Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5972

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/10/714006 / HA RK 26-73
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019z RvArt. 1019aa lid 1 RvArt. 7:446 BWArt. 7:453 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verklaring voor recht en kostenvergoeding in deelgeschil letselschade huisarts

Op 29 april 2016 bezocht de dochter van verzoekster, destijds 6 jaar oud, de huisarts met koorts en diarree. De huisarts stelde een urineweginfectie vast en schreef Amoxicilline voor. Kort daarna ontwikkelde het kind het Guillain-Barré syndroom (GBS), waarvoor zij in het ziekenhuis werd opgenomen en behandeld.

Verzoekster stelde de huisarts aansprakelijk wegens onzorgvuldig antibioticumbeleid en onvoldoende diagnostiek. Een medisch expert concludeerde dat het antibioticumbeleid onzorgvuldig was, maar dat dit geen verband hield met het ontstaan van GBS. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de huisarts nam dit rapport als uitgangspunt en wees aansprakelijkheid af.

Verzoekster verzocht de rechtbank om bij deelgeschil te verklaren dat de huisarts toerekenbaar tekort was geschoten en om vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De rechtbank oordeelde dat de onzorgvuldigheid en tekortkoming vaststaan op basis van het rapport, zodat het verzoek tot verklaring voor recht overbodig is. Het geschil betreft het causaal verband, dat in een aparte procedure wordt behandeld.

De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af omdat aansprakelijkheid nog niet vaststaat en er nog niet over deze kosten is onderhandeld. Ook de kosten van het deelgeschil werden niet toegewezen omdat de procedure onnodig was. De verzoeken werden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verklaring voor recht en vergoeding van kosten af omdat het deelgeschil niet bijdraagt aan een vaststellingsovereenkomst en aansprakelijkheid nog niet is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/714006 / HA RK 26-73
Beschikking van 19 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster 1],
zowel handelend voor zichzelf als in haar hoedanigheid van
wettelijk vertegenwoordiger van:
[verzoekster 2] ,
beiden te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster 1] ,
advocaat: mr. A. el Ballouti,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder]
advocaat: mr. M. Christe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 29 producties, ingekomen op 28 januari 2026;
- het verweerschrift met 18 bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van [verzoekster 1] en [verweerder] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 29 april 2016 heeft [verzoekster 1] telefonisch contact opgenomen met de praktijk van [verweerder] , huisarts, waarbij zij aangaf dat [verzoekster 2] , haar dochter van destijds 6 jaar, koorts en sinds drie dagen diarree had.
2.2.
[verzoekster 1] heeft [verweerder] met [verzoekster 2] bezocht op 29 april 2016. De urine van [verzoekster 2] is hierbij nagezien waarbij de volgende waarden werden aangetroffen: leukocyten (+++) en erytrocyten (+++). [verweerder] heeft het antibioticum Amoxicilline voorgeschreven.
2.3.
Op zaterdag 7 mei en zondag 8 mei 2016 heeft [verzoekster 1] met [verzoekster 2] de huisartsenpost bezocht, met onder meer klachten van krachtsverlies van de benen. Op
8 mei 2016 is [verzoekster 2] doorverwezen naar het Sint Franciscus Gasthuis. Aldaar werd gedacht aan een Guillain-Barré syndroom (hierna: GBS), een auto-immuunziekte van de zenuwen in de armen en benen.
2.4.
Op 9 mei 2016 is [verzoekster 2] opgenomen in het Erasmus MC op de afdeling kinderneurologie, waar zij tot 13 mei 2016 verbleef. Na een lumbaalpunctie bleek sprake van een verhoogd eiwitgehalte en werd GBS geconstateerd. [verzoekster 2] werd behandeld met immunoglobuline (antistoffen). Tijdens de opname werd bij urinekweken de E. Colibacterie gevonden, resistent voor Amoxicilline, en vond behandeling met Nitrofurantoïne plaats.
2.5.
In de ontslagbrief van het Erasmus MC van 26 mei 2016 staat vermeld:
“GBS is een postinfectieuze aandoening die door de
afweerreactie op verschillende verwekkers kan worden uitgelokt. Bij
[verzoekster 2] werd een recente infectie met hepatitis E vastgesteld. Dit is
een bekende verwekker van GBS. Waarschijnlijk is zij van de
oorspronkelijke infectie niet of nauwelijks ziek van geweest. De E.
Coli die de urineweginfectie veroorzaakte, is als verwekker
onwaarschijnlijk.”
2.6.
[verzoekster 1] heeft [verweerder] aansprakelijk gesteld, waarna diens aansprakelijkheidsverzekeraar VvAA Schadeverzekeringen N.V. (hierna: VvAA) bij brief van 24 juli 2018 namens [verweerder] de aansprakelijkheid heeft afgewezen.
2.7.
Partijen hebben nadien overeenstemming bereikt over het gezamenlijk inwinnen van een medische expertise bij prof. dr. [naam 1] , emeritus-hoogleraar huisartsgeneeskunde (hierna: prof. [naam 1] ).
2.8.
Prof. [naam 1] heeft in zijn rapport van 8 januari 2024 geschreven:
“Ik beoordeel het antibioticumbeleid van de huisarts als onzorgvuldig, omdat (…)
- Het onvoldoende ondersteund werd door de uitkomsten van zijn anamnese (vragen naar mictieklachten, keelpijn, oorpijn, hoesten of benauwdheid ontbreken) en onderzoek (onderzoek van keel, trommelvliezen, longen, buik en dipslide/urinekweek ontbreken)
- De arts in het bijzonder onvoldoende argumenten had om amoxicilline voor een eventuele luchtweginfectie voor te schrijven;
- De arts gezien de mogelijkheid van een urineweginfectie had moeten kiezen voor amoxicilline/clavulaanzuur”(pag. 12).
De diagnose ‘Koorts en het vermoeden van een urineweginfectie’, zoals genoteerd in
het huisartsenjournaal, achtte prof. [naam 1]
“correcte diagnosen”,
“ondanks de tekortkomingen bij anamnese en lichamelijk onderzoek.”
2.9.
Ook schreef prof. [naam 1] in zijn rapport:

