Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5985

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
12044450 RR FORM 26-1
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Tijdelijk besluit experiment regelrechterArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling koopprijs stal en omheining met afwijzing van verrekening en tegenvorderingen

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van het openstaande bedrag van €360,- voor de koop van een schuilstal en omheining die gedaagde heeft gekocht. Gedaagde heeft slechts €40,- betaald en stelt een tegeneis in ter verrekening van vermeende schade aan het perceel, huurkosten, dagvaardingskosten en een bedrag voor mestafvoer.

De rechter beoordeelt de feiten aan de hand van de overgelegde WhatsApp-correspondentie en processtukken. De afspraken over de duur dat de pony van eiseres op het perceel mocht blijven staan zijn onduidelijk, en er is geen ingebrekestelling gestuurd door eiseres om gedaagde in de gelegenheid te stellen haar verplichtingen na te komen. Daarom worden de stallingskosten, rente, herstelkosten, huur en dagvaardingskosten afgewezen.

De rechter concludeert dat gedaagde het resterende bedrag van €360,- aan eiseres moet betalen. Beide partijen worden geacht hun eigen proceskosten te dragen, omdat zij op meerdere punten in het ongelijk zijn gesteld. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd.

Uitkomst: Gedaagde moet €360 betalen aan eiseres, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 12044450 RR FORM 26-1
datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiseres,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter (hierna: rechter) op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
1.2.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het aanvraagformulier van [eiseres] dat de rechtbank op 7 januari 2026 heeft ontvangen, met bijlagen;
  • het reactieformulier van [gedaagde] met daarin een tegeneis, met bijlage;
  • de brief van [eiseres] die de rechtbank op 30 maart 2026 heeft ontvangen, met bijlagen.
1.3.
Op 16 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eiseres] en [gedaagde] aanwezig.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft een schuilstal en omheining van [eiseres] gekocht voor € 400,-. Deze staan op een perceel van de gemeente Papendrecht. [gedaagde] huurt dit perceel vanaf september 2025. Daarvoor was [eiseres] huurder van het perceel. [eiseres] is deze zaak gestart, omdat [gedaagde] niet het gehele aankoopbedrag voor de stal en omheining heeft betaald. Zij vindt dat [gedaagde] het openstaande bedrag van € 360,- nog aan haar moet betalen.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiseres] . Het klopt dat [gedaagde] maar € 40,- heeft betaald, maar het restant wil zij verrekenen met de schade die de pony van [eiseres] volgens haar aan de grasmat van het perceel heeft toegebracht. Ook vindt [gedaagde] dat [eiseres] zich niet heeft gehouden aan de afspraak dat zij de mest moest afvoeren en heeft [eiseres] haar pony langer op het perceel laten staan dan afgesproken. [gedaagde] heeft een tegeneis ingesteld die inhoudt dat [eiseres] de volgende bedragen aan haar moet betalen:
  • € 104,90 aan herstelkosten van het perceel inclusief verzendkosten;
  • 2 maanden huur (oktober en november 2025) van € 79,80 per maand;
  • € 90,- aan dagvaardingskosten;
  • € 100,- voor het geval [eiseres] de mest niet opruimt.
2.3.
[eiseres] is het niet eens met de tegeneis van [gedaagde] . Volgens haar heeft [gedaagde] geen schade geleden en gaat het om normale onderhoudskosten die [gedaagde] als huurder van het perceel voor haar rekening moet nemen. [eiseres] vermeerdert haar eis met € 425,- aan kosten voor de stalling van haar pony in een pension/manege in de maand december 2025, 4% rente over € 925,- en de proceskosten.
De uitkomst
2.4.
[gedaagde] moet nog € 360,- aan [eiseres] betalen. Voor het overige worden de eisen van [eiseres] en [gedaagde] afgewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
[gedaagde] moet € 360,- aan [eiseres] betalen
2.5.
De partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] de schuilstal en omheining van [eiseres] heeft gekocht voor € 400,- en dat zij daarvan € 40,- heeft betaald. Het restant van € 360,- moet [gedaagde] nog aan [eiseres] betalen.
[gedaagde] hoeft geen stallingskosten te betalen
2.6.
Volgens [eiseres] mocht zij haar pony op het perceel laten staan tot alles geregeld was of tot hij in de winter naar de stal zou gaan. Volgens [gedaagde] was die periode korter, namelijk tot het einde van het weideseizoen. Dat loopt naar zeggen van [gedaagde] meestal tot 1 oktober, maar vanwege het mooie weer duurde dat seizoen in 2025 wat langer.
2.7.
Uit de overgelegde WhatsApp-correspondentie tussen de partijen blijkt het volgende:
  • Op 4 juli 2025 stuurt [eiseres] : “ [de pony] gaat in de winter weer stal ofwel hier of wel daar.”
  • Op 17 juli 2025 stuurt [eiseres] : “ [de pony] gaat gewoon in oktober weer naar de PRC. Dus ik heb geen haast hoor met opzeggen”
  • Op 4 augustus 2025 stuurt [eiseres] : “ [de pony] gaat denk ik in oktober weer naar de PRC”
