ECLI:NL:RBROT:2026:569

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/10/713454 / HA RK 26-46
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een verschoningsverzoek in bestuursrechtelijke zaken

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beslissing genomen in een verschoningsverzoek van mr. A. Pahladsingh, rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Rotterdam, team bestuur. Het verzoek om zich te mogen verschonen betreft een aantal bestuursrechtelijke zaken met specifieke kenmerken. De rechter heeft aangevoerd dat er een schijn van partijdigheid kan ontstaan, omdat hij eerder een noot heeft geschreven over een rechtsvraag die ook in deze beroepszaken aan de orde is. Deze rechtsvraag betreft de verplichting van de IND om de bed-bad-broodregeling te handhaven op basis van het Unierecht. De rechtbank heeft de omstandigheden van het verzoek beoordeeld en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de rechter subjectief niet onpartijdig is. Echter, de rechtbank heeft ook vastgesteld dat de aangevoerde omstandigheden een objectieve vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Daarom is het verzoek van mr. A. Pahladsingh om zich te verschonen toegewezen. De beslissing is genomen door de verschoningskamer, bestaande uit de voorzitter en twee andere rechters, en is ondertekend op dezelfde datum.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor verschoningszaken
Zaak- en rekestnummer: C/10/713454 / HA RK 26-46
Beslissing van 21 januari 2026
op het verzoek van
mr. A. Pahladsingh,
rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Rotterdam, team bestuur (hierna: de rechter),
ertoe strekkende zich te mogen verschonen in de bestuursrechtelijke zaken met kenmerken
AWB 25/16876,
AWB 25/16952,
AWB 25/16953,
AWB 25/16955,
AWB 25/16956,
AWB 25/17031,
AWB 25/17036,
AWB 25/17037,
AWB 25/17051,
AWB 25/17059,
AWB 25/17071,
AWB 25/17084,
AWB 25/17085,
AWB 25/17145,
AWB 25/17178,
AWB 25/17180,
AWB 25/17183,
AWB 25/17184,
AWB 25/17187,
AWB 25/17190,
AWB 25/18125,
AWB 25/18643en
AWB 25/18646(hierna: de beroepszaken).

1.Het procesverloop en de processtukken

1.1.
De rechter maakt onderdeel uit van de meervoudige kamer die tijdens een zitting op 28 januari 2026 de beroepszaken zal behandelen.
1.2.
Op 18 januari 2026 heeft de rechter een schriftelijk verzoek tot verschoning gedaan.

2.Het verzoek en het verweer daartegen

2.1.
Als onderbouwing van het verzoek om verschoning heeft de rechter het volgende aangevoerd. Uit de stukken van de beroepszaken is gebleken dat tijdens de zitting de rechtsvraag centraal staat of de IND op grond van het Unierecht verplicht is om de zogenaamde bed-bad-broodregeling te handhaven. Deze rechtsvraag is ook aan de orde in een noot die de rechter naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geschreven. In die noot heeft de rechter diezelfde rechtsvraag al beantwoord. Verder wordt in die noot verwezen naar een artikel over deze kwestie van een universitair docent die, naar de rechter heeft begrepen, is aangemeld als getuige-deskundige namens eisers in de beroepszaken. Door dit alles vindt de rechter dat de schijn wordt gewekt dat zijn onpartijdigheid in het geding is, zodat hij verzoekt hem toe te staan zich te verschonen van de behandeling van de beroepszaken.

3.De beoordeling

3.1.
Verschoning is een middel om de onpartijdigheid van de rechter te verzekeren. Voorop staat dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.2.
Aan de door de rechter aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter – subjectief – niet onpartijdig is.
3.3.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden – objectief – gerechtvaardigd is.
3.4.
De door de rechter aangevoerde omstandigheid, in samenhang met het gegeven dat de rechter daarin aanleiding heeft gevonden zelf een verzoek in te dienen om zich te mogen verschonen van de verdere behandeling van de beroepszaken, levert naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor onder 3.3. bedoeld op.
3.5.
Het verzoek wordt om deze reden toegewezen.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
wijst toe het verzoek van mr. A. Pahladsingh om zich in de bestuursrechtelijke zaken met kenmerken AWB 25/16876, AWB 25/16952, AWB 25/16953, AWB 25/16955, AWB 25/16956, AWB 25/17031, AWB 25/17036, AWB 25/17037, AWB 25/17051, AWB 25/17059, AWB 25/17071, AWB 25/17084, AWB 25/17085, AWB 25/17145, AWB 25/17178, AWB 25/17180, AWB 25/17183, AWB 25/17184, AWB 25/17187, AWB 25/17190, AWB 25/18125, AWB 25/18643 en AWB 25/18646 te mogen verschonen.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en mr. J. van Dort, rechters, en door de voorzitter en de griffier ondertekend op 21 januari 2026.