ECLI:NL:RBROT:2026:5763

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
11918077 CV EXPL 25-21516
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:318 BWArt. 237 RvRichtlijn 2008/48Wet op het ConsumentenkredietBesluit kredietvergoeding
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kredietovereenkomst en verjaring vordering ING Bank afgewezen

De zaak betreft een geschil tussen [de man] en ING Bank over de vraag of een kredietovereenkomst bestaat en of de vordering van ING Bank is verjaard. [de man] vordert primair een verklaring dat geen kredietovereenkomst bestaat en subsidiair dat de vordering is verjaard. ING Bank vordert betaling van het openstaande bedrag.

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat een kredietovereenkomst is gesloten, onder meer omdat [de man] zelf een brief met leningnummer aan de voorganger van ING Bank heeft gestuurd en betalingen heeft verricht die door ING zijn verwerkt. De vordering van ING Bank is niet verjaard omdat [de man] met tussenpozen van minder dan vijf jaar handelingen heeft verricht die als erkenning van de schuld gelden, zoals betalingen en verzoeken om bevriezing van de schuld via hulpverleners.

De rechtbank verwerpt de stellingen van [de man] dat ING Bank de kredietwaardigheid onvoldoende heeft getoetst en dat sprake zou zijn van een ongeldig opeisingsbeding of oneerlijk beding. De Wet op het Consumentenkrediet was van toepassing, maar kende geen sanctie voor het niet uitvoeren van een kredietcheck. De rente is berekend binnen de wettelijke grenzen.