  • Op 24 september 2025 stuurt [eiseres] : “Nu het nog zulk lekker weer is, wil ik [de pony] nog even laten staan, is dat oké?”
  • Op diezelfde datum reageert [gedaagde] met: “Ja hoor prima”
  • Op 22 oktober 2025 stuurt [eiseres] : “Ik heb er eigenlijk op gerekend dat ik de wei tot 1 januari kan gebruiken. Als ik dit geweten had dan had ik het nog niet opgezegd”
  • Op diezelfde datum reageert [gedaagde] met: “Ik heb begrepen zoals eerdere jaren dat [de pony] per 1-10 naar de manege zou gaan en dat je gevraagd hebt of hij ivm het mooie weer nog een maandje mocht blijven staan. Tot 1 januari is nooit ter sprake geweest. De laatste jaren heeft hij vanaf 1-10 tot maart-april altijd op de manege gestaan.”
  • Op diezelfde datum reageert [eiseres] met: “Klopt maar ik kan weinig met hem doen omdat ik problemen met mijn knie heb. Nu staat hij lekker nog buiten houdt hij zichzelf in beweging. Anders staat hij de hele dag in een stalletje. Bovendien is het zulk lekker weer dat het zonde is om de hele dag binnen te staan”
2.8.
Op basis van deze WhatsApp-correspondentie is het onduidelijk wat de partijen met elkaar hebben afgesproken over hoe lang de pony van [eiseres] nog op het perceel mocht blijven nadat zij geen huurder meer was. Na het ontstaan van onenigheid, heeft [eiseres] ervoor gekozen om [de pony] vanaf eind november 2025 ergens anders onder te brengen. Als [eiseres] vond dat [gedaagde] aansprakelijk was voor de extra kosten als ze [de pony] eerder weghaalde dan volgens haar was afgesproken, had zij [gedaagde] daarover een brief moeten sturen en haar in de gelegenheid moeten stellen om de afspraak (zoals die volgens [eiseres] luidt) na te komen (ingebrekestelling). Zo’n brief heeft [eiseres] echter niet gestuurd. Vervolgens heeft [eiseres] zelf de keuze gemaakt om haar pony naar een andere locatie te brengen. De kosten van de stalling kan [eiseres] daarom niet verhalen op [gedaagde] . Dit deel van de eis van [eiseres] wordt dus afgewezen.
[gedaagde] hoeft geen rente te betalen
2.9.
Op 1 december 2025 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een betaalverzoek van € 400,- gestuurd voor de koop van de stal en omheining. Het is niet gebleken [eiseres] [gedaagde] eraan heeft herinnerd dat er nog een bedrag open staat en haar de kans heeft gegeven alsnog binnen een bepaalde termijn te betalen (ingebrekestelling). Daarom kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] in verzuim is met de betaling. De rente wordt daarom afgewezen.
[eiseres] hoeft geen herstel- en/of opruimkosten te betalen
2.10.
Het is onduidelijk wat de partijen met elkaar hebben afgesproken over het onderhouden van het perceel, bijvoorbeeld over de staat van het gras en het opruimen van mest. Dit kan in elk geval niet worden afgeleid uit de overgelegde WhatsApp-correspondentie. Als [gedaagde] meent dat [eiseres] niet goed met het perceel is omgegaan, had zij haar daarop moeten attenderen en de kans moeten geven om de (volgens [gedaagde] bestaande) afspraken na te komen. Het enige dat [gedaagde] heeft gedaan, is op 11 oktober 2025 een WhatsApp-bericht naar [eiseres] sturen om te vragen of zij de mest nog gaat afvoeren, waarop [eiseres] reageert met “Ja hoor dat lag er al”. Het is niet gebleken dat [gedaagde] [eiseres] een termijn heeft gegeven om het perceel te herstellen (ingebrekestelling). Omdat de afspraken onduidelijk zijn en een ingebrekestelling ontbreekt, wordt dit deel van de tegeneis van [gedaagde] afgewezen.
[eiseres] hoeft geen huur te betalen
2.11.
Het is niet gebleken dat de partijen hebben afgesproken dat [eiseres] huur aan [gedaagde] moest betalen voor de periode dat de pony van [eiseres] op het perceel heeft gestaan. Integendeel zelfs, want uit de WhatsApp-correspondentie blijkt dat [gedaagde] op 4 augustus 2025 naar [eiseres] heeft gestuurd: “Mijn voordeel in dit geval is dat ik dan al af ben van het andere perceel en voor jou dat je de komende maanden geen huur meer betaald maar wel gebruik van kan blijven maken zoals je gewend bent.” Ook dit deel van de tegeneis van [gedaagde] wordt daarom afgewezen.
[eiseres] hoeft geen dagvaardingskosten te betalen
2.12.
Tijdens de zitting is vastgesteld dat [eiseres] geen dagvaardingskosten heeft gemaakt en dat er door de rechtbank ook geen griffierecht bij haar in rekening is gebracht. Het griffierecht wordt in dit soort procedures in rekening gebracht bij de eisende partij en dat is in deze zaak [eiseres] . Dit deel van de tegeneis van [gedaagde] wordt daarom afgewezen.
Conclusie
2.13.
[gedaagde] moet nog € 360,- voor de koop van de stal en omheining aan [eiseres] betalen. Zij kan dit niet verrekenen, omdat haar tegeneis volledig wordt afgewezen. [eiseres] is dus niets aan [gedaagde] verschuldigd.
De partijen dragen hun eigen proceskosten
2.14.
De rechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen (artikel 15 Besluit Pro), omdat zij allebei op meerdere punten in het ongelijk worden gesteld. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist [1] en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De rechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 360,-;
3.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken.
43416

Voetnoten

1.Zie vraag 5. op het aanvraagformulier