De officier van justitie verzocht om verlenging van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan een psychotische stoornis passend bij schizofrenie. Betrokkene vertoont wanen en achterdocht jegens haar buren en dreigt dakloos te worden door een uithuiszetting. Hoewel betrokkene bereid is tot samenwerking met ambulante zorg, verzet zij zich tegen verplichte medicatie.
Tijdens de mondelinge behandeling stelde betrokkene dat zij wilsbekwaam is en dat het verzet tegen verplichte zorg moet worden gehonoreerd. De behandelaar benadrukte het risico op agressie en de noodzaak van medicatie, maar erkende dat vrijwillige behandeling op dit moment te vroeg is.
De rechtbank oordeelde dat er geen acuut levensgevaar of gevaar voor de algemene veiligheid is en dat betrokkene wilsbekwaam is. Gezien het voldoende toegelichte bezwaar en het ontbreken van situaties als bedoeld in artikel 2:1 lid 6 WvggzPro, werd het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging wordt afgewezen vanwege wilsbekwaam verzet en het ontbreken van acuut levensgevaar of gevaar voor anderen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/717735 / FA RK 26-2768
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 28 april 2026 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1958, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Lodder te Rotterdam.
1.Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 7 april 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door [persoon A] , psychiater, van 1 april 2026;
de zorgkaart van 26 februari 2026;
het zorgplan van 26 februari 2026;
het plan van aanpak van betrokkene van 23 maart 2026;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan en het plan van aanpak;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
het bericht dat er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De onafhankelijke psychiater en de geneesheer-directeur hebben beiden beoordeeld dat het plan van aanpak van betrokkene onvoldoende is om het ernstig nadeel af te wenden.
1.3.
Op 23 april 2026 heeft de rechtbank per e-mailbericht om een toelichting van de onafhankelijke psychiater gevraagd. Aanleiding hiervoor was de medische verklaring waaruit de wilsbekwaamheidsbeoordeling volgt dat betrokkene wilsbekwaam is met als toelichting dat acuut levensgevaar voor betrokkene dreigt, dan wel een aanzienlijk risico voor een ander of een gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Deze nadeelsvormen zijn in de categorieën van het ernstig nadeel niet aangekruist.
1.4.
Op 24 april 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht van Antes ontvangen, waaruit blijkt dat het niet tijdig gaat lukken om een toelichting te ontvangen van de onafhankelijk psychiater gezien zijn afwezigheid tot 28 april 2026.
1.5.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 28 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met haar hiervoor genoemde advocaat;
[persoon B] , psychiatrisch verpleegkundige, verbonden aan Antes (hierna: de behandelaar).
1.6.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2.Beoordeling
2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 is op grond van artikel 6:4 WvggzPro een zorgmachtiging verleend tot en met 15 mei 2026. De officier heeft op 7 april 2026 een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden.
2.2.
Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten psychotische gevoeligheid passend in het beloop van schizofrenie, en uit het verzoekschrift blijkt dat het gedrag van betrokkene als gevolg van de psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, dat bestaat uit of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
2.3.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat betrokkene wanen en achterdocht heeft richting haar buren. Zij ervaart last van haar buren die haar treiteren. Volgens betrokkene heeft de wooncoöperatie al vanaf 2007 haar niet beschermd tegen de buren die zorgen voor overlast, vervuiling van haar huis en het kapot maken van haar spullen. Hierdoor ervaart betrokkene veel angst, stress en boosheid. Betrokkene wordt door een rechtszitting per 1 mei 2025 uit huis gezet, waardoor zij dakloos dreigt te worden. Betrokkene toont geen reflectie op haar gedragingen die tot deze situatie hebben geleid. Daarnaast heeft betrokkene een verleden met zorgmijding. Verplichte zorg is toen nodig geweest om behandeling vorm te kunnen geven. Zij is bereid tot samenwerking met de ambulante zorg, maar heeft weerstand tegen de depotmedicatie. Zij vindt de depotmedicatie een te zwaar middel.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling vertelt betrokkene dat zij een huis in Zeist heeft gevonden. Daarnaast zegt betrokkene graag te willen samenwerken met de behandelaren. Zij wil graag afbouwen met de medicatie, omdat ze veel last heeft van de bijwerkingen. De behandelaar vertelt dat zij de positieve effecten van de medicatie op betrokkene zien. Betrokkene wil inmiddels weer meer samenwerken met vrienden en familie en toont minder weerstand. De behandelaar vindt het te vroeg om de medicatie af te bouwen gezien de verhuizing en de overdracht naar nieuwe behandelaren in Zeist. Hij wil eerst een stabiele situatie voor betrokkene en vindt een vrijwillige behandeling te vroeg.
