Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5893

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716437 / KG ZA 26-252
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing geldvordering en buitengerechtelijke kosten in geldleningsovereenkomst, afwijzing contractuele boetes

Op 3 december 2022 sloten eiseres en gedaagde een geldleningsovereenkomst waarbij gedaagde €350.000 leende voor aankoop van onroerend goed, met een rente van 6,33% per jaar en een einddatum van 36 maanden later. Gedaagde is in gebreke gebleven met betaling van de hoofdsom en rente per 3 december 2025 en heeft geen eerste recht van hypotheek gevestigd zoals contractueel vereist.

Eiseres vordert betaling van de hoofdsom, contractuele rente, diverse voorschotten op contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde erkent de schuld maar betwist de opeisbaarheid en stelt afhankelijk te zijn van een derde voor terugbetaling, en voert overleg over voortzetting van de leningsovereenkomst aan.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de hoofdsom en contractuele rente voldoende aannemelijk en spoedeisend zijn, en wijst deze toe. De gevorderde contractuele boetes worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en ontbreken van spoedeisend belang. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de toegewezen bedragen en proceskosten, met verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitkomst: Hoofdsom, contractuele rente en buitengerechtelijke kosten toegewezen; contractuele boetes afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716437 / KG ZA 26-252
Vonnis in kort geding van 28 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. C. Teiwes,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door: de heer [naam] , bestuurder bij [gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 maart 2025, met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12;
- de mondelinge behandeling op 13 april 2026;
- de spreekaantekeningen van [eiseres] .

2.De feiten

2.1.
Op 3 december 2022 hebben [eiseres] (schuldeiser) en [gedaagde] (schuldenaar) een akte van geldlening gesloten (hierna: de geldleningsovereenkomst). In de geldleningsovereenkomst staat onder meer het volgende:

