Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .
2.De feiten
- vanaf vrijdag om 15:00 uur (uit school/de BSO) tot maandagochtend om 08:00/08:30 uur (naar de BSO/school) zijn de minderjarigen bij de man. Dat betekent dat de man de minderjarigen op vrijdag uit school/de BSO ophaalt en op maandag naar de BSO/school brengt. Voor het overige verblijven de minderjarigen bij de vrouw. Deze regeling geldt ook tijdens schoolvakanties. De betreffende locaties zijn dan de wissellocaties;
- de man zal niet naar de woning van de vrouw komen. De man zal evenmin naar de BSO komen behalve in het kader van deze afspraak. De man zal behalve in het kader van deze afspraak ook niet naar de school komen, tenzij dat is om zijn zoon [naam zoon] daar te halen of te brengen.
3.Het geschil in conventie en in reconventie
€ 10.000,- is bereikt, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.
4.De beoordeling
welkezorgregeling het meest in het belang van de minderjarigen is, niet
ofeen zorgregeling in het belang is van de minderjarigen. Partijen zullen in de tussentijd nagaan welk hulpverleningstraject voor hen het beste is om de onderlinge communicatie te verbeteren. Het verzoek om een zorgregeling vast te stellen is aangehouden in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek. Onder 3.4.10. heeft de rechtbank overwogen dat ‘[h]et voorgaande betekent (ook) dat de zorgregeling wordt voortgezet zoals die in het proces-verbaal van 10 oktober 2025 is vastgelegd, tenzij partijen onderling anders afspreken’.