De rechtbank wijst de vorderingen van [de man] af, veroordeelt hem tot betaling van €7.613,29 aan ING Bank en veroordeelt hem in de proceskosten van €1.224,-. Het vonnis is gewezen door kantonrechter G.A. Vriezen.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de kredietovereenkomst bestaat en de vordering van ING Bank niet is verjaard; [de man] moet €7.613,29 betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11918077 CV EXPL 25-21516
datum uitspraak: 24 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[de man],
woonplaats: [woonplaats] (gemeente Rotterdam),
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. G. Grijs,
tegen
ING Bank N.V.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: Incassobureau Fiditon B.V., h.o.d.n. Vesting Finance.
De partijen worden hierna ‘ [de man] ’ en ‘ING Bank’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 30 september 2025, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • de repliek in conventie met antwoord in reconventie, tevens wijziging van eis in conventie;
  • de dupliek in conventie met repliek in reconventie;
  • de dupliek in reconventie.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[de man] is deze procedure begonnen tegen ING Bank. ING vindt dat tussen partijen een kredietovereenkomst heeft bestaan en dat [de man] nog een bedrag van € 7.613,29 aan ING verschuldigd is. [de man] vroeg eerst om een verklaring voor recht dat de vordering die ING Bank op [de man] zegt te hebben verjaard is. Na een wijziging van eis wil [de man] primair een verklaring voor recht dat tussen hem en ING Bank geen kredietovereenkomst bestaat en subsidiair de verklaring voor recht dat de vordering van ING Bank is verjaard. ING Bank vordert in reconventie betaling van het openstaande kredietbedrag.
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat tussen [de man] en ING Bank een kredietovereenkomst bestaat en dat de vordering van ING Bank niet is verjaard. De vordering in reconventie wordt toegewezen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
Er bestaat een kredietovereenkomst tussen partijen
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat uit de overgelegde stukken volgt dat tussen partijen een kredietovereenkomst is gesloten. [de man] heeft zelf op 9 november 2007 een brief gestuurd aan de voorganger van ING Bank, Postbank N.V., met het verzoek om de toen openstaande schuld te bevriezen. In die brief vermeldt hij zelf een leningnummer. Daarin zit wel een verschrijving, maar de kantonrechter oordeelt dat [de man] deze brief met vermelding van een leningnummer niet kan hebben verstuurd als er geen kredietovereenkomst tussen partijen zou hebben bestaan. Ook de omstandigheid dat de betalingen die [de man] heeft gedaan door ING verwerkt zijn, wijst erop dat tussen hem en ING een overeenkomst heeft bestaan op grond waarvan hij deze bedragen aan ING moest betalen.
2.4.
Nu er sprake is van een kredietovereenkomst, wordt de primair gevorderde verklaring voor recht afgewezen.
De vordering van ING Bank is niet verjaard
2.5.
De vordering van ING Bank op [de man] uit de kredietovereenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter niet verjaard, omdat [de man] na het aangaan van die overeenkomst met tussenpozen van minder dan vijf jaar handelingen heeft verricht die als erkenning in de zin van artikel 3:318 BW Pro moeten worden aangemerkt. Zo’n erkenning hoeft niet uitdrukkelijk plaats te vinden, maar kan besloten liggen in gedragingen die door de andere partij (in dit geval ING Bank) als erkenning mogen worden opgevat.
2.6.
De kredietovereenkomst is volgens ING Bank omstreeks 23 september 2005 aangegaan. Op 11 september 2009 heeft ING Bank het openstaande bedrag opgeëist. [de man] is vervolgens een betalingsregeling met ING Bank overeengekomen. Op grond van die regeling heeft hij in de periode van 28 maart 2013 tot en met 31 augustus 2016 betalingen verricht. [de man] heeft betwist dat die betalingen als een erkenning kunnen worden aangemerkt, maar hij legt niet uit waarom niet. Uit niets blijkt dat [de man] bij die betalingen een voorbehoud heeft gemaakt, waaruit ING Bank had moeten begrijpen dat hij het bestaan van de vordering niet erkende. Ook op de ingevulde en aan de gemachtigde van ING Bank gestuurde informatielijst, waarop [de man] opgave heeft gedaan van zijn inkomsten en uitgaven, heeft hij geen voorbehoud gemaakt. ING Bank mocht er daarom op vertrouwen dat [de man] door het doen van deze betalingen de schuld erkende.
2.7.
Vervolgens heeft [de man] samen met zijn toenmalige hulpverlener mevrouw [naam 1] van Buddyzorg MEE Drechtsteden op 29 november 2016 een brief gestuurd aan de toenmalige gemachtigde van ING Bank. In deze brief, die door [de man] is ondertekend, vraagt hij om bevriezing van het verschuldigde bedrag in verband met detentie en om weer een betalingsregeling in werking te zetten nadat hij uit detentie komt en weer beschikt over een inkomen. Ook in deze brief is geen voorbehoud gemaakt over de vordering. De kantonrechter oordeelt dat deze brief, in het licht van de betalingsregeling die tot kort daarvoor bestond, ook moet worden gezien als een erkenning in de zin van artikel 3:318 BW Pro.
2.8.
