ECLI:NL:RBROT:2026:5987

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/10/718159 / KG ZA 26-360
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing minderjarige naar recreatiepark

De vrouw vordert vervangende toestemming om met haar zesjarige dochter, die symptomen van selectief mutisme vertoont, te verhuizen naar een recreatiepark in Rijen. De rechtbank weegt het belang van de minderjarige voorop en constateert dat de verhuizing tijdelijk is, het recreatiepark ver weg ligt en inschrijving van het kind daar niet mogelijk is. Dit brengt risico's mee voor het hulpverleningstraject en de continuïteit van zorg.

De man woont in de voormalige echtelijke woning waar het kind naar school gaat en vordert in reconventie onder meer toewijzing van voorlopige zorg, toevertrouwing aan hem, inschrijving van het kind op zijn adres en nihilstelling van de kinderalimentatie. De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangen van het kind vragen om stabiliteit en continuïteit in de zorg en hulpverlening.

De vorderingen van de vrouw worden afgewezen omdat de verhuizing niet in het belang van het kind is. De voorlopige zorgregeling wordt gewijzigd zodat het kind doordeweeks voornamelijk bij de vader verblijft en een aangepast weekend- en vakantieverblijf kent. De vader krijgt vervangende toestemming om het kind op zijn adres in te schrijven. De kinderalimentatie wordt voorlopig op nihil gesteld. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing af en wijzigt de voorlopige zorgregeling ten gunste van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Familie
Zaaknummer: C/10/718159 / KG ZA 26-360
Vonnis in kort geding van 21 mei 2026
in de zaak van
[naam vrouw],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N. Plaisier,
tegen
[naam man],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R.A.M. Verlijsdonk-Gerards.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie en producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
- de brief van de vrouw van 6 mei 2026 met producties;
- de brief van de vrouw van 7 mei 2026 met producties.
1.2.
De zaak is behandeld op 8 mei 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke relatie is beëindigd op
8 december 2024.
2.2.
Uit de vrouw is geboren de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] . De minderjarige is door de man erkend.
2.3.
De vrouw en de man oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.4.
Na de beëindiging van de relatie hebben partijen afspraken gemaakt over de gevolgen van hun relatie en de opvoedings-en verzorgingstaken van de minderjarige. Deze afspraken zijn opgenomen in een convenant tevens vaststellingsovereenkomst. Aan het convenant is een ouderschapsplan gehecht. In het ouderschapsplan is onder andere overeengekomen dat de minderjarige staat ingeschreven bij de vrouw en er een co-ouderschapsregeling geldt.
2.5.
De man verblijft in de (voormalig) echtelijke woning in Hendrik-Ido-Ambacht , waar de minderjarige ook naar school gaat. De vrouw verblijft in Dordrecht .
2.6.
Volgens de huidige zorgregeling verblijft de minderjarige wekelijks vanaf zondagavond 18.30 uur tot en met dinsdagavond 18.30 uur bij de man en van dinsdagavond tot vrijdagmiddag 17.00 uur bij de vrouw. Daarnaast verblijft de minderjarige afwisselend (eenmaal per twee weken) een weekend bij de man of de vrouw vanaf vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.30 uur.
2.7.
De vrouw heeft op 4 mei 2026 een bodemprocedure gestart strekkende tot verkrijging van vervangende toestemming om met de minderjarige te mogen verhuizen naar Rijen . Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/10/719266.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

In conventie
3.1.
De vrouw vordert haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarige naar het [naam locatie] , gevestigd te Rijen aan de [adres] ( [postcode] ).
3.2.
De man voert verweer.
In reconventie
3.3.
