Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5950

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
12167242 VV EXPL 26-185
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 IVRKArt. 7:225 BWArt. 6:119 BWArt. 21 lid 2 algemene voorwaardenArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruimingsvordering wegens huurachterstand met ruimere termijn voor minderjarige kinderen

De zaak betreft een kort geding tussen Stichting Havensteder en een huurder die een woning niet tijdig heeft opgeleverd en een huurachterstand heeft opgebouwd. De huurovereenkomst van de eerste woning was geëindigd, maar de huurder leverde de woning niet op en betaalde de huur van de tweede woning sinds oktober 2025 niet. Havensteder vordert betaling van de achterstanden en ontruiming van de woning.

De huurder erkent de achterstanden en wijst op persoonlijke omstandigheden en schulden, met hulpverlening die vanaf 22 mei 2026 start. De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, maar weegt de belangen van de minderjarige kinderen mee conform artikel 3 lid 1 IVRK Pro. Daarom wordt een ruimere termijn van drie maanden gegeven om de woning te verlaten.

De kantonrechter wijst de rentevorderingen af vanwege oneerlijke boetebepalingen in de algemene voorwaarden van Havensteder. De proceskosten worden aan de huurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat Havensteder direct kan overgaan tot uitvoering.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming en betaling van huurachterstand toe met een ruimere termijn vanwege minderjarige kinderen en wijst rentevorderingen af wegens oneerlijke boetebepalingen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12167242 VV EXPL 26-185
datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. S.F. Dik,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 14 april 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 1 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de heer [naam] namens Havensteder aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] was ook aanwezig.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft van Havensteder de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] gehuurd. Deze huurovereenkomst is door [gedaagde] opgezegd en is per 3 november 2025 geëindigd. Daarna is zij de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] van Havensteder gaan huren. Havensteder vindt dat [gedaagde] de woning aan de [adres 1] niet op tijd heeft opgeleverd. [gedaagde] heeft namelijk meerdere malen de oplevering uitgesteld en heeft de sleutels van de woning niet ingeleverd. Doordat buren in februari 2026 last hadden van een lekkage moest Havensteder toegang hebben tot de woning. [gedaagde] heeft de deur niet opengedaan voor Havensteder, waardoor Havensteder zelf de woning is binnengetreden. Havensteder heeft toen gezien dat er nog spullen van [gedaagde] in de woning stonden. Havensteder heeft [gedaagde] de gelegenheid gegeven om de spullen uiterlijk op 13 maart 2026 op te halen. Na 13 maart 2026 zou Havensteder de woning als opgeleverd beschouwen. Havensteder vordert in deze procedure dat [gedaagde] de gebruiksvergoeding van 4 november 2025 tot 13 maart 2026 moet betalen aan Havensteder.
2.2.
Daarnaast heeft [gedaagde] de maandelijkse huur van de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] sinds oktober 2025 niet betaald. Havensteder vordert betaling van de huurachterstand en wil dat [gedaagde] deze woning verlaat.
2.3.
[gedaagde] erkent de vorderingen. Zij geeft aan dat zij vanwege zware persoonlijke omstandigheden de huur niet kon betalen. Zij heeft ook schulden bij andere bedrijven. Inmiddels heeft zij hulp ingeschakeld en de gemeente zal haar vanaf 22 mei 2026 gaan helpen met het begeleiden van haar schulden. Dit kon niet eerder worden opgestart. [gedaagde] wil de woning vanwege haar twee minderjarige kinderen niet verlaten.
2.4.
De kantonrechter wijst de vorderingen grotendeels toe. [gedaagde] krijgt wel een langere termijn om de woning te verlaten. Hieronder wordt dit oordeel uitgelegd.
Spoedeisend belang
2.5.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Havensteder heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
[gedaagde] moet de betalingsachterstand van € 9.234,00 aan Havensteder betalen
