Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5622

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717148 / KG ZA 26-299
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming vaststellingsovereenkomst afbouwwerkzaamheden aanbouw tussen buren

Partijen, buren, zijn in een geschil verwikkeld over de afbouwwerkzaamheden van een aanbouw bij eiser. Tijdens een eerder kort geding in februari 2026 zijn afspraken gemaakt die gedaagde volgens eiser niet nakomt, onder meer door extra eisen te stellen aan de uitvoering. Eiser vordert nakoming van deze afspraken met dwangsommen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft vanwege de onafgewerkte aanbouw die blootstaat aan weersinvloeden en mogelijke handhavingsmaatregelen van de gemeente. Gedaagde heeft niet weersproken dat hij de afspraken niet nakomt en heeft niet aangegeven zich niet langer gebonden te achten aan de vaststellingsovereenkomst.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe, waaronder het verlenen van toegang tot het perceel van gedaagde voor afbouwwerkzaamheden, met een dwangsom van €250 per dag tot maximaal €10.000. Ook wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het verwijderen en terugleggen van dakpannen wordt niet als werkzaamheden aan de gevel beschouwd, zodat gedaagde hiervoor een bodemprocedure moet starten indien hij betaling van de boete wenst.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gedaagde wordt veroordeeld tot nakoming van de gemaakte afspraken en betaling van de kosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot nakoming van de afspraken over afbouwwerkzaamheden met dwangsommen en betaling van kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717148 / KG ZA 26-299
Vonnis in kort geding van 1 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser] ,

2.
[eiseres],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. C.J.H. Anker,
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. C. Choy.
Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Deze zaak gaat over (de afbouwwerkzaamheden van) een aanbouw van [eisers] Dit geschil hebben partijen in februari 2026 ook al aan de voorzieningenrechter voorgelegd. Tijdens die mondelinge behandeling zijn partijen tot een regeling gekomen, maar die komt [gedaagde] volgens [eisers] niet na. [eisers] vorderen daarom nu – kort gezegd – dat [gedaagde] onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld tot nakoming van de tijdens de mondelinge behandeling gemaakte afspraken. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eisers] toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 36;
  • de aanvullende bijlage 37 van [eisers] ;
  • de bijlage van [gedaagde] ;
  • de mondelinge behandeling van 24 april 2026.

3.De vorderingen

3.1.
[eisers] vorderen – na een beperkte wijziging van vordering 4 tijdens de mondelinge behandeling – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van zijn verplichtingen op grond van het proces-verbaal van 20 februari 2026 door:
a. het verlenen van opdracht aan de heer [naam] van BMN De Klerk te Hardinxveld-Giessendam voor het uitvoeren van de nulmeting, waarbij beide partijen de helft van de kosten van deze nulmeting voldoen;
b. het verlenen van toestemming voor, medewerking aan en toegang tot zijn perceel voor het uitvoeren van de afbouwwerkzaamheden aan de aanbouw van [eisers] door [bedrijf] , zoals neergelegd in het werkplan, waaronder het verwijderen en weer terugdekken van de dakpannen van [gedaagde] ;
2. [gedaagde] veroordeelt om, steeds op eerste verzoek met een aankondiging op een termijn van 48 uur eraan voorafgaand, toe te staan dat [eisers] en de door hen ingeschakelde derden (waaronder de aannemer van [eisers] ) gebruik maken van het perceel van [gedaagde] , in het bijzonder de achtertuin, voor de door of namens [eisers] te verrichten en het te laten verrichten noodzakelijke afbouwwerkzaamheden aan hun aanbouw;
3. [gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] niet aan de onder 1. en 2. uitgesproken vorderingen voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt;
4. [gedaagde] verbiedt om in het geval van weghalen en terugleggen van de dakpannen van [gedaagde] aanspraak te maken op de overeengekomen boete van € 5.000,00 in het proces-verbaal, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00;
5. [gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
6. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, het salaris en nasalaris van de advocaat daaronder mede begrepen, waarbij het liquidatietarief met een factor 2 moet worden vermenigvuldigd, met de bepaling dat de proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