AKTE VAN GELDLENING(…)
gaf vooraf te kennen
  • Schuldenaar de onroerende zaak aan de [adres] , [postcode] [plaats] , kadastraal bekend: gemeente [plaats] , [kadasternummer] , groot 00 hectare, 3 are, 15 centiare (hierna: het'Onroerend Goed') in eigendom wensen te verkrijgen door middel van de alsBijlage 1aangehechte koopovereenkomst;
  • Schuldeiser zich in verband hiermee bereid heeft verklaard om, uitsluitend ter verkrijging van het Onroerend Goed aan Schuldenaar hoofdelijk een geldlening te verstrekken van driehonderdvijftigduizend euro (EUR 350.000), welk bedrag derhalve uitsluitend voor de aankoop door Schuldenaar van het Onroerend Goed mag worden aangewend, zulks onder de voorwaarden zoals genoemd in deze overeenkomst (hierna te noemen: de "Leningsovereenkomst")
En verklaren het navolgende te zijn overeengekomen:
DefinitiesArtikel 1.(…)
Einddatum:
de datum waarop de Hoofdsom, Rente en Juridische kosten) volledig zullen moeten zijn afgelost en (terug)betaald aan Schuldeiser, te weten zesendertig (36) maanden na de datum waarop de Leningsovereenkomst wordt aangegaan;
(…)
GeldleningArtikel 2.
Schuldeiser en Schuldenaar verklaren hierbij een overeenkomst van geldlening te zijn aangegaan. In verband hiermee erkennen Schuldenaar hoofdelijk, per de datum van ondertekening van deze Leningsovereenkomst, een bedrag groot driehonderdvijftigduizend euro (EUR 350.000) schuldig te zijn aan Schuldeiser.
De hoofdsom bedraagt driehonderdvijftigduizend euro (EUR 350.000).
RenteArtikel 3.
1.
Schuldenaar is over de Hoofdsom hoofdelijk, een Rente verschuldigd van zes en drieëndertig procent (6,33%) per jaar, derhalve in totaal tot en met de Einddatum een bedrag van zesenzestigduizend vierhonderdvijfenzestig euro (EUR 66.465), welk bedrag bij wijze van maandelijkse termijnen van duizend achthonderdzesenveertig euro en vijfentwintig cent (EUR 1.846,25) voorafgaand aan de ondertekening datum van deze Leningsovereenkomst, en voorts steeds op de eerste van de maand, op de rekening Schuldeiser zal moeten zijn. (…)
Aflossing Hoofdsom en betaling van rente en kostenArtikel 4.
1.
De Hoofdsom, derhalve inclusief verschuldigde, maar nog niet betaalde (boete)rente en eventuele overige (juridische) kosten, zullen uiterlijk op de Einddatum volledig zijn afgelost en betaald aan Schuldeiser.
(…)BetalingenArtikel 6.
(…)
6.
Indien enige termijn van rente en/of aflossing niet op de vervaldatum als voren omschreven mocht zijn betaald door Schuldenaar, is Schuldenaar onmiddellijk in verzuim en is zij over het volledige openstaande bedrag (derhalve bovenop de reeds verschuldigde Rente, Hoofdsom en overige kosten) hoofdelijk een extra boete verschuldigd van tien procent (10%) per maand, te rekenen vanaf de dag waarop Schuldenaar in verzuim zijn getreden, tot aan de dag van betaling, waarbij gedeelten van een maand voor een gehele maand worden gerekend. (…)
Onmiddellijke opeisbaarheid.Artikel 7.
1.
De Hoofdsom, verschuldigde (boete)rente en overige kosten zijn onmiddellijk opeisbaar zonder opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit opeisbaar in de volgende gevallen:(…)- bij het handelen door Schuldenaar in strijd met het bepaalde in de Leningsovereenkomst (niet, niet-tijdige of niet behoorlijke nakoming door Schuldenaar van één of meer van de in de Leningsovereenkomst omschreven bepalingen of aangegane verplichtingen daaronder onder meer begrepen);(…)
Zekerheden, non-dividendverklaring, verbod tot andere uitkeringen, (terug)betalingen of aangaan van nieuwe financieringen, achterstelling.Artikel 8.(…)
2.
Ten behoeve van Schuldeiser wordt voorts een eerste recht van; hypotheek gevestigd op het Onroerend Goed, aan de [adres] , [postcode] [plaats] , kadastraal bekend: gemeente [plaats] , [kadasternummer] , groot 00 hectare, 3 are, 15 centiare.
(…)
4.
Uiterlijk 30 september 2025 zal Schuldenaar aan Schuldeiser een onderbouwde, gemotiveerde update/toelichting geven omtrent de herfinanciering van de Hoofdsom per de Einddatum.
5.
In geval van schending door Schuldenaar van één of meer bepalingen neergelegd in lid 2, lid 3 en/of lid 4 van dit Artikel, verbeurt Schuldenaar hoofdelijk, aan Schuldeiser onmiddellijk een direct opeisbare boete van vijfduizend euro (EUR 5.000) per dag dat de overtreding voortduurt.(…)
2.2.
Bij e-mail van 10 december 2025 stelt [eiseres] [gedaagde] in gebreke en sommeert [eiseres] [gedaagde] om binnen zeven dagen na dagtekening de hoofdsom, de contractuele rente, de boeterente en alle reeds door [eiseres] gemaakte kosten te voldoen.
2.3.
[gedaagde] is niet overgegaan tot betaling aan [eiseres] . Daarnaast heeft [gedaagde] geen eerste recht van hypotheek gevestigd op het perceel aan de [adres] in [plaats] ten behoeve van [eiseres] .

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 350.000,00, primair vermeerderd met de contractuele rente van 6,33% per jaar vanaf 4 december 2025, danwel vanaf datum dagvaarding, tot en met de dag der algehele voldoening en subsidiair vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 4 december 2025, danwel vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
II. [gedaagde] te veroordelen, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 5,000,00, zijnde een voorschot op de contractuele boete ex. artikel 8 lid 2 jo Pro lid 5 van de geldleningsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] te veroordelen, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 5,000,00, zijnde een voorschot op de contractuele boete ex. artikel 8 lid 4 jo Pro lid 5 van de geldleningsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [gedaagde] te veroordelen, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 35,000,00, zijnde een voorschot op de contractuele boete ex. artikel 6 lid 6 van Pro de geldleningsovereenkomst;
V. [gedaagde] te veroordelen, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 3.525,00, ter zake de door [gedaagde] gemaakte buitengerechtelijke kosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
VI. [gedaagde] te veroordelen in proceskosten.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4.De beoordeling

