ECLI:NL:RBROT:2026:5989

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717870 / KG ZA 26-336
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorgregeling en ouderlijke verantwoordelijkheid in kort geding

Partijen zijn gescheiden ouders van twee minderjarige kinderen en oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. In een eerdere beschikking van 10 oktober 2025 is een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen in het weekend bij de man verblijven. Sinds 2 april 2026 is er geen contact meer tussen de man en de kinderen, nadat de vrouw de zorgregeling eenzijdig opschortte vanwege zorgen over het welzijn van de kinderen.

De vrouw stelt dat de kinderen tekenen van verwaarlozing, angst en grensoverschrijdend gedrag vertonen tijdens omgang met de man, waaronder een melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag. De man betwist deze beschuldigingen en wijst op de aanwezigheid van zijn meerderjarige dochter en partner tijdens omgangsmomenten. De Raad voor de Kinderbescherming vermoedt een loyaliteitsconflict en benadrukt het schadelijke effect van de strijd tussen ouders op de kinderen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende objectieve aanwijzingen zijn voor een uitzonderlijke situatie die opschorting van de zorgregeling rechtvaardigt. De zorgregeling moet worden nagekomen en de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-nakoming. De rechtbank benadrukt het belang van het vrijwaren van de kinderen van ouderlijke conflicten en het verbeteren van de communicatie met hulpverlening.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling met oplegging van een dwangsom bij niet-nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Familie
Zaaknummer: C/10/717870 / KG ZA 26-336
Vonnis in kort geding van 21 mei 2026
in de zaak van
[naam man],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. Y.E. Palit,
tegen
[naam vrouw],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.E. Gout de Kreek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;
- het bericht van de man van 7 mei 2026 met bijlage.
1.2.
De zaak is behandeld op 8 mei 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw een vermeerdering van eis ingediend.
1.4.
Het verzoek van de man van 8 mei 2026 om zijn dochter als getuige te horen, is afgewezen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke relatie is beëindigd op
8 december 2024.
2.2.
Partijen zijn ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] .
2.3.
Ouders oefenen het ouderlijk gezag over de minderjarigen gezamenlijk uit.
2.4.
In het proces-verbaal van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 10 oktober 2025 zijn de toen door partijen gemaakte afspraken opgenomen. De volgende omgangsafspraken zijn gemaakt:
  • vanaf vrijdag om 15:00 uur (uit school/de BSO) tot maandagochtend om 08:00/08:30 uur (naar de BSO/school) zijn de minderjarigen bij de man. Dat betekent dat de man de minderjarigen op vrijdag uit school/de BSO ophaalt en op maandag naar de BSO/school brengt. Voor het overige verblijven de minderjarigen bij de vrouw. Deze regeling geldt ook tijdens schoolvakanties. De betreffende locaties zijn dan de wissellocaties;
  • de man zal niet naar de woning van de vrouw komen. De man zal evenmin naar de BSO komen behalve in het kader van deze afspraak. De man zal behalve in het kader van deze afspraak ook niet naar de school komen, tenzij dat is om zijn zoon [naam zoon] daar te halen of te brengen.
2.5.
Bij deze rechtbank is een procedure aanhangig over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) (C/10/706668, FA RK 25-6986). In deze procedure is bij beschikking van 19 februari 2026, voor zover thans van belang, het verzoek van de man over de hoofdverblijfplaats en het verzoek om een bijzondere curator te benoemen afgewezen. Ten aanzien van de zorgregeling is een raadsonderzoek gelast. In afwachting daarvan is de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 1 november 2026.
2.6.
Sinds 2 april 2026 is er geen contact meer geweest tussen de man en de minderjarigen.
2.7.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Oekraïense nationaliteit.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.
De man vordert – samengevat – de vrouw te veroordelen tot nakoming van de
zorgregeling zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 10 oktober 2025 en bevestigd bij beschikking van deze rechtbank van 19 februari 2026, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat zij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft de zorgregeling na te komen, althans voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de niet-nakoming voortduurt, tot een maximum van
€ 10.000,- is bereikt, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.
3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en vordert na vermeerdering tijdens de mondelinge behandeling in reconventie opschorting van de bestaande zorgregeling zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2025 en bevestigd bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2026, dan wel dat de omgang uitsluitend onder begeleiding van oma moederszijde plaatsvindt, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de onderlinge samenhang van de vorderingen, zal de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Als sprake is van spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken wanneer enerzijds onverwijld handelen geboden is en anderzijds de loop van en de beslissing in een gewone procedure niet kan worden afgewacht.