4.De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding
4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of [eisers] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop het treffen van voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
Spoedeisend belang
4.2.
[eisers] hebben gesteld en onderbouwd dat de aanbouw in onafgewerkte staat blootgesteld is aan regen en wind, waardoor een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. [eisers] hebben voorts gesteld en onderbouwd dat een dreiging bestaat voor handhavingsmaatregelen vanuit de gemeente. Zij hebben namelijk een tijdelijk bouwwerk op hun perceel staan dat dienst doet als tijdelijke opslag totdat de aanbouw is afgebouwd, waardoor kennelijk het maximaal toegestane bebouwde oppervlak van hun perceel wordt overschreden. Gelet hierop kan Van [eisers] niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. [eisers] hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook voldoende spoedeisend belang.
De vorderingen 1. tot en met 3. worden grotendeels toegewezen
4.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen tijdens de mondelinge behandeling van een eerder kort geding op 20 februari 2026 afspraken hebben gemaakt en dat van hen wordt verwacht dat zij die afspraken nakomen. [eisers] heeft echter gesteld en onderbouwd dat [gedaagde] dat niet doet en extra (want niet overeengekomen) eisen aan de uitvoering van de afbouwwerkzaamheden stelt. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. [gedaagde] heeft [eisers] (blijkbaar) ook niet laten weten dat en waarom hij zich niet (langer) aan de vaststellingsovereenkomst gebonden acht.
4.4.
Gelet op het voorgaande wordt vordering 1. toegewezen. De voorzieningenrechter wijst ook vordering 2. toe, met dien verstande dat daarin wordt opgenomen dat [gedaagde] moet toestaan dat [eisers]
en/ofde door [eisers] ingeschakelde derden gebruik maken van het perceel van [gedaagde] .
4.5.
Aangezien [gedaagde] de tussen partijen gemaakte afspraken tot nu toe niet ongeclausuleerd is nagekomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan de veroordelingen een dwangsom te verbinden. Die dwangsom geldt als (financiële) prikkel voor [gedaagde] om de veroordelingen na te komen. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om de dwangsommen te matigen, mede gelet op de omstandigheid dat partijen buren van elkaar zijn. De voorzieningenrechter verbindt aan ieder van de veroordelingen een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] daar niet aan voldoet, steeds met een maximum van € 10.000,00.
Vordering 4. wordt in aangepaste vorm toegewezen
4.6.
Met betrekking tot vordering 4. wordt het volgende overwogen. [gedaagde] heeft laten weten onderdeel 1. van de vaststellingsovereenkomst van 20 februari 2026 – kort gezegd de toezegging van [eisers] dat er in geen geval werkzaamheden in/aan de gevel van [gedaagde] zullen plaatsvinden en zij, als dat toch gebeurt, een direct opeisbare boete van € 5.000,00 verbeuren – zo uit te leggen dat het verwijderen en terugleggen van de dakpannen een werkzaamheid aan de gevel is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verwijderen en terugleggen van dakpannen geen werkzaamheid in/aan de gevel van [gedaagde] is. Gelet daarop wordt het [gedaagde] , als het mindere van het gevorderde, geboden om, wanneer hij meent dat dit er wel onder valt, desgewenst, (uitsluitend) een bodemprocedure aanhangig te maken om daarin betaling van de overeengekomen boete van € 5.000,00 te vorderen.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
4.7.
[eisers] vorderen onder 5. een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 925,00. [gedaagde] heeft deze vordering niet betwist, zodat de vordering wordt toegewezen.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter ziet in het verloop van dit geschil, en in het bijzonder het feit dat [gedaagde] is teruggekomen op de afspraken van 20 februari 2026 waardoor een nieuwe procedure met bijkomende kosten nodig was, aanleiding om het liquidatietarief voor complexe zaken toe te wijzen. De proceskosten van [eisers] worden met inachtneming daarvan begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.766,00
(tarief complexe zaken)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.447,94
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van zijn verplichtingen op grond van het proces-verbaal van 20 februari 2026 door:
  • het verlenen van opdracht aan de heer [naam] van BMN De Klerk te Hardinxveld-Giessendam voor het uitvoeren van de nulmeting, waarbij beide partijen de helft van de kosten van deze nulmeting voldoen;
  • het verlenen van toestemming voor, medewerking aan en toegang tot zijn perceel voor het uitvoeren van de afbouwwerkzaamheden aan de aanbouw van [eisers] door [bedrijf] , zoals neergelegd in het werkplan, waaronder het verwijderen en weer terugdekken van de dakpannen van [gedaagde] ,
op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om, steeds op eerste verzoek met een aankondiging op een termijn van 48 uur eraan voorafgaand, toe te staan dat [eisers] en/of de door hen ingeschakelde derden (waaronder de aannemer van [eisers] ) gebruik maken van het perceel van [gedaagde] , in het bijzonder de achtertuin, voor de door of namens [eisers] te verrichten en het te laten verrichten noodzakelijke afbouwwerkzaamheden aan hun aanbouw, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.3.
gebiedt [gedaagde] om, voor zover hij zich op het standpunt stelt dat het (doen) weghalen en terugleggen van dakpannen valt onder het in artikel 1 van Pro de overeenkomst van 20 februari 2026 opgenomen “werkzaamheden in/aan de muur/gevel” van [gedaagde] , een bodemprocedure aan te spannen om daarin betaling van de overeengekomen boete van € 5.000,00 te vorderen;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.447,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
4041/2009