Stanpunten partijen
4.1.
[eiseres] legt onder meer het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Op grond van de artikelen 1 en 4 van de geldleningsovereenkomst diende de volledige hoofdsom van € 350.000,00, de contractuele rente van 6,33% per jaar en kosten uiterlijk op 3 december 2025 aan [eiseres] te zijn voldaan. [gedaagde] heeft deze bedragen, ondanks sommatie daartoe, onbetaald gelaten, zodat [gedaagde] in verzuim is en [eiseres] (terug)betaling van deze bedragen vordert. Daarnaast heeft [gedaagde] niet voldaan aan haar verplichtingen uit artikel 8 leden Pro 2 en 4 van de geldleningsovereenkomst, te weten het vestigen van een eerste recht van hypotheek op de onroerende zaak ten behoeve van [eiseres] en het uiterlijk op 30 september 2025 doen van een onderbouwd herfinancieringsvoorstel aan [eiseres] . Op grond van artikel 8 lid 5 van Pro de geldleningsovereenkomst vordert [eiseres] daarom tweemaal een voorschot op de contractuele boete van € 5.000,00. Verder is [gedaagde] op grond van artikel 6 lid 6 een Pro boete verschuldigd van 10 % per maand vanaf het intreden van het verzuim, ter zake waarvan [eiseres] een voorschot op de contractuele boete van
€ 35.000,00 (één maand) vordert.
4.2.
[gedaagde] voert onder meer het volgende aan. [gedaagde] betwist niet het bestaan van de geldleningsovereenkomst en ook niet dat de hoofdsom nog niet volledig is afgelost. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag onder welke omstandigheden en binnen welk tijdsbestek de terugbetaling dient plaats te vinden. [gedaagde] is voor de terugbetaling afhankelijk van een derde, op wie zij nog een vordering heeft van € 1.500.000,00. De opeisbaarheid van die vordering is vervroegd naar december 2026, zodat sprake is van een concreet aflossingsperspectief aan de zijde van [gedaagde] Verder heeft [eiseres] voorstellen gedaan over de voortzetting van de overeenkomst, zodat sprake was van een onderhandelingssituatie waarin partijen in overleg waren over de nadere invulling van de nakoming. De vordering is daarom nog niet opeisbaar en [gedaagde] verkeert niet in verzuim. Verder heeft [gedaagde] heeft zich consequent bereid getoond tot nakoming en actief gezocht naar een redelijke oplossing. Bovendien heeft [gedaagde] gedurende de gehele looptijd van de geldlening steeds tijdig en volledig aan haar renteverplichtingen voldaan. Verder komen de gevorderde boetes in aanmerking voor matiging, aldus [gedaagde]
Hoofdsom en contractuele rente
4.3.
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
4.4.
Niet is in geschil dat partijen de betreffende geldleningsovereenkomst hebben gesloten en dat [gedaagde] de hoofdsom en deels de contractuele rente onbetaald heeft gelaten. Nu [gedaagde] niet overgaat tot betaling en evenmin bereid is om (voldoende) zekerheid voor betaling te verschaffen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres] voldoende spoedeisend belang heeft bij vordering I. Daar komt bij dat [eiseres] heeft gesteld dat zij de gelden nodig heeft om bepaalde investeringen te kunnen doen. Ook dat levert een spoedeisend belang op.
4.5.
Gelet op artikel 4 van Pro de geldleningsovereenkomst diende [gedaagde] de hoofdsom en de contractuele rente uiterlijk op de einddatum, te weten 3 december 2025, aan [eiseres] af te lossen/te betalen. Op grond van artikel 7 lid 1 zijn Pro de hoofdsom en de contractuele rente vanaf 4 december 2025 onmiddellijk opeisbaar. [eiseres] heeft [gedaagde] vervolgens in gebreke gesteld, ondanks dat zij daartoe niet verplicht was. Desondanks is [gedaagde] niet overgegaan tot betaling van de hoofdsom en de contractuele rente, zodat zij in verzuim verkeert.
4.6.