De man vordert in reconventie:
II. de minderjarige voorlopig aan de man toe te vertrouwen, alsmede dat aan hem in dat kader vervangende toestemming wordt verleend om de minderjarige op zijn adres in te laten schrijven in de registers van de burgerlijke stand;
III. een voorlopige zorgregeling tussen partijen vast te stellen, waarbij de zorgregeling voorlopig in afwachting van de bodemprocedure als volgt wordt gewijzigd: conform een vierwekelijks schema zoals opgenomen onder 5.3. van zijn eis in reconventie;
IV. de vrouw te gelasten dat zij ervoor zorgdraagt dat de minderjarige deel kan nemen aan haar toekomst sportactiviteiten in haar zorgtijd in regio Hendrik-Ido-Ambacht ;
V. de kinderalimentatieverplichting van de man tijdelijk op nihil te stellen, omdat de man alle verblijfoverstijgende kosten van de minderjarige voor zijn rekening neemt, althans op een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie vaststelt totdat in een bodemprocedure anders is beslist;
VI. de vrouw te veroordelen in de proceskosten;
VII. althans een zodanige beslissing onder I tot en met V als de voorzieningenrechter vermeent te behoren.
3.4.
De vrouw voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie

4.1.
Op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar moet de rechter bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
4.2.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de vrouw (en hetzelfde geldt voor de man) bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is bovendien dat in een kort geding geen plaats is voor bewijslevering.
4.3.
De voorzieningenrechter plaatst in de beoordeling de belangen van de minderjarige voorop. Hoewel in de dagvaarding van de vrouw aanvankelijk informatie over [voornaam minderjarige] mist, is tussen partijen niet in geschil dat [voornaam minderjarige] een bijzonder kwetsbaar meisje van zes (bijna zeven) jaar is. Ze heeft, of vertoont symptomen van, selectief mutisme. Ze krijgt hulpverlening bij Deviaa.
4.3.1.
Uit het door de man overgelegde evaluatieverslag van Deviaa blijkt welke gevolgen dit heeft voor [voornaam minderjarige] in haar dagelijks functioneren. Ze is een gevoelig meisje en is zich erg bewust van zichzelf ten opzichte van anderen. Ze heeft last van angsten, is snel overprikkeld en durft geen geluid te maken of te spreken. Belangrijk in de hulpverlening is dat [voornaam minderjarige] zich fijn en veilig voelt, door haar tempo te volgen en haar ruimte te geven. In de evaluatie van februari 2026 staat dat het waarschijnlijk is dat wanneer zij zich meer veilig voelt, zij zich ook vaker verbaal uit. Wanneer de behandeling niet voorgezet wordt, bestaat het risico dat [voornaam minderjarige] in zichzelf keert en overweldigd raakt door alles wat er in het dagelijks leven gebeurt. Het is belangrijk dat er regelmatig contact is met de omgeving van [voornaam minderjarige] (ouders en school) (…) zodat haar omgeving om haar heen kan staan, wat haar ontwikkeling ten goede zal komen.
4.3.2.
De voorzieningenrechter ziet in de stukken en hoort tijdens de zitting over een meisje dat baat heeft bij duidelijkheid, zekerheid en continuïteit van zorg en hulpverlening. Ze heeft nodig dat haar omgeving stabiel is en om haar heen staat.
4.3.3.
De vrouw heeft gesteld dat zij met de minderjarige per 1 juni 2026 de woning in Dordrecht dient te verlaten. Het is haar niet gelukt woonruimte in of rondom Hendrik-Ido-Ambacht te vinden. De minderjarige blijft in Hendrik-Ido-Ambacht naar school gaan. Tijdens de zitting heeft de vrouw verteld het chalet op het [naam locatie] in Rijen al gekocht te hebben en dat zij zal verhuizen. Inschrijving is niet toegestaan op dit park, maar 365 dagen per jaar recreëren wel. De vrouw wil daarom de minderjarige inschrijven op het adres van haar ouders in Rotterdam. De vrouw ziet dit als een tussenoplossing en zegt te blijven zoeken dichter in de buurt van Hendrik-Ido-Ambacht. Om de belasting voor de minderjarige te beperken, heeft de vrouw voorgesteld, zolang zij in Rijen woont, de zorgregeling aan te passen. Zij heeft voorgesteld dat de minderjarige niet wekelijks tot dinsdagavond bij de man verblijft, maar tot woensdagochtend. De vrouw heeft geen vordering ingediend tot wijziging van de zorgregeling.
4.3.4.
