Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5562

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717069 / KG ZA 26-292
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.3 Wet brpArt. 2.39 Wet brpArt. 2.43 Wet brpArtikel 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming gezamenlijke huurwoning na relatiebeëindiging toegewezen

Partijen hadden een relatie en huurden samen een woning sinds februari 2025. Na beëindiging van de relatie ontstond een huurachterstand en spanningen, waarbij de gedaagde zijn betalingsverplichtingen niet nakwam.

In een eerdere procedure waren afspraken gemaakt over betaling van de huur en het verlaten van de woning per 1 september 2026, maar de gedaagde betaalde geen huur vanaf maart 2026 en loste de achterstand niet af. De eiseres vorderde ontruiming van de woning en betaling van de huur.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de eiseres bij exclusief gebruik van de woning zwaarder weegt dan dat van de gedaagde, mede vanwege het belang van het kind en de zorgverdeling. De gedaagde krijgt vier weken om te vertrekken en moet de helft van de huur betalen vanaf 1 maart 2026 tot vertrek.

De vordering tot uitschrijving uit de basisregistratie personen werd afgewezen omdat de gedaagde geen nieuw adres heeft. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Gedaagde moet binnen vier weken de gezamenlijke huurwoning verlaten en de helft van de huur vanaf 1 maart 2026 betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717069 / KG ZA 26-292
Vonnis in kort geding van 24 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. R. Kuijer,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.E. van der Pols.

1.De zaak in het kort

[eiseres] vordert in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de gezamenlijke huurwoning te verlaten. Deze vordering wordt toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis vier weken de tijd krijgt om de woning met zijn spullen te verlaten. [gedaagde] moet tevens de helft van de huur betalen vanaf 1 maart 2026, totdat hij de woning heeft verlaten.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 31 maart 2026, met producties 1 tot en met 11;
- producties 12 en 13 van [eiseres] .
2.2.
Op 15 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen en hun advocaten waren daarbij aanwezig.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en zijn samen de ouders van [kind] , geboren op [geboortedag] 2025.
3.2.
Partijen huren sinds 18 februari 2025 de woning aan het adres [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).
3.3.
In een eerder door [eiseres] gestart kort geding hebben partijen ter zitting op 2 maart 2026 onder meer de volgende afspraken gemaakt:
“l. Partijen blijven tot 1 september 2026 samen in de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) te [woonplaats] wonen. De man betaalt de lopende huur vanaf 1 maart 2026 tot 1 september 2026 rechtstreeks aan de verhuurder. De man stuurt de vrouw een betalingsbewijs als hij een huurtermijn heeft betaald.
2. De man schrijft zich per 1 september 2026 uit van het adres van de woning in de BRP en ontruimt die woning vóór diezelfde datum.
3. Partijen stellen vast dat er op dit moment een huurachterstand bestaat van vier maanden. Partijen spreken af dat ieder van hen 50% van die huurachterstand (dus twee maanden huur ieder) rechtstreeks betaalt aan de verhuurder. Partijen sturen elkaar over en weer een betalingsbewijs als zij hun deel hebben betaald.”
3.4.
[gedaagde] heeft de lopende huur vanaf 1 maart 2026 niet betaald en de huurachterstand niet (geheel of gedeeltelijk) afgelost.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het [adres] in [woonplaats] te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking aan [eiseres] te stellen;
II. [gedaagde] te gebieden om zich binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis in de basisregistratie personen van de gemeente Spijkenisse uit te schrijven van het adres [adres] in [woonplaats] ;
III. te bepalen dat als [gedaagde] niet aan het onder II bedoelde gebod voldoet, dit vonnis in de plaats treedt van de uitschrijving in de basisregistratie personen;
IV. [gedaagde] te gebieden de huur vanaf 1 maart 2026 tot datum uitschrijving woning te voldoen;
V. te bepalen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 500,- per keer dat [gedaagde] zijn medewerking niet verleent aan het gevorderde onder I of II;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
4.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .
4.3.
Op de relevante stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