2.5.
Namens betrokkene wordt primair afwijzing van het verzoek bepleit. De advocaat voert aan dat sprake is van wilsbekwaam verzet tegen de voorgestelde verplichte zorg, nu niet uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene wilsonbekwaam is. Het wilsbekwaam verzet moet worden gehonoreerd aangezien er geen sprake is van acuut levensgevaar, een aanzienlijk risico voor ernstig nadeel voor een ander dan wel gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. De onafhankelijke psychiater heeft deze categorieën van ernstig nadeel in de medische verklaring niet aangekruist. Daarnaast is het in de medische verklaring omschreven ernstig nadeel onvoldoende om te kunnen spreken van acuut levensgevaar, ernstig nadeel voor een ander of gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen, aldus de advocaat.
Namens betrokkene wordt subsidiair afwijzing van het verzoek bepleit, omdat voldoende basis is voor vrijwilligheid. Betrokkene wil meewerken aan behandeling en samenwerken met behandelaren. Ze zegt niet te stoppen met de medicatie, maar is kritisch vanwege de bijwerkingen.
Tijdens de mondelinge behandeling zegt betrokkene ook van mening te zijn dat geen sprake is van schizofrenie maar van PTSS met psychose gevoeligheid.
2.6.
De behandelaar voert daartegen aan dat het acute levensgevaar is gelegen in het risico dat betrokkene door anderen wordt aangevallen, omdat betrokkene zo agressief was naar anderen. Betrokkene heeft zich in het verleden heel conflictueus opgesteld richting haar buren. Het gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen is terug te vinden in het feit dat betrokkene uit haar huis is gezet vanwege haar gedrag. Als zij in haar nieuwe huis opnieuw conflicten krijgt met haar buren, heeft dit gevolgen voor betrokkene zelf, haar huis en haar financiën.
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten eerste is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan de gestelde diagnose te twijfelen. De enkele ontkenning door betrokkene is hiervoor onvoldoende. De rechtbank volgt verder wel het primaire verweer van de advocaat.
2.7.1.
De Hoge Raad overweegt in de uitspraak van 4 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:123) het volgende. De rechter moet de wilsbekwaamheid beoordelen in het geval dat een betrokkene tijdens de procedure tot het verlenen van een zorgmachtiging een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg én zich geen situaties als bedoeld in art. 2:1 lidPro 6, aanhef en onder b, Wvggz voordoen.
2.7.2.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een voldoende toegelicht bezwaar tegen de verzochte vormen van verplichte zorg. De rechtbank zal nagaan of zich één of meerdere situaties als bedoeld in art. 2:1 lidPro 6, aanhef en onder b, Wvggz, voordoen. Wanneer die zich niet voordoen, zal de wilsbekwaamheid van betrokkene aan de orde komen.
2.7.3.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling kan de rechtbank niet vaststellen dat de agressie die betrokkene uitlokt zo ernstig is dat er sprake is van acuut levensgevaar voor betrokkene in de zin dat anderen haar, vanwege haar gedrag, het leven zouden willen benemen. Niet gesteld of gebleken is dat dat dergelijke situaties zich zelfs maar bij benadering hebben voorgedaan. Daarnaast acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat de conflicten met de buren leiden tot gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Dat de buren betrokkene als uiterst irritant ervaren, zo zelfs dat een uithuiszetting gerechtvaardigd is, betekent niet dat het gedrag van betrokkene ook gevaar voor haar buren oplevert. De rechtbank is daarom van oordeel dat zich in het geval van betrokkene geen situatie als bedoeld in artikel 2:1, lid 6, aanhef en onder b, Wvggz, voordoet. De vormen van ernstig nadeel, zoals voortvloeien uit het verzoekschrift, veroorzaken alleen een aanmerkelijke kans op schade – niet zijnde acuut levensgevaar – voor betrokkene zelf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 2:1 lidPro 6, aanhef en onder b Wvggz.
2.7.4.
De rechtbank stelt vast dat uit de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater blijkt dat betrokkene in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan deze verklaring en gaat daarom mee in het verweer van betrokkene. Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het wilsbekwaam verzet moet worden gehonoreerd. De rechtbank wijst om die reden het verzoek af.
3.Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 28 april 2026 mondeling gegeven door mr. J. van Driel, rechter, in tegenwoordigheid van E.Y.H. Graafsma, griffier, en op 12 mei 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.