De vorderingen van de man betekenen dat hij tijdelijk meer zorgtaken op zich zal nemen, in afwachting van de bodemprocedure, maar ook in afwachting van een meer duurzame woonsituatie voor de vrouw. De man acht dit in het belang van de minderjarige zodat zij stabiel kan doorgaan met ingezette hulpverlening. De man woont in de voormalig echtelijke woning, een voor de minderjarige bekende en vertrouwde omgeving. De minderjarige heeft nou juist vooruitgang geboekt, dat behouden moet blijven. Een inschrijving in een andere gemeente zal gevolgen hebben voor continuering van hulpverlening.
4.3.5.
De voorzieningenrechter begrijpt dat de huidige situatie niet in het belang van de minderjarige is, overigens ook niet in het belang van partijen want iedereen wenst een meer stabiele situatie voor de minderjarige en voor de vrouw. [voornaam minderjarige] en partijen hebben belang om te weten waar zij vanaf 1 juni 2026 aan toe zijn. De vrouw heeft recent in een bodemprocedure het verzoek om vervangende toestemming tot verhuizing aangebracht, met een vervaltermijn voor het indienen van nadere stukken op 1 juni 2026. Een beslissing in de bodemprocedure wordt niet op korte termijn verwacht.
4.3.6.
De vorderingen van de vrouw acht de voorzieningenrechter niet in het belang van [voornaam minderjarige] . De verhuizing is (opnieuw) tijdelijk, het recreatiepark is ver weg en [voornaam minderjarige] mag daar niet worden ingeschreven. Hoewel verblijf op een recreatiepark voor een zes- bijna zevenjarige een leuke omgeving is voor een vakantie, is dit geen vakantie. Het heen en weer reizen zal (te) veel van haar vergen. De man heeft onbetwist gesteld dat de vrouw geen vangnet heeft in Rijen . Ook betekent het een wijziging van inschrijving, naar het adres van de ouders van de vrouw in Rotterdam. De voorzieningenrechter acht dat niet in het belang van [voornaam minderjarige] met name vanwege het risico voor het hulpverleningstraject. Dat financiering van het hulpverleningstraject is verlengd, betekent niet dat wijziging van adres geen gevolgen zal hebben voor continuering van deze hulp. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw afwijst.
4.3.7.
De voorzieningenrechter komt dan toe aan beoordeling van de vorderingen van de man. Omdat de vrouw heeft gesteld zelf sowieso naar Rijen te zullen verhuizen, is het ongewijzigd in stand laten van de zorgregeling niet in het belang van de minderjarige. In afwachting van de bodemprocedure zal de voorzieningenrechter daarom de zorgregeling voorlopig wijzigen.
Zorgregeling
4.3.8.
De man stelt voor dat de minderjarige op doordeweekse dagen bij hem verblijft en dat de minderjarige op woensdagmiddag van 14.00 uur tot 18.30 uur met de vrouw in Hendrik-Ido-Ambacht, dan wel bij de ouders van de vrouw in Rotterdam verblijft. Ook stelt de man dat de minderjarige drie van de vier weekenden per maand van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend 8.30 uur bij de vrouw kan verblijven. Dat de vrouw hierdoor de minderjarige minder ziet, is een gevolg van de beslissing naar Rijen te verhuizen. Deze voorlopige zorgregeling, zoals opgenomen in 5.3. van de eis in reconventie van de man, betekent zoveel mogelijk continuïteit voor de minderjarige op alle fronten. De voorzieningenrechter acht dit als tijdelijke maatregel in afwachting van de bodemprocedure in het belang van de minderjarige.
4.3.9.
Daarnaast stelt de man voor om de vakanties bij helften te verdelen, waarbij de minderjarige de gehele herfstvakantie bij de vrouw kan zijn. Partijen zijn in het ouderschapsplan, bijlage 1, een vakantieverdeling overeengekomen, waarbij de vakanties vrijwel gelijk zijn verdeeld. Dat de vrouw in afwijking daarvan de herfstvakantie met de minderjarige kan doorbrengen, in plaats van om en om, zolang de vrouw Rijen woont, acht de voorzieningenrechter in het belang van de minderjarige.
