Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5621

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716582 / KG ZA 26-257
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming afspraken verkoop voormalige echtelijke woning na echtscheiding

Partijen waren gehuwd en zijn op 1 oktober 2025 gescheiden, waarbij afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, inclusief de voormalige echtelijke woning. Volgens deze afspraken zou de woning aan gedaagde worden toegedeeld indien hij deze kon financieren; anders moest de woning worden verkocht en de overwaarde gelijk verdeeld.

Eiseres vordert in kort geding dat gedaagde wordt veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde, omdat gedaagde niet aan zijn verplichtingen voldoet en de financiering niet rond heeft gekregen. Gedaagde verzoekt uitstel om te onderzoeken of hij het aandeel kan overnemen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres een spoedeisend belang heeft en dat de vordering in kort geding toewijsbaar is, omdat de afgesproken termijn voor financiering al lang is verstreken en gedaagde onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank veroordeelt gedaagde om binnen zeven dagen mee te werken aan de verkoop en levering van de woning, met de mogelijkheid dat het vonnis in de plaats treedt van de bemiddelingsovereenkomst en koopovereenkomst indien gedaagde niet tijdig meewerkt.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld om binnen zeven dagen mee te werken aan de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716582 / KG ZA 26-257
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. H. Durdu,
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. S. Kandemir.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen waren met elkaar gehuwd. Op 1 oktober 2025 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 7 november 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben in het kader van de echtscheidingsprocedure afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder over de verdeling van de voormalige echtelijke woning. In overeenstemming met die afspraken vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde. De vorderingen van [eiseres] worden grotendeels toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met vijf bijlagen;
- de conclusie van antwoord met twee bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] veroordeelt om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] aan (een) derde(n), waarbij [gedaagde] in ieder geval:
a. binnen zeven dagen na het vonnis samen met [eiseres] een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop met “ [bedrijf] ” aangaat onder de gebruikelijke voorwaarden van een NVM-makelaar;
b. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van [eiseres] opvolgt en alle medewerking verleent aan werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het bieden van gelegenheid voor foto’s en bezichtigingen door potentiële kopers, met de woning in zoveel mogelijk presentabele staat;
c. meewerkt aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst op eerste verzoek van [eiseres] , indien en voor zover:
- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs of een door partijen overeengekomen andere laatprijs,
- en een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal twee maanden na ondertekening, tenzij partijen schriftelijk anders overeenkomen, en
- de koopovereenkomst de gebruikelijke condities bevat;
d. meewerkt aan de levering van de woning op de afgesproken datum in de koopovereenkomst of een nader overeengekomen datum;
e. 50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met verkoop en levering, waaronder de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage kan worden verrekend met het aandeel van [gedaagde] in de overwaarde.
2. [gedaagde] veroordeelt om zijn medewerking te verlenen binnen een week na het vonnis en aan alle verplichtingen te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00.
3. bepaalt dat, indien [gedaagde] niet tijdig voldoet aan 1 onder a, c. en d., het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de bemiddelingsovereenkomst, koopovereenkomst of notariële akte van levering, waardoor blijkt dat [gedaagde] opdracht geeft tot verkoop en levering aan de koper.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Partijen hebben afspraken gemaakt die in de echtscheidingsbeschikking van 1 oktober 2025 zijn opgenomen. De afspraken over de verdeling van de woning komt [gedaagde] niet na. In de echtscheidingsbeschikking staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“3.4.1. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt over
afwikkeling van het huwelijksvermogensregime. Zij zijn het volgende overeengekomen:
-
de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) zal aan [gedaagde] worden toegedeeld onder de voorwaarde dat [gedaagde] in staat is deze toedeling te financieren. [gedaagde] krijgt twee maanden na de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand om nader onderzoek na te doen. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de hypothecaire schuld voor zijn rekening neemt. [gedaagde] zorgt er voor dat de bank [eiseres] ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De woning wordt getaxeerd door [bedrijf] , waarbij als de peildatum voor de waardering geldt de datum van de taxatie. De overwaarde van de woning (taxatiebedrag minus hypotheekschuld en kosten overdracht) wordt tussen partijen bij helfte gedeeld;
-
als [gedaagde] niet in staat is de toedeling van de woning aan hem te financieren en/of het ontslag van [eiseres] uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen, moet de woning worden verkocht. Bij verkoop van de woning aan een derde geldt dat partijen de overwaarde gelijkelijk zullen verdelen. De woning zal in beginsel ook worden verkocht door [bedrijf] . Mocht dit niet mogelijk zijn, dan kiezen partijen in onderling overleg een andere makelaar.”
3.3.
Volgens [eiseres] is het duidelijk dat [gedaagde] de woning niet wil of kan financieren en ook niet meewerkt aan de verkoop van de woning aan een derde. Inmiddels zijn partijen zes maanden verder en is er nog steeds geen duidelijkheid. In lijn met de gemaakte afspraken moet [gedaagde] nu meewerken met verkoop aan een derde.
3.4.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . [gedaagde] verzoekt uitstel van twee weken om uit te zoeken of hij het aandeel van [gedaagde] in de woning kan overnemen.