Het is voor een leek van belang om te weten dat het GBS voordat de verschijnselen
zich aandienen niet te voorspellen of te voorkomen is”(pag. 9).
en
“Tenslotte: het antibioticumbeleid van de huisarts op 29 april 2016 heeft mijns inziens
helemaal niets te maken met het feit dat [verzoekster 2] kort daarna een Guillain-Barré syndroom ontwikkelde”(pag. 12).
2.10.
VvAA heeft daarna geschreven dat zij het rapport van prof. [naam 1] , met daarin de conclusie dat het door [verweerder] gevoerde antibioticumbeleid, als hiervoor omschreven onder 2.8, onzorgvuldig was, als uitgangspunt neemt bij de verdere beslechting van het geschil tussen partijen.
2.11.
Volgens VvAA is [verweerder] niet aansprakelijk. Omdat prof. [naam 1] aangegeven heeft dat het gevoerde antibioticumbeleid niets te maken heeft met het door [verzoekster 2] ontwikkelde GBS, ontbreekt volgens VvAA een conditio sine qua non-verband en is aan een vereiste voor het vestigen van aansprakelijkheid niet voldaan.
2.12.
[verzoekster 1] is van mening dat het GBS is ontstaan als gevolg van het feit dat [verweerder] Amoxicilline heeft voorgeschreven in plaats van Amoxicilline met clavulaanzuur.
2.13.
[verweerder] heeft op 13 januari 2026 een verzoekschrift tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek door een kinderneuroloog ingediend bij deze rechtbank. Deze zaak is bekend onder zaaknummer: C/10/713387 / HA RK 26-36 en is eveneens behandeld ter zitting van 24 maart 2026. In die procedure geeft de rechtbank afzonderlijk een beslissing.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster 1] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“I. te verklaren voor recht dat [verweerder] h.o.d.n. Huisartsenpraktijk [verweerder] jegens
[verzoekster 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen
uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst, als bedoeld in 7:446 jo. 7:453
BW;
II. te bepalen dat VvAA de (redelijke) buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel
6:96 lid 2 BW dient te vergoeden binnen veertien dagen na datum van deze
beschikking, waaronder begrepen:
a. de kosten van het deskundigenonderzoek van prof. dr. [naam 1] ad.
€ 1.303,64;
b. de kosten van de geraadpleegde medisch adviseurs [naam 2] en
[naam 3] ad € 2.479,66;
c. de kosten van rechtsbijstand over de periode 12 september 2017 tot en met
4 december 2024 ad € 16.047,43 inclusief btw, dan wel een ander bedrag in
goede justitie te bepalen;
III. de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van verzoekster inclusief het door haar
betaalde griffierecht te begroten op een bedrag van € 9.573,50, dan wel enig ander bedrag in goede justitie te bepalen, en VvAA te veroordelen tot betaling van dit bedrag binnen veertien dagen nadat Uw Rechtbank beschikking heeft gewezen.”
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster 1] het volgende ten grondslag gelegd: volgens [verzoekster 1] heeft [verweerder] medisch verwijtbaar gehandeld door bij [verzoekster 2] niet de vereiste diagnostiek toe te passen en een antibioticum voor te schrijven dat niet voldeed aan de geldende NHG Standaard Urineweginfecties, de richtlijn voor huisartsen. Ook ontbraken een adequate anamnese en volledig lichamelijk onderzoek bij [verzoekster 2] en schiet het medisch dossier tekort.
3.3.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe aan dat [verzoekster 1] geen belang heeft bij het verzoek, dat het verzoek niet bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en prematuur is. Daarnaast is
[verweerder] niet aansprakelijk omdat niet is voldaan aan de vereisten voor recht op schadevergoeding. Omdat prof. [naam 1] in zijn rapport aangegeven heeft dat het gevoerde antibioticumbeleid niets te maken heeft met het door [verzoekster 2] ontwikkelde GBS, ontbreekt een conditio sine qua non-verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade. Er is daarom ook geen grondslag voor vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Het deelgeschil is onnodig en onterecht ingesteld.

