3.1.Onderhoudsbijdrage
3.1.1.De rechtbank verwijst naar en neemt hier over hetgeen is opgenomen in de tussenbeschikking van 29 oktober 2025.
3.1.2.De vrouw handhaaft haar verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) van € 181,- per maand per kind, met ingang van 1 juli 2024.
3.1.3.De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.4.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.1.5.Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
3.1.6.Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
Het verzoekschrift is op 8 augustus 2024 bij de rechtbank ingediend, zodat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele vaststelling van de kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.
3.1.7.De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget.
3.1.8.Partijen hebben tot 2023 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over het jaar 2023.
3.1.9.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2023 aan de hand van de jaaropgaves over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat genoemd van € 38.780,- en € 7.499,- (opgeteld € 46.279,-) op € 2.942,- per maand. De rechtbank houdt dus, anders dan de man stelt, wél rekening met zijn inkomen uit de tweede baan van € 7.499,-. Gelet op de periode waarin de man dit inkomen ontving (in de jaren 2021 tot en met 2024) is sprake van een structurele inkomstenbron die van invloed is geweest op de behoefte van de minderjarigen.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.1.10.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2023 aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een inkomen uit Wajong uitkering staat genoemd van € 17.719,- op € 1.187,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
3.1.11.De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op
€ 4.574,- per maand. Rekening is gehouden met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen van € 445,- per maand.
3.1.12.Hiervoor genoemd netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport en uitgaande van vier minderjarige kinderen, een bedrag op van € 1.412,- per maand. Geïndexeerd naar 2024 komt dit uit op € 1.500,- per maand, en in 2025 op € 1.597,- per maand.
3.1.13.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.1.14.De rechtbank rekent met twee periodes nu partijen het erover eens zijn dat de jongmeerderjarige tot 1 april 2025 behoeftig was, maar met ingang van 1 april 2025 niet meer, omdat hij sindsdien in zijn eigen kosten van levensonderhoud en studie voorziet.
Periode I loopt dus van 8 augustus 2024 tot 1 april 2025 en heeft betrekking op de bijdrage voor vier kinderen en periode II vangt aan op 1 april 2025 en heeft betrekking op drie minderjarige kinderen.
3.1.15.Allereerst moet het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage en de twee periodes waarvoor gerekend wordt, wordt gerekend met de tarieven 2024-2 en 2025-1.
Periode 1 (8 augustus 2024 tot 1 april 2025)
3.1.16.Tussen partijen is het inkomen van de man in geschil. De man is in augustus 2024 naar Curaçao verhuisd en als gevolg daarvan is zijn inkomen aanzienlijk gedaald. Ter discussie tussen partijen staat of moet worden gerekend met het loon van de man in Curaçao of met een verdiencapaciteit gelijk aan het loon dat hij in Nederland voor zijn vertrek verdiende. De rechtbank is van oordeel dat moet worden uitgegaan van een inkomen gelijk aan het loon in Nederland. De man heeft weliswaar toegelicht waarom hij destijds de keuze om te verhuizen heeft gemaakt, waaronder het einde van de relatie en zijn woonsituatie daarna en het overlijden van zijn vader, maar daar staat tegenover dat de man op dat moment een onderhoudsverplichting jegens vier minderjarige kinderen had. De verhuizing is van grote invloed geweest op zijn inkomenspositie, omdat hij zijn baan in Nederland daarvoor heeft opgezegd en in Curaçao niet een vergelijkbaar inkomen kon verdienen. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het de man vanzelfsprekend vrij staat deze keuze te maken, de noodzakelijkheid daarvan niet vast is komen te staan, en deze keuze niet ten nadele van de minderjarigen mag komen. De rechtbank zal rekenen met een inkomen van
€ 38.780,- gelijk aan het jaarloon dat de man uit zijn normale dienstverband in Nederland volgens de jaaropgave 2023 verdiende. De rechtbank verhoogt dat inkomen niet met een bedrag gelijk aan het loon uit de tweede baan. De man heeft toegelicht dat hij met deze extra baan is begonnen tijdens de coronaperiode omdat zijn werkgever hem daarvoor in de gelegenheid stelde en om extra financiële nood op te vangen. Nu dit inkomen werd verdiend náást zijn gewone baan, acht de rechtbank het niet redelijk daar in het kader van de berekening van zijn verdiencapaciteit rekening mee te houden.
3.1.17.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man op basis van een bruto jaarinkomen van
€ 38.780,-, op € 2.699,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.1.18.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2024, waarop een jaarinkomen staat genoemd van € 19.003,-, op € 2.515,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
3.1.19.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop van € 1.237,- per maand (€ 14.842,- per jaar), waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.1.20.De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 433,- per maand.