4.3.
Vast staat dat sinds 2 april 2026 geen contact meer is geweest tussen de man en de minderjarigen. De vordering van de man strekt tot nakoming van de zorgregeling, terwijl de vordering van de vrouw strekt tot opschorting van de zorgregeling, dan wel tot wijziging daarvan. De bodemprocedure is aangehouden tot 1 november 2026 in afwachting van het raadsonderzoek. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het onderzoek nog niet is gestart, zodat een spoedige beslissing in de bodemprocedure niet te verwachten is. Van de man kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij de beslissing in de bodemprocedure afwacht. Daarmee, en het belang van de minderjarigen bij duidelijkheid over de zorgregeling, is de spoedeisendheid van de over en weer gedane vorderingen gegeven.
Nakoming zorgregeling
4.4.
De vrouw heeft op 2 april 2026 aan de man medegedeeld dat zij de zorgregeling tijdelijk aanpast, in die zin dat de grootmoeder moederszijde bij de volgende omgangsmomenten aanwezig zal zijn. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van de grootmoeder zal ieder omgangsmoment maximaal drie uur duren. Indien de man niet instemt met deze eenzijdige wijziging, zal er tijdelijk geen omgang plaatsvinden. De vrouw verwijst daarbij naar “zorgen over het welzijn van de kinderen die momenteel professioneel worden beoordeeld”. Sindsdien heeft de man geen contact meer gehad met de minderjarigen.
Standpunten partijen
4.5.
De man is van mening dat de vrouw gehouden is de zorgregeling onverkort na te komen. Uit niets blijkt dat er zorgen zijn over de veiligheid van de minderjarigen wanneer zij bij de man zijn. De vrouw heeft haar zorgen niet nader geconcretiseerd en onderbouwd. Bovendien, zo stelt de man, is hij nooit alleen met de minderjarigen tijdens omgangsmomenten. Zijn dochter is altijd aanwezig omdat zij ook graag contact heeft met de minderjarigen en zijn partner is er ook altijd want zij woont ook in de woning van de man. Ook strookt de stelling van de vrouw niet met de gemoedelijke communicatie tussen de man en de partner van de vrouw en diens verzoek om het paasweekend met de man te wisselen. Als de zorgen over de veiligheid van de minderjarigen inderdaad zo groot waren als de vrouw stelt, dan had het niet voor de hand gelegen om het omgangsweekend te verplaatsen met het aanbod dat de minderjarigen op een ander moment langer bij de man mogen zijn. De man meent dat de vrouw de zorgregeling heeft gestopt vanwege een meningsverschil over de opvoeding van de minderjarigen. Dit is geen rechtvaardiging voor het opschorten van de zorgregeling, aldus de man.
4.6.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat nakoming van de zorgregeling in strijd is met de belangen van de minderjarigen. De vrouw stelt dat de minderjarigen al vanaf het begin van de zorgregeling in zorgwekkende toestand bij haar werden teruggebracht na de omgangsmomenten. De minderjarigen waren regelmatig onverzorgd, vermoeid en ziek, klaagden over honger en gaven aan dat de man de zorg voor hen overliet aan anderen. Ook verklaarden zij herhaaldelijk dat de man tegen hen schreeuwde en hen fysiek corrigeerde. De situatie is in de loop van 2025 en begin 2026 verder verslechterd. De minderjarigen vertoonden in toenemende mate angstig gedrag in relatie tot de man. [minderjarige 2] heeft verteld bang te zijn voor zijn vader en niet meer naar hem toe te willen. [minderjarige 1] heeft meerdere malen gezegd dat zij zich onveilig voelt bij de man en dat zij tijdens omgangsmomenten onvoldoende verzorging en aandacht ontvangt. In maart 2026 heeft [minderjarige 1] verteld dat de man haar onder de douche had aangeraakt op intieme plekken. Deze verklaring past volgens de vrouw in een breder patroon van signalen van onveiligheid en grensoverschrijdend gedrag en is voor de vrouw de directe aanleiding geweest om de zorgregeling begin april 2026 op te schorten. De combinatie van structurele verwaarlozing, angstsignalen, meldingen van fysiek geweld en de ernstige aanwijzingen voor seksueel grensoverschrijdend gedrag rechtvaardigt naar de mening van de vrouw dat de zorgregeling voorlopig wordt opgeschort dan wel onder uitsluitend onder begeleiding plaatsvindt. De veiligheid van de minderjarigen moet zwaarder wegen dan het belang van de man bij onmiddellijke hervatting van het contact. Het risico dat de minderjarigen schade ondervinden, weegt zwaarder dan het belang van continuïteit van de zorgregeling, aldus de vrouw.
