Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5792

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
ROT 26/2883
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 3 juncto artikel 2 ahf/ond C OpiumwetBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor stage ondanks afwijzing VOG-aanvraag

Verzoeker heeft een aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ingediend voor een stage in de opleiding Sociaal maatschappelijke dienstverlening. De staatssecretaris wees deze aanvraag af vanwege een strafrechtelijke veroordeling binnen de terugkijktermijn van vier jaar, waaronder een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens drugsbezit.

Verzoeker betoogt dat hij een groot persoonlijk belang heeft bij het kunnen starten van zijn stage, die noodzakelijk is voor het afronden van zijn opleiding. Hij heeft in de afgelopen jaren een persoonlijke ontwikkeling doorgemaakt en wil zijn verleden achter zich laten. De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang vanwege de financiële en studievertraging die anders ontstaat.

Na belangenafweging weegt de voorzieningenrechter het belang van verzoeker zwaarder dan het risico voor de samenleving, mede omdat de stage onder toezicht plaatsvindt en het strafbare feit twee jaar geleden is gepleegd. De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen, zodat verzoeker zijn stage kan voortzetten alsof hij in het bezit is van een VOG, tot zes weken na het besluit op bezwaar.

Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening maar zegt niets over het definitieve besluit op de VOG-aanvraag.

Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG om zijn stage te kunnen voortzetten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2883