4.De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding
4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop het treffen van voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
De vorderingen van [eiseres] worden (deels) toegewezen
4.2.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiseres] grotendeels toe. Partijen hebben zelf een termijn afgesproken waarbinnen [gedaagde] de gelegenheid kreeg de woning over te nemen. De voorzieningenrechter merkt op dat op grond van die afspraak [gedaagde] uiterlijk 7 januari 2025 de financiering rond had moeten hebben. In de dagvaarding staat per abuis – zo neemt de voorzieningenrechter aan – 7 februari 2025 als uiterste datum op grond van de gemaakte afspraken. Dit betekent dat de met [gedaagde] afgesproken termijn al ruimschoots voorbij is.
4.3.
Partijen hebben ook afspraken gemaakt over wat er moet gebeuren als [gedaagde] de woning niet binnen de afgesproken termijn overneemt. In dat geval moet de woning worden verkocht aan een derde. [eiseres] mag [gedaagde] aan die afspraak houden. Met de vordering in deze zaak wil [eiseres] dat bereiken. Die vordering is daarom in beginsel toewijsbaar.
4.4.
[eiseres] heeft voldoende onderbouwd dat van haar niet kan worden verwacht dat zij gebonden blijft aan de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld, in afwachting van een eventuele beoordeling van de zaak in een bodemprocedure. Zoals op de mondelinge behandeling besproken, kan [eiseres] door deze situatie niet verder met haar leven omdat zij vanwege de huidige hoofdelijke aansprakelijkheid geen middelen heeft om een andere woonruimte te bekostigen. [eiseres] heeft daarom voldoende belang bij een voorziening in kort geding. Hieraan doet niet af, anders dan [gedaagde] meent, dat [eiseres] niet dakloos is omdat zij nog steeds in de woning woont. [eiseres] heeft voldoende concreet gesteld dat dit een onwenselijke situatie is.
4.5.
Daar komt bij dat uit de door [gedaagde] overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat hij pas in een (heel) laat stadium echt werk is gaan maken van de financieringsaanvraag. In april 2026 is [gedaagde] kennelijk nog steeds in gesprek met de hypotheekadviseur over de financiële mogelijkheden. Gezien de tussen partijen gemaakte afspraken, lag het op de weg van [gedaagde] om aanzienlijk voortvarender te werk te gaan. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt voor zijn risico.
De conclusie
4.6.
De conclusie is dat de vordering van [eiseres] tot veroordeling van [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning wordt toegewezen.
4.7.
De gevorderde indeplaatsstelling ten aanzien van de bemiddelingsovereenkomst, de koopovereenkomst en de leveringsakte wordt ook toegewezen. Gelet daarop heeft [eiseres] onvoldoende belang bij een dwangsom op die punten. Ten aanzien van het gevorderde onder b wordt geen dwangsom opgelegd, omdat dit gelet op de inhoud van die vordering gemakkelijk zal leiden tot executiegeschillen. De vordering onder e komt neer op een verklaring voor recht en is daarom in dit kort geding niet toewijsbaar.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.8.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de woning aan een derde, waarbij [gedaagde] in ieder geval de onder a tot en met d genoemde handelingen moet verrichten, zijnde:
a. binnen zeven dagen na het vonnis samen met [eiseres] een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop met “ [bedrijf] ” aangaan onder de gebruikelijke voorwaarden van een NVM-makelaar;
b. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van [eiseres] opvolgen en alle medewerking verlenen aan werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het bieden van gelegenheid voor foto’s en bezichtigingen door potentiële kopers, met de woning in zoveel mogelijk presentabele staat;
c. meewerken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst op eerste verzoek van [eiseres] , indien en voor zover:
- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs of een door partijen overeengekomen andere laatprijs,
- en een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal twee maanden na ondertekening, tenzij partijen schriftelijk anders overeenkomen, en
- de koopovereenkomst de gebruikelijke condities bevat;
d. meewerken aan de levering van de woning op de afgesproken datum in de koopovereenkomst of een nader overeengekomen datum;
5.2.
bepaalt dat, indien [gedaagde] niet tijdig voldoet aan 5.1. onder a, c. en d., het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de bemiddelingsovereenkomst, koopovereenkomst of notariële akte van levering, waardoor blijkt dat [gedaagde] opdracht geeft tot verkoop en levering aan de koper;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
4041/1980