ECLI:NL:RBROT:2026:5792
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor stage ondanks afwijzing VOG-aanvraag
Verzoeker heeft een aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ingediend voor een stage in de opleiding Sociaal maatschappelijke dienstverlening. De staatssecretaris wees deze aanvraag af vanwege een strafrechtelijke veroordeling binnen de terugkijktermijn van vier jaar, waaronder een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens drugsbezit.
Verzoeker betoogt dat hij een groot persoonlijk belang heeft bij het kunnen starten van zijn stage, die noodzakelijk is voor het afronden van zijn opleiding. Hij heeft in de afgelopen jaren een persoonlijke ontwikkeling doorgemaakt en wil zijn verleden achter zich laten. De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang vanwege de financiële en studievertraging die anders ontstaat.
Na belangenafweging weegt de voorzieningenrechter het belang van verzoeker zwaarder dan het risico voor de samenleving, mede omdat de stage onder toezicht plaatsvindt en het strafbare feit twee jaar geleden is gepleegd. De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen, zodat verzoeker zijn stage kan voortzetten alsof hij in het bezit is van een VOG, tot zes weken na het besluit op bezwaar.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening maar zegt niets over het definitieve besluit op de VOG-aanvraag.
Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG om zijn stage te kunnen voortzetten.