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Wetsema),
en

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Verzoeker is het niet met de afwijzing eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, in die zin dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een VOG om, in het kader van zijn opleiding Sociaal maatschappelijke dienstverlening stage te kunnen lopen bij [naam zorgboerderij]. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de waarnemer van de gemachtigde van verzoeker mr. E.K.A. Tchitembo en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker heeft op 12 november 2025 een VOG aangevraagd. De VOG is voor de functie van stagiair bij [naam zorgboerderij] in Driebruggen. Bij deze functie hoort het specifieke screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. De staatssecretaris heeft gekeken in het Justitieel Documentatie Systeem (het JDS) of verzoeker eerder in aanraking is gekomen met justitie. Bij een aanvraag voor een VOG geldt een terugkijktermijn van vier jaar. Binnen die vier jaar heeft de staatssecretaris het volgende relevante feit gevonden:
“- U bent op 3 april 2025 veroordeeld wegens het aanwezig hebben van drugs (artikel 10 lid 3 juncto Pro artikel 2 ahf Pro/ond C Opiumwet) tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze proeftijd is nog van kracht tot 17 april 2027. Deze uitspraak is op 18 april 2025 onherroepelijk geworden.”
Nu binnen de terugkijktermijn een strafbaar feit is gevonden, heeft de staatssecretaris ook gekeken naar strafbare feiten buiten de termijn. Buiten de terugkijktermijn heeft de staatssecretaris strafbare feiten gevonden van 2009 tot en met 2019 voor het overtreden van de Opiumwet, vermogensdelicten en een geweldsdelict. De staatssecretaris heeft de aanvraag voor een VOG afgewezen, omdat het strafbare feit binnen de terugkijktermijn niet verenigbaar is met het verkrijgen van een VOG, er vanwege herhaaldelijk contact met justitie kans is op herhaling en de belangen van verzoeker niet opwegen tegen het belang van de bescherming van de samenleving.
Wat vindt verzoeker?
4. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor een VOG. Verzoeker betwist niet dat aan het objectieve criterium is voldaan. De staatssecretaris had bij het subjectieve criterium wel tot een ander besluit moeten komen. Verzoeker heeft namelijk een groot persoonlijk belang bij het beginnen met zijn stage. Deze stage is nodig om zijn studie, sociale maatschappelijke dienstverlening, te kunnen afronden. Hij dient binnen een bepaalde termijn zijn studie af te maken. Ook zal het verzoeker veel geld kosten en zullen zijn schulden bij DUO oplopen wanneer hij zijn studie, zonder diploma, moet staken. Verzoeker voert verder aan dat het slechts gaat om één antecedent binnen de terugkijktermijn. De pleegdatum van het strafbare feit is maart 2024, meer dan twee jaar geleden. Dit dient in het voordeel van verzoeker te wegen. In de afgelopen twee jaar heeft hij een grote persoonlijke ontwikkeling doorgemaakt. Verzoeker wil met zijn verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat hij wordt behandeld als ware hij in het bezit van een VOG.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6. Verzoeker stelt dat hij zonder de VOG geen stage kan lopen en zijn opleiding niet kan afronden. Dit brengt ook grote financiële gevolgen met zich mee. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang hiermee gegeven.
Wat vindt de voorzieningenrechter?
7. De voorzieningenrechter zal de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen uitsluitend beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
8. Verzoeker is op 3 april 2025 veroordeeld wegens het op 12 maart 2024 aanwezig hebben van drugs. Verzoeker heeft een niet lichte straf gekregen, namelijk een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Omdat binnen de terugkijktermijn een strafbaar feit is gevonden, heeft de staatssecretaris ook gekeken naar strafbare feiten buiten de terugkijktermijn. Buiten de terugkijktermijn heeft de staatssecretaris strafbare feiten gevonden van 2009 tot en met 2019 voor het overtreden van de Opiumwet, vermogensdelicten en een geweldsdelict.
9. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij in zijn jongere jaren verkeerde keuzes heeft gemaakt, maar dat hij dit nadrukkelijk achter zich heeft gelaten. Na het laatste strafbare feit is hij een tijd naar het buitenland gegaan om zichzelf terug te vinden. Verzoeker is vervolgens een opleiding gaan volgen die bij hem past en hem toekomstperspectief biedt. In de toekomst wil verzoeker graag probleemjongeren helpen als ervaringsdeskundige. Op dit moment heeft hij alle vakken behaald, en dient hij enkel nog een stage te lopen, een stageverslag te schrijven, en de laatste examens verband houdende met de stage te maken. De voorzieningenrechter vindt dat hieruit blijkt dat verzoeker probeert zijn verleden achter zich te laten en zijn leven op de rit te krijgen.
10. Verzoeker heeft een VOG nodig om in het kader van zijn opleiding Sociaal maatschappelijke dienstverlening een stage te kunnen lopen bij [naam zorgboerderij] in Driebruggen. Zonder stage kan verzoeker zijn opleiding niet afmaken en zal hij zijn opleiding moeten stoppen. Tegenover het belang van verzoeker staat het belang van de samenleving en het risico voor de samenleving, mocht het strafbare feit worden herhaald in de functie. Hoewel verzoeker twee jaar geleden een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd en hij daarvoor niet licht gestraft is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verzoeker het voordeel van de twijfel te geven en de belangenafweging in zijn voordeel te laten uitvallen. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat is toegelicht dat de stage een relatief korte periode betreft, de stagewerkzaamheden zien op activiteiten met ouderen bij een zorgboerderij, wat afgezet tegen de aard van het gepleegde feit een gering risico betekent voor de samenleving, en de stagewerkzaamheden te alle tijden zullen worden verricht onder toezicht van een stagebegeleider. Het niet kunnen verrichten van de stage zal onomkeerbare gevolgen hebben in die zin dat verzoeker zijn opleiding zal moeten beëindigen en hij eindigt met forse studieschulden en geen diploma. De voorzieningenrechter vindt, gelet op het voorgaande, dat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker dient uit te vallen.
11. De voorzieningenrechter zal het verzoek dus toewijzen, in die zin dat verzoeker moet worden behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG, om in het kader van zijn opleiding Sociaal maatschappelijke dienstverlening, verder te kunnen met een stage bij [naam zorgboerderij] te Driebruggen. Deze uitspraak houdt niet in dat verzoeker nu een VOG heeft en zegt ook niets over het uiteindelijk kunnen krijgen van een VOG, bijvoorbeeld bij een vast dienstverband. Deze uitspraak voorziet alleen in een tijdelijke maatregel om verzoeker, in afwachting van de behandeling van zijn bezwaar, de mogelijkheid te geven zijn opleiding af te ronden door stage te lopen bij [naam zorgboerderij].

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, met de kanttekening zoals die hierboven in rechtsoverweging 11 is beschreven. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening tot zes weken na het besluit op bezwaar.
13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de staatssecretaris het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe in die zin dat verzoeker moet worden behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG, om in het kader van zijn opleiding Sociaal maatschappelijke dienstverlening, verder te kunnen met een stage bij [naam zorgboerderij] te Driebruggen, tot zes weken na het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.