5.De beoordeling

[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
5.1.
[eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vorderingen. Partijen hebben in de vorige procedure afspraken gemaakt over de betaling van de huur en de huurachterstand. [gedaagde] komt deze afspraken niet na, waardoor de huurachterstand verder oploopt en ontruiming dreigt. De spanningen tussen partijen lopen ook verder op en dat is niet in het belang van [kind] en het kind van [eiseres] uit een vorige relatie. Met deze stellingen heeft [eiseres] het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang overigens ook niet betwist.
[gedaagde] moet de woning verlaten
5.2.
[gedaagde] betwist niet dat hij de afspraken over het betalen van (a) de helft van de huurachterstand en (b) de huur vanaf 1 maart 2026 niet is nagekomen. Hij voert aan dat hij deze afspraak niet kan nakomen, omdat hij van zijn uitkering na betaling van de huur en een betaling aan het CAK nog maar € 80,- per maand zou overhouden. Hij kan in dat geval niet in zijn levensonderhoud voorzien, omdat [gedaagde] zelf boodschappen moet doen. Volgens [gedaagde] komt [eiseres] namelijk haar deel van de logische afspraak niet na dat zij voor eten en drinken zou zorgen. [eiseres] betwist dat zij geen boodschappen voor [gedaagde] betaalt. Wat daar ook van zij, vaststaat dat [gedaagde] de op 2 maart 2026 gemaakte afspraken niet is nagekomen, ook niet gedeeltelijk. [gedaagde] heeft immers ook geen deelbetalingen aan de verhuurder verricht. Evenmin heeft hij contact met de verhuurder opgenomen om te proberen een betalingsregeling te treffen, wat [eiseres] naar zij onweersproken heeft gesteld wel heeft gedaan.
5.3.
Partijen zijn het erover eens dat zij niet meer gelijktijdig in de woning kunnen verblijven. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij zoveel mogelijk niet in de woning verblijft om confrontatie met [eiseres] te voorkomen en om de spanningen tussen hen niet verder te laten oplopen. Nu vaststaat dat partijen beiden medehuurder zijn van de woning, zijn zij in principe beiden gerechtigd tot het gebruik van de woning. [eiseres] wil dat [gedaagde] de woning verlaat, zodat zij alleen het gebruik van de woning heeft met uitsluiting van [gedaagde] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat een belangenafweging in het voordeel van [eiseres] uitvalt en licht dit als volgt toe.
5.4.
Uitgangspunt in deze, ook bij artikel 3 IVRK Pro passende, belangenafweging is dat minderjarige kinderen in ieder geval voorlopig in de woning blijven, samen met de ouder die het grootste deel van de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft. Niet in geschil is dat [eiseres] die ouder is. [eiseres] heeft immers ook de zorg voor haar zoon uit een eerdere relatie. [gedaagde] heeft weliswaar ook een kind uit een vorige relatie, maar deze minderjarige woont bij de moeder van [gedaagde] . [gedaagde] voert verder als verweer aan dat hij de woning heeft verkregen en als hij de woning moet verlaten, hij geen plek heeft om elders te verblijven. Dit maakt echter niet dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt. Partijen hebben een andere lezing over hoe zij de woning hebben verkregen en [gedaagde] moest, gelet op de op 2 maart 2026 gemaakte afspraak dat hij tot (uiterlijk) 1 september 2026 in de woning zou wonen, al op zoek naar een nieuwe woning. [eiseres] wijst ook op het financiële belang om toeslagen te kunnen aanvragen, wat volgens haar niet mogelijk is zolang [gedaagde] op het adres staat ingeschreven. [gedaagde] heeft dat niet weersproken en hij heeft ook geen actie ondernomen om tenminste een deel van de huur en/of huurachterstand te betalen. Al het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van [eiseres] bij het uitsluitend gebruik van de woning groter is dan dat van [gedaagde] .
5.5.
Dit betekent dat de vordering dat [gedaagde] de woning verlaat wordt toegewezen. De voorzieningenrechter acht de door [eiseres] gevorderde termijn waarbinnen [gedaagde] de woning moet verlaten onredelijk kort. Die termijn wordt gesteld op vier weken na betekening van het vonnis.