Wettelijk kader
4.7.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Inhoudelijke beoordeling
4.8.
Het uitgangspunt is dat een rechterlijke uitspraak over de omgang moet worden
nagekomen. Hierop zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is wanneer na de
uitspraak de omstandigheden zo zijn gewijzigd, dat volledige nakoming van die uitspraak
in strijd is met de belangen van de minderjarige. De tweede uitzondering is wanneer bij
het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.9.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten tijde van het wijzen van de beschikking van 19 februari 2026 geen zorgen waren over het verloop van de zorgregeling en dat deze zelfs, ook volgens de vrouw, goed verliep. De rechtbank heeft een raadsonderzoek gelast gericht over de vraag
welkezorgregeling het meest in het belang van de minderjarigen is, niet
ofeen zorgregeling in het belang is van de minderjarigen. Partijen zullen in de tussentijd nagaan welk hulpverleningstraject voor hen het beste is om de onderlinge communicatie te verbeteren. Het verzoek om een zorgregeling vast te stellen is aangehouden in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek. Onder 3.4.10. heeft de rechtbank overwogen dat ‘[h]et voorgaande betekent (ook) dat de zorgregeling wordt voortgezet zoals die in het proces-verbaal van 10 oktober 2025 is vastgelegd, tenzij partijen onderling anders afspreken’.
4.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw gehouden is de zorgregeling na te komen. De voorzieningenrechter acht de situatie en de manier waarop deze escaleert zeer zorgelijk. Echter, onvoldoende is gebleken dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin onverkorte nakoming van de zorgregeling in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen is, die daarop een uitzondering vormt. Op dit moment zijn de voorzieningenrechter geen objectieve aanwijzingen gebleken dat de veiligheid van de minderjarigen in het geding is bij de man. Daartoe neemt zij het volgende in aanmerking.
4.11.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn zorgen geuit over de situatie en de ernst van de beschuldigingen door de vrouw. De raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de minderjarigen uitlatingen doen in de context van een loyaliteitsconflict, ook gelet op de leeftijd van de minderjarigen. De beschuldigen van de vrouw passen volgens de raad in het patroon dat is ontstaan door de ernstige verstoring van de relatie op ouderniveau. De discussie over de veiligheid van de minderjarigen zorgt ervoor dat de minderjarigen op zodanige wijze worden betrokken in de strijd tussen partijen over de zorg- en opvoeding van de minderjarigen, dat dit ten koste gaat van het contact met de man.
4.12.
De vrouw baseert haar zorgen op uitingen die de minderjarigen bij haar hebben gedaan en haar eigen waarnemingen van het gedrag van de minderjarigen. De vrouw heeft haar zorgen hierover gemeld bij Veilig Thuis en zij is door de huisarts doorverwezen naar een kinderpsycholoog. In de stukken van Veilig Thuis en de kinderpsycholoog die de vrouw heeft overgelegd staan verklaringen bij de instanties van de vrouw. Niet blijkt uit de door haar overgelegde stukken dat de zorgen van de vrouw door onafhankelijke derden worden bevestigd. Een nader onderzoek naar de door haar geuite zorgen en de opvoedsituatie van de man heeft vooralsnog niet plaatsgevonden.
4.13.