3.1.21.De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 344,-.
3.1.22.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarigen, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man wordt daarom in beginsel beperkt tot zijn draagkracht.
3.1.23.Volgens vaste rechtspraak dient de rechter in dat geval en wanneer er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan de forfaitaire woonlasten waarmee gerekend is bij de berekening van de draagkracht, na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage (zie HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man naar voren gebracht dat hij op dit moment geen woonlasten heeft omdat hij bij zijn moeder woont, maar haar wel iedere maand NAF 350 betaalt. 3.1.24.In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om hiervan af te wijken. Bij de berekening van de draagkracht van de man is immers uitgegaan van een verdiencapaciteit gelijk aan het inkomen dat hij in Nederland verdiende. De rechtbank acht het in deze omstandigheden niet redelijk om daarnaast ook rekening te houden met de lagere werkelijke woonlasten van de man op Curaçao en gaat uit van een woonbudget passend bij de verdiencapaciteit. De rechtbank zal dus rekenen met de forfaitaire woonlasten.
3.1.25.De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 5%. De vrouw voert verweer.
3.1.26.De zorgkorting bedraagt in beginsel minimaal 5% van de behoefte van de minderjarigen. De rechtbank ziet geen aanleiding van dit beginsel af te wijken. Op dit moment is er geen verdeling van de zorg, maar niet gebleken is dat de man zijn verplichting tot verdeling van de zorg niet nakomt.
3.1.27.De behoefte van de minderjarigen in deze periode bedraagt € 1.500,- per maand. De zorgkorting wordt vastgesteld op 5% van dit bedrag, oftewel € 75,- per maand.
3.1.28.De gezamenlijke draagkracht van de ouders is in deze periode € 777,- per maand (man € 433,-, vrouw € 344,-). Dit is lager dan de totale behoefte van € 1.500,- per maand. Omdat het tekort aan de gezamenlijke draagkracht groter is dan de zorgkorting, kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op zijn bijdrage. Zijn bijdrage blijft dus € 433,- per maand. Dat is 108,- per maand per kind, uitgaande van vier kinderen.
Periode 2 (vanaf 1 april 2025)
3.1.29.De rechtbank verwijst naar hetgeen hierover is overwogen onder rechtsoverweging 3.1.17..
3.1.30.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van een bruto jaarinkomen van
€ 38.780,-, op € 2.733,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.1.31.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2025, waarop een jaarbedrag staat genoemd van € 20.077,-, op € 2.294,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
3.1.32.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop van € 969,- per maand (€ 11.625,- per jaar), waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.1.33.De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 422,- per maand.
3.1.34.De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 207,-.
3.1.35.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarigen, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man wordt daarom in beginsel beperkt tot zijn draagkracht. De rechtbank verwijst naar hetgeen over de woonlasten is overwogen onder rechtsoverweging 3.1.23 en 3.1.24. De rechtbank zal dus ook in deze periode niet uitgaan van de werkelijke woonlasten van de man, maar rekenen met de forfaitaire woonlasten.
3.1.36.De behoefte van de drie minderjarigen in deze periode bedraagt € 1.198,- per maand. De zorgkorting wordt vastgesteld op 5% van dit bedrag, oftewel € 60,- per maand.
3.1.37.De gezamenlijke draagkracht van de ouders is in deze periode € 629,- per maand (man € 422,-, vrouw € 207,-). Dit is lager dan de totale behoefte voor de drie minderjarigen van € 1.198,- per maand. Omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht groter is dan de zorgkorting, kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op zijn bijdrage. Zijn bijdrage blijft dus € 422,- per maand voor drie minderjarigen. Dat is € 141,- per maand per kind.
3.1.38.Gezien het voorgaande zal de rechtbank een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, die in periode 1 ook deels als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van het oudste kind geldt, als volgt vaststellen:
- periode 1 (8 augustus 2024-1 april 2025): € 433,- per maand voor vier kinderen (108,- per maand per kind)
- periode 2 (vanaf 1 april 2025): € 422,- per maand voor drie kinderen (141,- per maand per kind)
Deze bijdrage is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
Het bovenstaande betekent dus dat vanaf 1 april 2025 niet langer een onderhoudsbijdrage voor het oudste kind van partijen betaald moet worden.
3.1.39.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.1.40.Omdat de onderhoudsbijdrage in 2026 wordt vastgesteld maar voor de eerste periode aanvangt in 2024, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2025 moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
3.1.41.Omdat de onderhoudsbijdrage voor de tweede periode aanvangt in 2025, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.