ECLI:NL:RBROT:2026:597

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11837015 RR FORM 25-87
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 15 Tijdelijk besluit experiment regelrechterArt. 4 Tijdelijk besluit experiment regelrechterArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling belastingteruggave tussen ex-partners bij beëindiging samenlevingsovereenkomst

De zaak betreft de verdeling van een belastingteruggave van €1.939,00 die ex-partner vrouw ontving na beëindiging van hun samenlevingsovereenkomst. De man eist €1.166,00 op basis van een 60/40-verdeling, maar de rechter bepaalt dat een gelijke verdeling (50/50) redelijk is, waardoor de vrouw €969,50 moet betalen.

Partijen hadden geen afspraken gemaakt over de verdeling van de belastingteruggave in hun beëindigingsovereenkomst. De rechter oordeelt dat de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW Pro) aanvullend werken en dat het redelijk is de teruggave gelijk te verdelen, mede omdat partijen tijdens hun relatie gezamenlijke kosten 50/50 deelden.

De vordering van de vrouw in reconventie om de man te dwingen mee te werken aan de verkoop van een steiger wordt afgewezen wegens onbevoegdheid van de regelrechter, omdat de waarde van de steiger de limiet van €5.000 overschrijdt. Wel geeft de rechter richtlijnen voor de verkoop en verdeling van de opbrengst.