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] in totaal € 9.234,00 aan Havensteder moet betalen. Dit bedrag bestaat uit de gebruiksvergoeding voor de periode van 4 november 2025 tot 13 maart 2026 waarin [gedaagde] de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] niet heeft opgeleverd (€ 5.134,25). [1] Daarnaast bestaat het bedrag uit de huurachterstand voor de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] van 3 oktober 2025 tot en met april 2026 (€ 4.549,75). Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] € 450,00 heeft betaald. Dit bedrag gaat van de totale achterstand af. [gedaagde] heeft erkend dat zij de achterstand nog verschuldigd is aan Havensteder.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.7.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de huurachterstand ernstig genoeg is om de ontbinding te rechtvaardigen. Daarbij heeft hij rekening gehouden met het feit dat er minderjarigen in de woning wonen. De kantonrechter moet op grond van artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de belangen van de kinderen als eerste meewegen. De ontruiming van een woning met kinderen is namelijk een ingrijpende maatregel. Dit betekent niet dat de ontruiming van de woning altijd moet worden afgewezen als er minderjarige kinderen in de woning wonen. De kantonrechter zal [gedaagde] , vanwege het feit dat haar minderjarige kinderen bij haar wonen en onder toezicht zijn gesteld, een ruimere termijn geven om de woning te ontruimen. De kantonrechter vindt dat deze beslissing recht doet aan de belangen van de kinderen en van [gedaagde] .
2.8.
Verder is de kantonrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij het behoud van de woning niet opweegt tegen het (spoedeisend) belang van Havensteder om de woning te ontruimen. [gedaagde] heeft namelijk al zes maanden vrijwel geen huur betaald en er is ook nog geen concreet aanbod gedaan om zowel de lopende huur te gaan betalen als de achterstand af te lossen. Het lijkt er wel op dat [gedaagde] vanaf 22 mei 2026 hulp gaat krijgen, maar Havensteder heeft nog geen vertrouwen in deze toezeggingen van [gedaagde] . [gedaagde] heeft over de oplevering van de woning aan de [adres 1] namelijk ook verschillende toezeggingen gedaan, maar is deze allemaal niet nagekomen.
2.9.
[gedaagde] moet de woning met al haar spullen verlaten. De kantonrechter geeft [gedaagde] drie maanden de tijd om de woning te ontruimen. Deze termijn vindt de kantonrechter vanwege de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] passend. Het geeft [gedaagde] voldoende tijd om – met hulpverlening – onderdak voor de kinderen te regelen. De kantonrechter neemt in deze overweging nog op dat Havensteder tijdens de zitting heeft toegezegd dat zij met [gedaagde] na het wijzen van het vonnis afspraken wil maken over het innen van de maandelijkse huur en het aflossen van de achterstand. Ook wil Havensteder dan afspraken maken over de vraag of ontruiming van de woning moet doorgaan. Tijdens de zitting kon [gedaagde] namelijk in afwachting van hulp van de gemeente nog geen concrete afspraken maken.
2.10.
Vanaf mei 2026 tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 656,01 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro). Dit moet zij uiterlijk voor of op de eerste dag van de desbetreffende maand betalen (artikel 3 huurovereenkomst Pro).
[gedaagde] hoeft geen rente te betalen
2.11.
De kantonrechter wijst de rente die wordt gevorderd over de huurachterstand af. In artikel 21 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden van Havensteder staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag Havensteder daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. [2] De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete moet betalen als zij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde] als zij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Havensteder wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
2.12.
De kantonrechter wijst ook de rente die wordt gevorderd over de betalingsachterstand voor de [adres 1] af, omdat Havensteder geen algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst voor de [adres 1] heeft overgelegd. Hieraan verbindt de kantonrechter de conclusie dat er een oneerlijk boete- of incassobeding is opgenomen in de algemene voorwaarden.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.13.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak (nog) van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.14.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 139,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.013,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 9.234,00;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt bij vooruitbetaling voor of op de eerste dag van iedere maand aan Havensteder te betalen € 656,01 per maand;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.013,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363

Voetnoten

1.Artikel 7:225 Burgerlijk Pro Wetboek.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)