Het standpunt van [gedaagde] , dat de vordering nog niet opeisbaar is en [gedaagde] niet in verzuim verkeert omdat partijen nog in overleg waren over de voortzetting van de geldleningsovereenkomst, wordt verworpen. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen volgt dat [eiseres] [gedaagde] een laatste termijn heeft gegund tot 3 januari 2026 om alsnog aan haar (terug)betalingsverplichting te voldoen, dan wel de mogelijkheid heeft geboden om de geldlening onder gewijzigde voorwaarden voort te zetten. [gedaagde] is niet akkoord gegaan met deze voorstellen, zodat zij gehouden is aan de tussen partijen overeengekomen contractuele afspraken. Het overleg tussen partijen over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst onder gewijzigde voorwaarden doet aldus niet af aan de opeisbaarheid van de vordering en het intreden van het verzuim aan de zijde van [gedaagde] .
4.7.
Ook het standpunt van [gedaagde] , dat zij voor de (terug)betaling van de vordering afhankelijk is van een derde en dat in dat kader sprake is van een concreet aflossingsperspectief, kan haar niet baten. De omstandigheid dat [gedaagde] afhankelijk is van een derde voor de nakoming van haar (terug)betalingsverplichtingen is een omstandigheid die voor haar eigen rekening en risico komt en doet niet af aan de verplichtingen van [gedaagde] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. Het door [gedaagde] gestelde aflossingsperspectief, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders.
4.8.
Gelet op het voorgaande is de vordering ten aanzien van de hoofdsom en de contractuele rente voldoende aannemelijk. Dit leidt ertoe dat vordering I als volgt wordt toegewezen. De hoofdsom van € 350.000,00 wordt toegewezen. De primair gevorderde contractuele rente van 6,33% per jaar wordt toegewezen vanaf 4 december 2025 (datum intreden verzuim), met dien verstande dat de reeds door [gedaagde] voldane rentebetalingen hierop in mindering dienen te worden gebracht. [gedaagde] heeft immers onweersproken gesteld en onderbouwd dat zij reeds rentebetalingen aan [eiseres] heeft voldaan.
Contractuele boetes
4.9.
De vorderingen II tot en met IV worden afgewezen, gelet op het volgende.
4.10.
Gelet op wat reeds onder rechtsoverweging 4.3 is overwogen is met betrekking tot een geldvordering in kort geding terughoudendheid op zijn plaats.
4.11.
Het verweer van [gedaagde] , dat de gevorderde contractuele boetes naar hun aard, omvang en onderlinge samenloop als buitensporig moeten worden aangemerkt en dat deze boetes daarom op grond van artikel 6:94 BW Pro in aanmerking komen voor matiging, is niet zonder meer kansloos. Deze vorderingen zijn daarom onvoldoende aannemelijk.
4.12.
Daarbij komt dat [eiseres] geen afzonderlijk spoedeisend belang heeft gesteld bij deze niet zonder meer eenvoudige nevenvorderingen en van een dergelijk spoedeisend belang is ook niet gebleken.
4.13.
Of en in welke mate aanspraak kan worden gemaakt op de gevorderde contractuele boetes kan zo nodig in een bodemprocedure worden uitgemaakt. In dat kader heeft [eiseres] overigens zelf ter zitting verklaard dat een bodemprocedure noodzakelijk zal zijn. In de gegeven omstandigheden is er dan ook geen aanleiding om op de beslechting van die geschilpunten vooruit te lopen in een kort geding.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 3.525,00 toegewezen.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,65
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.577,65

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 350.000,00, vermeerderd met de contractuele rente van 6,33% per jaar over het toegewezen bedrag vanaf 4 december 2025 tot de dag van algehele betaling, waarbij de reeds door [gedaagde] voldane rentebetalingen in mindering dienen te worden gebracht op het bedrag aan contractuele rente,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.525,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.577,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
[3894/1729]