De vrouw wordt veroordeeld tot betaling van €969,50 aan de man en tot betaling van de proceskosten van €276. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vrouw moet €969,50 betalen aan de man en proceskosten dragen; vordering over steiger wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11837015 RR FORM 25-87
datum uitspraak: 16 januari 2026
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[naam man],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
die zelf procedeert,
tegen
[naam vrouw],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [naam man] ’ en ‘ [naam vrouw] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
1.2.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het aanvraagformulier van [naam man] dat de rechtbank op 13 augustus 2025 heeft ontvangen, met bijlagen, en
  • het reactieformulier van [naam vrouw] , met eis in reconventie en met bijlage.
1.3.
Op 28 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam man] bijgestaan door zijn vader en [naam vrouw] bijgestaan door haar moeder.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[naam man] en [naam vrouw] hebben met de overeenkomst van 19 maart 2025 hun samenlevingsovereenkomst beëindigd. In deze overeenkomst hebben zij afspraken gemaakt over onder andere de overname van de woning door [naam man] , de inboedel en de afwikkeling van een schuld. De belastingaangifte van 2024 hebben partijen nog als fiscaal partners ingevuld. De aftrekpost negatief inkomen uit eigen woning is volledig toegerekend aan [naam vrouw] om fiscaal het meeste profijt te hebben van deze aftrekpost. Mede hierdoor heeft [naam vrouw] € 1.939,00 teruggekregen van de Belastingdienst. [naam man] vindt dat hij, op basis van een 60/40-verdeling van de aftrekpost, recht heeft op € 1.166,00. Hij heeft [naam vrouw] gesommeerd dit te betalen, maar zij heeft dit niet gedaan. In deze procedure eist [naam man] € 1.166,00, de buitengerechtelijke kosten van € 10,80 en de proceskosten.
2.2.
[naam vrouw] is het niet eens met de eis van [naam man] . Zij zegt dat er bij het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst geen afspraken zijn gemaakt over het verdelen van de belastingteruggave die zij heeft ontvangen. [naam vrouw] vindt dan ook dat zij geen deel van deze belastingteruggave hoeft te betalen aan [naam man] .
2.3.
[naam vrouw] geeft verder aan dat de steiger op grond van de beëindigingsovereenkomst moet worden verkocht en dat [naam man] niet meewerkt om dit door een onafhankelijke makelaar te laten doen. Zij vordert in reconventie dan ook dat [naam man] meewerkt om de steiger te laten verkopen door een onafhankelijke makelaar en dat de opbrengst van de verkoop 50/50 wordt verdeeld.
2.4.
De rechter oordeelt dat [naam vrouw] een deel van de belastingteruggave moet betalen aan [naam man] . Voor het geschil over de steiger is de rechter niet bevoegd, maar gelet op de toezeggingen tijdens de zitting geeft de rechter wel wat richtsnoeren. Hieronder wordt dit uitgelegd.
[naam vrouw] moet € 969,50 betalen aan [naam man]
2.5.
De rechter stelt vast dat partijen in de beëindigingsovereenkomst geen afspraken hebben gemaakt over het verdelen van een eventuele belastingteruggave. [naam man] geeft aan dat partijen dit wel hebben gedaan en vergelijkt de verdeling van de aftrekpost met de verdeling van de overwaarde van de woning. De afspraak van de verdeling van de overwaarde van de woning ziet echter volgens de rechter niet ook op het verdelen van de aftrekpost. Dit blijkt namelijk niet uit de tekst van de overeenkomst en ook is niet gebleken dat partijen deze afspraak zo hebben bedoeld. Uit de overeenkomst blijkt ook niet dat [naam vrouw] nog een deel van de belastingaangifte moet betalen aan [naam man] .
2.6.
De rechter gaat ook niet mee met het standpunt van [naam vrouw] dat er geen gevolgen hoeven te worden verbonden aan het feit dat partijen over het verdelen van de belastingteruggave geen afspraken hebben gemaakt. Een overeenkomst tussen partijen heeft namelijk ook de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW Pro). Het is niet meer dan redelijk om de belastingteruggave van [naam vrouw] in dit geval te verdelen tussen partijen, omdat het duidelijk is dat de bedoeling van partijen was om een fiscaal voordeel te behalen door de aftrekpost volledig toe te rekenen aan [naam vrouw] .
2.7.
Het is redelijk om de belastingteruggave in gelijke delen te verdelen tussen partijen. Dit betekent dat [naam man] recht heeft op 50% van de belastingteruggave. Zowel [naam man] als [naam vrouw] hebben namelijk aangegeven dat tijdens hun relatie de belastingteruggave altijd werd gestort op de gezamenlijke betaalrekening. Van deze gezamenlijke betaalrekening werden de gezamenlijke kosten in gelijke delen (50/50) betaald. [naam vrouw] heeft nog benoemd dat zij door de relatiebreuk veel kosten heeft moeten maken en dat zij het daarom in deze situatie redelijk vindt om de volledige belastingteruggave te houden. De rechter gaat hier echter niet in mee, omdat het feit dat zij veel kosten heeft moeten maken door de relatiebreuk niet direct betekent dat zij de belastingteruggave die normaal gesproken werd gedeeld tussen partijen nu volledig voor zichzelf mag houden. Daar zijn meer omstandigheden voor nodig. De rechter ziet dan ook voldoende aanleiding om bij de verdeling van de belastingteruggave van 2024 dezelfde werkwijze aan te houden die partijen tijdens hun relatie hebben gebruikt: de belastingteruggave van [naam vrouw] in gelijke delen verdelen tussen partijen.
De kosten voor de aangetekende brief worden afgewezen
2.8.
De vergoeding voor het verzenden van de aangetekende brief wordt afgewezen. [naam man] heeft pas recht op een vergoeding als [naam vrouw] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van een aanmaning alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). De termijn die in de brief is opgenomen, is te kort (7 dagen na dagtekening van de brief). Daarbij komt dat [naam man] in de brief aan [naam vrouw] geen aanspraak heeft gemaakt op de buitengerechtelijke kosten. De kosten voor het verzenden van de aangetekende brief worden dan ook afgewezen.
Het verkopen van de steiger
2.9.
De rechter is in reconventie niet bevoegd om te oordelen over de verkoop van de steiger en wijst de vordering dan ook af. [naam vrouw] eist dat beide partijen meewerken aan de verkoop van de steiger via een makelaar en dat de opbrengst van de verkoop in gelijke delen (50/50) wordt verdeeld tussen partijen. Dit is een vordering van onbepaalde waarde. De rechter ziet ook dat de waarde van de vordering de limiet van € 5.000,00 voor de procedure bij de regelrechter overschrijdt (artikel 4 Besluit Pro), omdat [naam vrouw] de waarde van de steiger inschat op € 20.000,00. Voor de verkoop van de steiger geeft de rechter wel een richtsnoer mee, omdat dit richtsnoer door partijen is besproken en akkoord bevonden tijdens de zitting.
2.10.
[naam vrouw] zal een makelaar naar haar keuze inschakelen om de steiger te verkopen. De kosten voor deze makelaar zullen tussen partijen 50/50 worden verdeeld. Als beide partijen akkoord gaan met een bod op de steiger en deze wordt verkocht, dan wordt eerst het aankoopbedrag terugbetaald aan partijen (€ 4.000,00 voor [naam man] en € 3.000,00 voor [naam vrouw] ). De winst die overblijft nadat de verkoopprijs is verminderd met de aankoopprijs wordt door beide partijen gedeeld op basis van 50/50. Als een verlies overblijft, dan wordt deze op dezelfde wijze gedeeld tussen partijen.
[naam vrouw] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen in conventie en in reconventie voor rekening van [naam vrouw] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit Pro). De rechter begroot de kosten die [naam vrouw] aan [naam man] moet betalen op € 226,00 aan griffierecht en € 50,00 aan onkosten (artikel 238 lid 1 Rv Pro). In reconventie worden de kosten vastgesteld op nihil. Dat is in totaal € 276,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [naam man] dat eist en [naam vrouw] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De regelrechter:
in conventie
3.1.
veroordeelt [naam vrouw] om aan [naam man] te betalen € 969,50;
3.2.
veroordeelt [naam vrouw] in de proceskosten, die aan de kant van [naam man] worden begroot op € 276,00;
3.3.
wijst al het andere af;
in reconventie
3.4.
wijst de vorderingen af;
3.5.
veroordeelt [naam vrouw] in de proceskosten, die aan de kant van [naam man] worden begroot op nihil;
in conventie en in reconventie
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363
Bent u het niet eens met dit vonnis? Dan kunt u mogelijk binnen drie maanden na de datum van de uitspraak het Gerechtshof in Den Haag vragen om de zaak opnieuw te beoordelen (hoger beroep). Dat doet u door de deurwaarder een dagvaarding te laten bezorgen bij de tegenpartij en die ook op te sturen naar het Gerechtshof. U heeft hiervoor een advocaat nodig.