4.De beoordeling

De wettelijke regeling van de deelgeschilprocedure
4.1.
[verzoekster 1] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
De zaak leent zich niet voor beslechting in een deelgeschil
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen en wijst het verzoek daarom af. De rechtbank licht dit hierna toe.
4.4.
Partijen verschillen weliswaar van mening over het causaal verband tussen het door [verweerder] gevoerde antibioticumbeleid en het ontstaan van het GBS bij [verzoekster 2] , maar niet over de gebondenheid aan het rapport van prof. [naam 1] . Uit de e-mails van VvAA van 13 maart en 29 juli 2024 blijkt dat zij (namens [verweerder] ) het rapport van prof. [naam 1] tot uitgangspunt heeft genomen bij de verdere beslechting van het geschil tussen partijen, dus ook de conclusies van prof. [naam 1] ten aanzien van het gevoerde antibioticumbeleid, zoals hiervoor geciteerd onder 2.8. Daarmee staat de onzorgvuldigheid van handelen en daarmee ook de tekortkoming van [verweerder] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 juncto Pro artikel 7:453 BW Pro vast. Hetgeen verzocht wordt onder I (zie 3.1) is daarom overbodig: het is niet meer in geschil. Daarmee ontbreekt het belang en levert de gevraagde beslissing geen bijdrage aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De zaak leent zich niet voor beslechting in een deelgeschil.
4.5.
Dat partijen er onderling (nog) niet uitkomen, heeft niet hiermee te maken maar met een ander geschilpunt: is er causaal verband tussen het GBS bij [verzoekster 2] en het antibioticumbeleid dat [verweerder] voerde? Zoals opgemerkt heeft [verweerder] daartoe op 13 januari 2026 een verzoekschrift tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek ingediend, is die procedure eveneens behandeld ter zitting van 24 maart 2026 en geeft de rechtbank in die procedure afzonderlijk een beslissing.
Afwijzing buitengerechtelijke kosten
4.6.
De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten af.
Nog daargelaten dat VvAA geen partij is bij dit deelgeschil: artikel 6:96 BW Pro biedt geen grondslag voor vergoeding van deze kosten wanneer de aansprakelijkheid nog niet vaststaat. Voor aansprakelijkheid is (onder meer) nodig dat voldaan is aan het vereiste van causaal verband. Het causaal verband staat nog ter discussie (zie 4.4 en 4.5). Omdat de vraag van causaal verband centraal staat in het voorlopig deskundigenonderzoek en nog niet is beantwoord, is het verzoek om vergoeding van de buitengerechtelijke kosten prematuur.
Vast staat daarnaast dat partijen nog niet hebben onderhandeld over de buitengerechtelijke kosten. (Dat heeft [verweerder] bij wijze van verweer aangevoerd en de advocaat van [verzoekster 1] ter zitting bevestigd.) Omdat er niet over is onderhandeld, is er geen impasse over de buitengerechtelijke kosten en ook daarom is dit verzoek prematuur.
Afwijzing kosten deelgeschil
4.7.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten, maar als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Er zijn namelijk verzoeken ingediend waarvan duidelijk was dat ze niet konden worden toegewezen. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen onder 4.4 en 4.6. Van een veroordeling van [verweerder] in de kosten van het deelgeschil kan dus al helemaal geen sprake zijn.

5.De beslissing

De rechtbank
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
3246/ 2537