Daartegenover heeft de man de zorgen van de vrouw gemotiveerd betwist. Uit een verklaring van school blijken geen zorgen over de verzorging van de minderjarigen door de man. Voorts heeft de man onweersproken gesteld dat zijn meerderjarige dochter steeds aanwezig is tijdens de omgangsmomenten, wat betekent dat hij niet alleen is met de minderjarigen. Ook de partner van de man is in de woning aanwezig. De man heeft geprobeerd deze nieuwe partner voor te stellen aan de vrouw, wat de vrouw zou afhouden. Relevant acht de voorzieningenrechter ook de WhatsApp-gesprekken tussen de man en de partner van de vrouw, waarin zij op 7 maart 2026 communiceren over een ruiling van zijn omgangsweekend tijdens de Pasen (3, 4 en 5 april 2026) met een ander weekend waarbij de man eventueel ook extra omgang kan krijgen. De appconversatie vervolgt op 27 maart 2026 met een discussie over de religieuze opvoeding van de minderjarigen en eindigt met een bericht van de partner van de vrouw op 28 maart 2026 en een spraakoproep van de man op 2 april 2026. De appconversatie tussen de man en de partner van de vrouw beslaat de periode waarin het gestelde douche-incident heeft plaatsgevonden. De toon van het gesprek en het feit dat de zorgregeling kennelijk nog tot eind maart heeft doorgelopen, geeft de voorzieningenrechter de indruk dat vanuit de vrouw en haar partner geen zorgen waren over de zorgregeling, althans dat deze niet zijn geuit. Pas nadat dit gesprek had plaatsgevonden lijkt het contact door de vrouw te zijn beëindigd.
4.14.
De voorzieningenrechter deelt de zorgen van de raad. Als de beschuldigingen van de vrouw over de man waar zijn, is dit zeer ernstig en schadelijk voor de minderjarigen. Maar als de beschuldigingen niet waar zijn, is dit net zo ernstig en schadelijk. Met de raad ziet de voorzieningenrechter vooral aanwijzingen dat de problematiek op ouderniveau speelt. De minderjarigen zijn op dit moment vier en zes jaar oud. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat zij de minderjarigen bevraagd na een omgangsmoment en onder meer vraagt “heeft pappa je geslagen?”. Ook heeft de vrouw bevestigd dat zij de nieuwe vrouw van de man niet kent. Het stopzetten van de zorgregeling, het plaatsen van de minderjarigen in de strijd en het vergroten van het loyaliteitsconflict acht de voorzieningenrechter schadelijk voor de minderjarigen. De voorzieningenrechter ziet daarin geen aanleiding de zorgregeling op te schorten of te beperken op de wijze die de vrouw voorstaat. Partijen zijn in afwachting van hulpverlening, die de voorzieningenrechter hier uiterst noodzakelijk acht. Het is het in het belang van de minderjarigen dat zij met beide ouders contact kunnen blijven houden. Het is de verantwoordelijkheid van ouders om de minderjarigen te vrijwaren van hun onderlinge spanningen en daar zo nodig hulpverlening voor in te schakelen. De voorzieningenrechter wenst daarbij op te merken dat partijen al in de beschikking van 19 februari 2026 erop zijn gewezen dat de communicatie verbetering behoeft. De onderhavige procedure is de derde procedure tussen partijen in korte tijd en laat zien dat de minderjarigen in toenemende mate lijden onder de strijd die hun ouders voeren over de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De voorzieningenrechter acht het noodzakelijk in het belang van de minderjarigen dat partijen hun verantwoordelijkheid als ouders nemen en (met hulpverlening) gaan werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie. Voorkomen moet worden dat de minderjarigen nog verder klem raken tussen partijen.
4.15.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man toewijzen onder afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
Dwangsom
4.16.
De voorzieningenrechter zal aan nakoming van de zorgregeling een dwangsom verbinden, omdat het contact van de man met de minderjarigen werkelijk weer moet worden opgepakt en niet weer onderbroken mag worden. Gelet op de houding van de vrouw heeft de voorzieningenrechter niet het vertrouwen in de vrouw dat zij zonder dwangsom die regeling nakomt.
4.17.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
Proceskosten
4.18.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in het
proces-verbaal van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2025 en bevestigd bij
beschikking van 19 februari 2026, inhoudende:
vanaf vrijdag om 15:00 uur (uit school/de BSO) tot maandagochtend om 08:00/08:30 uur (naar de BSO/school) zijn de kinderen bij de man. Dat betekent dat de man de kinderen op vrijdag uit school/de BSO ophaalt en op maandag naar de BSO/school brengt. Voor het overige verblijven de kinderen bij de vrouw. Deze regeling geldt ook tijdens schoolvakanties. De betreffende locaties zijn dan de wissellocaties;
5.2.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,- voor
iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een
maximum van € 5.000,- is bereikt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wierink en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.