5.6.
De voorzieningenrechter acht de gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming begrijpelijk, maar zal deze desondanks niet toewijzen. [eiseres] kan de ontruiming zo nodig laten afdwingen door de deurwaarder. [gedaagde] heeft verschillende schulden, zodat het nog maar de vraag is of eventueel verbeurde dwangsommen geïnd kunnen worden.
De gevorderde uitschrijving van het adres wordt afgewezen
5.7.
[eiseres] vordert [gedaagde] te gebieden dat hij zich op het adres van de woning uitschrijft en als hij dit niet doet, te bepalen dat dit vonnis als vervanging van die uitschrijving geldt. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af en licht dit als volgt toe.
5.8.
Op grond van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) zijn personen die rechtmatig in Nederland verblijven verplicht om zich in te schrijven in de basisregistratie personen (hierna: brp). Uit artikel 1.3 Wet brp volgt dat de brp als doel heeft om overheidsorganen te voorzien van de in de registratie opgenomen gegevens. Een ingezetene heeft de verplichting melding te maken van een verhuizing (artikel 2.39 Wet brp). Een uitschrijving uit de brp door een persoon zelf is echter alleen mogelijk bij vertrek naar het buitenland voor een periode van langer dan acht maanden (artikel 2.43 Wet brp). [gedaagde] verblijft niet langdurig in het buitenland. Om die reden is er geen grond voor toewijzing van de vordering tot uitschrijving van het adres van de woning, in ieder geval zolang [gedaagde] geen nieuw vaste woonadres of eventueel een briefadres heeft gevonden. Dat geldt ook voor de vordering om dit vonnis in de plaats te laten treden van deze uitschrijving en de in dit verband gevorderde dwangsom. Vordering II, III en V van [eiseres] worden dus afgewezen.
5.9.
De voorzieningenrechter onderkent dat het belang van [eiseres] bij uitschrijving van [gedaagde] op het adres evident is. Zodra [gedaagde] zich heeft uitgeschreven, kan zij toeslagen aanvragen. Nu de ontruimingsvordering van [eiseres] wordt toegewezen, zal [gedaagde] op korte termijn moeten verhuizen. Op hem rust vervolgens de (publiekrechtelijke) plicht om zijn nieuwe adres door te geven aan de gemeente die het betreft. Daarnaast heeft [eiseres] de mogelijkheid om het adres in onderzoek te laten stellen zodra [gedaagde] vertrekt.
[gedaagde] moet de helft van de lopende huur gaan betalen
5.10.
[eiseres] vordert dat [gedaagde] vanaf 1 maart 2026 de gehele huur gaat voldoen tot het moment dat hij is uitgeschreven van het adres van de woning. Hoewel partijen deze afspraak in het vorige kort geding hebben gemaakt, heeft [gedaagde] onbetwist aangevoerd dat hij een penibele inkomenssituatie heeft en ook dat hij meerdere schulden heeft, waarvoor hij (hopelijk) binnenkort hulp zal ontvangen. De voorzieningenrechter acht betaling van de volledige huur door [gedaagde] gelet hierop en omdat partijen beiden huurders zijn, niet opportuun. De voorzieningenrechter wijst het mindere van het gevorderde toe en zal [gedaagde] gebieden om de helft van de huur te betalen vanaf 1 maart 2026 tot het moment dat hij de woning heeft verlaten. Hoewel dit niet is gevorderd, is het van belang dat [gedaagde] deze betaling rechtstreeks aan de verhuurder verricht.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.11.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen en omdat zij ex-partners zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan het [adres] in [woonplaats] binnen vier weken na betekening van dit vonnis met al zijn spullen te verlaten en door het afgeven van de sleutels ter vrije en algehele beschikking aan [eiseres] te stellen,
6.2.
gebiedt [gedaagde] om de helft van de huur te betalen vanaf 1 maart 2026 tot de datum waarop hij de woning verlaat,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart 6.1 en 6.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
3608/3194