Toevertrouwing
4.3.10.
Bij deze beslissing acht de voorzieningenrechter passend dat de minderjarige voorlopig, in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure, wordt toevertrouwd aan de man. Voor zover de vrouw ten verwere aanvoert dat zij altijd de hoofdverzorger van de minderjarige is geweest, overweegt de voorzieningenrechter dat dat hier niet aan afdoet. Gelet op de voorlopige zorgregeling is toevertrouwing in afwachting van de behandeling in de bodemprocedure in het belang van de minderjarige.
Vervangende toestemming inschrijving basisregistratie
4.3.11.
Vast staat voorts dat de vrouw zich niet kan laten inschrijven op het adres waar zij feitelijk verblijft wanneer zij naar het recreatiepark verhuist. Dat betekent dat de minderjarige ook niet op dit adres mag worden ingeschreven als het verhuisverzoek van de vrouw wordt toegewezen. De vrouw is genoodzaakt om zich in te schrijven op een ander adres dan waar zij verblijft. Zij heeft gesteld dit op het adres van haar ouders in Rotterdam te zullen doen.
4.3.12.
De man vordert hem vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige bij hem te doen inschrijven. De voorzieningenrechter zal deze vordering toewijzen. Los van het feit dat de minderjarige voorlopig overwegend bij de man zal verblijven en aan hem wordt toevertrouwd en inschrijving op zijn adres reeds daarom voor de hand ligt, acht de voorzieningenrechter de continuïteit van de hulpverlening hier een belangrijk argument. Zij zal de man daartoe vervangende toestemming verlenen.
Sportactiviteiten
4.3.13.
De man vordert de vrouw te gelasten dat zij ervoor zorgdraagt dat de minderjarige
deel kan nemen aan haar toekomst sportactiviteiten in haar zorgtijd in regio Hendrik-Ido-
Ambacht.
4.3.14.
De minderjarige is nu nog bezig met zwemlessen en het is nog niet duidelijk welke sport zij zal willen gaan doen. De vordering wordt dan ook wegens gebrek aan belang afgewezen.
Wijziging kinderalimentatie
4.3.15.
De man vordert de kinderalimentatieverplichting van de man tijdelijk op nihil te
stellen, omdat de man alle verblijfoverstijgende kosten van de minderjarige voor zijn
rekening neemt, althans op een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie vaststelt
totdat in een bodemprocedure anders is beslist.
4.3.16.
Partijen hebben geen financiële gegevens overgelegd. Toch leent de vordering zich voor toewijzing. Omdat de minderjarige voorlopig aan de man wordt toevertrouwd, de man de verblijfsoverstijgende kosten zal voldoen en de minderjarige voorlopig meer bij de man dan bij de vrouw is, is de man niet gehouden een kinderbijdrage aan de vrouw te voldoen zolang deze situatie voortduurt en kan de bijdrage als ordemaatregel voorlopig op nihil worden gesteld.
Proceskosten
4.3.17.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
In conventie
5.1.
wijst de vordering van de vrouw af;
In reconventie
5.2.
bepaalt dat de minderjarige voorlopig aan de man wordt toevertrouwd;
5.3.
verleent de man toestemming om de minderjarige voorlopig in te schrijven op zijn adres in de basisregistratie personen;
5.4.
bepaalt dat de onder 5.3. verleende toestemming aan de man strekt ter vervanging van de toestemming van de vrouw;
5.5.
bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig zal zijn, in die zin dat de minderjarige bij de vrouw verblijft:
  • op woensdagmiddag van 14.00 uur tot 18.30 uur in Hendrik-Ido-Ambacht, dan wel bij de ouders van de vrouw in Rotterdam verblijft,
  • alsmede gedurende drie van de vier weekenden van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend 8.30 uur;
  • gedurende de helft van de vakanties, waarbij de minderjarige de herfstvakantie bij de vrouw zal doorbrengen;
5.6.
bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van dit vonnis zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige voorlopig op nihil;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde;
5.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wierink en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.