Op 20 mei 2019 stuurt een nieuwe hulpverlener van [de man] , mevrouw [naam 2] van MEE Drechtsteden – Buddyzorg – een e-mail aan de gemachtigde van ING Bank. In die e-mail vraagt ook zij om bevriezing van het verschuldigde bedrag tot na afloop van de detentie en om daarna een betalingsregeling in werking te zetten. [de man] betwist dat mevrouw [naam 2] bevoegd was om hem te vertegenwoordigen. [de man] heeft echter niet uitgelegd waarom mevrouw [naam 2] niet bevoegd was om hem te vertegenwoordigen, terwijl mevrouw [naam 1] , ook werkzaam bij Buddyzorg MEE Drechtsteden, wel vertegenwoordigingsbevoegd was. [de man] heeft op 29 november 2016 de brief van [naam 1] met exact hetzelfde verzoek als dat van mevrouw [naam 2] immers mee ondertekend. De kantonrechter oordeelt dat ING Bank erop mocht vertrouwen dat (medewerkers van) Buddyzorg MEE Drechtsteden bevoegd waren om [de man] te vertegenwoordigen. Door de ondertekening van de brief van 29 november 2016, een handeling die [de man] zelf heeft verricht, heeft hij in ieder geval de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt. De e-mail van 20 mei 2019 mocht daarom door ING Bank ook worden opgevat als een erkenning van de schuld.
2.9.
Tot slot is bij brief van 27 juni 2022 door Buddyzorg MEE Plus (de opvolger van MEE Drechtsteden) wederom een verzoek tot bevriezing van de schuld gedaan, welk verzoek weer is ondertekend door [de man] . Die omstandigheid maakt niet alleen de betwisting van [de man] dat mevrouw [naam 2] als medewerker van MEE Drechtsteden hem mocht vertegenwoordigen ongeloofwaardig, maar levert ook weer een erkenning van de schuld op.
2.10.
Tussen de handelingen van [de man] die als erkenning worden gekwalificeerd, zit steeds niet meer dan vijf jaar. Daarom is de vordering van ING Bank op [de man] niet verjaard. De subsidiair door [de man] gevorderde verklaring voor recht wordt dus ook afgewezen.
[de man] moet € 7.613,29 betalen
2.11.
[de man] heeft bij dupliek in reconventie aangevoerd dat de tegenvordering van ING moet worden afgewezen omdat ING Bank de kredietwaardigheid van [de man] niet voldoende zou hebben getoetst. Ook vindt [de man] dat niet kan worden beoordeeld of sprake is van een geldig opeisingsbeding en of ING Bank zich beroept op een oneerlijk beding. Hoewel [de man] deze argumenten in een zeer laat stadium heeft aangevoerd (dit had hij al in zijn antwoord in reconventie moeten doen), zal de kantonrechter deze toch betrekken in de beoordeling. De kantonrechter overweegt in dit verband het volgende.
2.12.
De kredietovereenkomst tussen partijen is omstreeks 23 september 2005 tot stand gekomen, althans in ieder geval vóór 25 mei 2011. Dit blijkt al uit de omstandigheid dat ING Bank het openstaande bedrag op 11 november 2009 heeft opgeëist. Op overeenkomsten die vóór 25 mei 2011 van toepassing zijn verklaard, is de Richtlijn 2008/48 niet van toepassing. De eisen die op grond van deze richtlijn aan een opeisingsbeding worden gesteld zijn daarom niet op de overeenkomst tussen [de man] en ING Bank van toepassing.
2.13.
Op de overeenkomst zijn wel de bepalingen van de destijds geldende Wet op het Consumentenkrediet (Wck) van toepassing. In artikel 28 van Pro de Wck was bepaald dat ING Bank geen kredietovereenkomst mocht sluiten zonder – kort gezegd – een kredietcheck op basis van schriftelijke stukken uit te voeren. De Wck kende echter geen sanctie voor het geval niet aan deze verplichting was voldaan, in elk geval niet een sanctie die leidde tot het (deels) vervallen van de betalingsverplichting van de kredietnemer. Ook op deze grond kan dus niet worden geoordeeld dat de betalingsverplichting van [de man] geheel of gedeeltelijk zou zijn komen te vervallen.
2.14.
Tot slot is niet gebleken van een beroep op eventuele oneerlijke bedingen door ING Bank die van invloed zijn op de (hoogte van de) vordering. Een oneerlijk beding zou kunnen zien op de rente waarop ING aanspraak maakt. Zij heeft die berekend tot en met 30 december 2016; na die datum wordt geen rente meer gevorderd. Niet gebleken is dat de kredietvergoeding die ING Bank heeft berekend hoger is dan het destijds geldende maximum dat volgt uit het Besluit kredietvergoeding. Ook op deze grond ziet de kantonrechter geen reden om (een deel van) de vordering van ING Bank af te wijzen. [de man] moet het gevorderde bedrag van € 7.613,29 daarom volledig betalen.
[de man] moet de proceskosten betalen
2.15.
De proceskosten komen voor rekening van [de man] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [de man] in conventie aan ING Bank moet betalen op € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 360,-). In reconventie worden deze kosten aan de kant van ING Bank begroot op € 360,- aan salaris voor de gemachtigde (1/2 × 2 punten × € 360,-). Voor kosten die ING Bank maakt na deze uitspraak moet [de man] een bedrag betalen van € 144,-. Dat is in totaal € 1.224,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie:
3.1.
wijst de vorderingen van [de man] af;
in reconventie:
3.2.
veroordeelt [de man] om aan ING Bank te betalen € 7.613,29;
in conventie en in reconventie:
3.3.
veroordeelt [de man] in de proceskosten in conventie en in reconventie, die aan de kant van ING Bank worden begroot op € 1.224,-.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909