring voor een andere woning.
6.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht stellen voor de duur van negen maanden.
6.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 29 april 2026 tot 29 januari 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers, en op schrift gesteld op 11 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.