Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
verweerder in reconventie,
1.[naam 2] ,
[naam 3],
1.De zaak in het kort
De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat de Overbouw een bestanddeel is van de woning van [buren 2] en dus hun eigendom is. Verder oordeelt de rechtbank dat [buren 2] een beroep toekomt op de overbouwregeling en dat [buur 1] moet meewerken aan vestiging van een erfdienstbaarheid, tegen betaling door [buren 2] van een schadeloosstelling van € 5.000,00 aan [buur 1] . Dat betekent dat de vorderingen in conventie van [buur 1] worden afgewezen en de vorderingen in reconventie van [buren 2] worden toegewezen.
2.De procedure
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10 ;
- de brief van de rechtbank van 29 oktober 2025 waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling;
3.De feiten
a) [naam 5] (…) wonende [adres 2] (…)
b) [naam 4] ( [naam 4] ; toevoeging rechtbank)
c) [naam 7] (…) wonende [adres 3] ,
werden de volgende erfdienstbaarheden gevestigd:
1. a) verleent aan b) het recht van overbouw ter plaatse van de eerste verdieping, een gedeelte van de noordelijke zolderruimte boven de werkplaats van a). Deze ruimte is ca. 3.8 m2. ;
4.De vordering in conventie
5.De vordering in reconventie
subsidiair:
6.De beoordeling
[buren 2] voeren op hun beurt aan dat de Overbouw een bestanddeel is van de Woning en daarmee tot hun eigendom behoort. Volgens [buren 2] is er op basis van artikel 5:54 BW Pro grond voor het legaliseren van de bestaande situatie in die zin dat een erfdienstbaarheid wordt gevestigd die hen toestaat de Overbouw op/boven het eigendom van [buur 1] te hebben. Daarnaast voeren [buren 2] aan dat [buur 1] misbruik van bevoegdheid maakt in de zin van artikel 3:13 BW Pro door het ter beschikking stellen van de Overbouw te eisen.
Dat is in de eerste plaats zo omdat de Woning en de Overbouw in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd (artikel 3:4 lid 1 BW Pro). Vanuit de Schuur is de Overbouw niet te bereiken. De Overbouw vormt één geheel met de Woning. In de Overbouw bevindt zich het trapgat waarmee vanaf de benedenverdieping de bovenverdieping van de Woning bereikt kan worden. Zonder de Overbouw is de bovenverdieping niet of niet veilig te bereiken zonder ingrijpende veranderingen door te voeren in de Woning. [buur 1] heeft dat in de stukken en op de zitting betwist, maar uit de met partijen op de zitting besproken bouwtekeningen volgt dat het praktisch niet mogelijk is om de bovenverdieping veilig te bereiken zonder de ruimte van de Overbouw. Door de Overbouw lopen bovendien diverse leidingen voor nutsvoorzieningen ten behoeve van de Woning.
Omdat de Overbouw bestanddeel is van de Woning, behoort deze samen met de Woning tot het eigendom van [buren 2]
Artikel 5:54 BW Pro is – voor zover hier van belang – evenwel niet toepasselijk wanneer de eigenaar van de overbouw kwade trouw of grove schuld kan worden verweten. Voor kwade trouw of grove schuld is in deze context volgens rechtspraak van de Hoge Raad een ernstig verwijt nodig [1] .
Indien aan de vereisten van artikel 5:54 BW Pro is voldaan, kan de eigenaar van de overbouw - tegen schadeloosstelling - een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand worden verleend of, ter keuze van de eigenaar van het erf waarboven de overbouw zich bevindt, een daartoe benodigd gedeelte van het erf worden overgedragen.
Ook de omstandigheid dat [buur 1] na aankondiging door [buren 2] dat zij de Woning gingen verbouwen, heeft meegedeeld dat hij bezig was zijn rechten te onderzoeken en [buren 2] toch zijn doorgegaan met de renovatie, is onvoldoende voor een dergelijk ernstig verwijt. Dat moet worden gezien tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste omstandigheden dat [buren 2] niet beter wisten dan dat de Overbouw onderdeel was van de Woning.
€ 189,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
€ 107,00(want samen met de conventie maximaal € 296,00,
plus de verhoging vermeld in de beslissing)
7.De beslissing
1861/1694