ECLI:NL:RBROT:2026:5996

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/10/705141 HA ZA 25-692
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 BWArt. 150 RvArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 209 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering tot afgifte ordners in echtscheidingsprocedure

Partijen waren gehuwd en gezamenlijk eigenaar van een woning die aan de man is toegewezen met een verrekening van € 68.000,-. De man stelt dat hij meer dan € 150.000,- uit privévermogen heeft afgelost op de hypotheek, maar kan dit niet aantonen omdat de vrouw stukken zou achterhouden. Hij legde beslag op zes ordners in de woning van de vrouw, waarvan hij inzage of afgifte vordert.

De rechtbank beoordeelt in dit incident de vordering tot afgifte van de ordners. De man krijgt vier ordners toegewezen waarvan hij eigenaar is van de inhoud, namelijk de ordners met financiële stukken, salarisstroken en aankoopbewijzen. De afgifte van de rode en groene ordner wordt afgewezen omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij eigenaar is van de inhoud daarvan.

De subsidiaire vordering tot inzage in de afgewezen ordners wordt eveneens afgewezen wegens onvoldoende specificatie en onduidelijkheid over het belang. De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en compenseert de proceskosten tussen partijen. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van vier ordners toe en wijst de rest van de vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/705141 / HA ZA 25-692
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.R. van Leeuwen,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. Th. Kremers.

1.De kern van de zaak

Partijen zijn gehuwd geweest. Zij waren onder meer samen eigenaar van een woning in [woonplaats] . Die woning is door de rechtbank aan de man toegedeeld. De man moest daarvoor € 68.000,- aan de vrouw betalen. Daarbij heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de man € 150.000,- uit zijn privévermogen heeft afgelost op de gezamenlijke hypotheekschuld. Deze toedeling is bij het hof in stand gebleven. De man stelt dat hij méér dan € 150.000,- heeft afgelost uit privévermogen (en dus bij de verdeling benadeeld is) maar dat hij dit niet heeft kunnen aantonen omdat de vrouw stukken heeft achtergehouden. De man vordert daarom in deze procedure schadevergoeding van de vrouw wegens onrechtmatig handelen. De man heeft beslag laten leggen op een aantal ordners die zich in de woning van de vrouw bevonden. Volgens de man bevinden de door de vrouw achtergehouden stukken zich in die ordners. In het incident vordert de man dat de beslagen ordners aan hem ter beschikking worden gesteld.
De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van vier van de zes ordners toe. De rechtbank oordeelt nog niet over de vordering tot schadevergoeding.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, tevens conclusie van eis in het incident, van 5 augustus 2025 met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van antwoord in het incident, met producties 1 tot en met 28;
- de oproepingsbrieven van 5 november 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 2 maart 2026;
- de zittingsagenda van 3 februari 2026;
- de aanvullende zittingsagenda van 18 februari 2026;
- het B8-formulier van mr. Kremers, met kopieën van de huwelijkse voorwaarden van partijen en van het verweerschrift op het zelfstandig verzoek in de echtscheidingsprocedure van 21 januari 2019;
- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026 en de spreekaantekeningen van mr. Van Leeuwen.
2.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen in het incident.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn op 22 mei 2006 getrouwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere huwelijksgemeenschap behalve de gemeenschap van inboedel. Op 12 september 2018 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.
3.2.
In de huwelijkse voorwaarden hebben partijen afgesproken om bij echtscheiding met elkaar af te rekenen alsof het regime van algehele gemeenschap van goederen van toepassing was. Van die afrekening zijn uitgezonderd goederen die partijen bezaten vóór 1 april 2005 en goederen verkregen door schenking of vererving. Die goederen vormen de privévermogens van partijen.
3.3.
Partijen waren - tot de levering daarvan aan de man - samen eigenaar van een woning in [woonplaats] (hierna: de woning). Voor de aankoop van de woning zijn zij samen een hypothecaire geldlening aangegaan. De woning vormde een eenvoudige gemeenschap.
3.4.
Partijen zijn het erover eens dat hun huwelijkse voorwaarden zo moeten worden uitgelegd dat de partij die met privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning, een vordering op de eenvoudige gemeenschap van woning heeft.
3.5.
De rechtbank heeft de woning bij beschikking van 4 juli 2019 aan de man toegedeeld. Daarbij is bepaald dat de man de gezamenlijke hypotheekschuld voor zijn rekening moet nemen en wegens overbedeling € 68.347,- aan de vrouw moet betalen. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met een vergoedingsrecht van de man als gevolg van een aflossing op de hypotheekschuld van € 150.000,- vanuit het privévermogen van de man.
3.6.
De man heeft in de procedure bij de rechtbank gesteld dat hij, naast het bedrag van € 150.000,-, nog een aantal aflossingen uit privévermogen heeft gedaan. De rechtbank is hieraan voorbijgegaan omdat de vrouw dit heeft betwist en de man dit onvoldoende heeft onderbouwd.
3.7.
De man is in hoger beroep gegaan van de beschikking van de rechtbank. Het Gerechtshof Den Haag heeft de beslissing met betrekking tot de woning bij beschikking van 30 september 2020 bekrachtigd, overwegende:
“Het hof is van oordeel dat de man niet genoegzaam heeft onderbouwd dat hij - naast de aflossingen met genoemde schenkingen van zijn ouders van in totaal € 150.000 - nog andere aflossingen uit privévermogen heeft gedaan op de met de voormalige echtelijke woning samenhangende hypothecaire lening. Dat de vrouw over de bewijsstukken beschikt die de man daarbij nodig heeft, zoals de man stelt, staat naar het oordeel van het hof geenszins vast. De vrouw heeft gemotiveerd bestreden dat zij de administratie van de man zou hebben meegenomen.”
3.8.
In maart 2024 heeft de man conservatoir beslag laten leggen op zes ordners die zich bevonden in de woning van de vrouw. Vervolgens is de man een procedure gestart bij het Gerechtshof Den Haag waarin hij het hof verzocht de beschikking van 30 september 2020 te herroepen op de grond dat de vrouw stukken van beslissende aard heeft achtergehouden en bedrog heeft gepleegd door daarover tijdens de procedure te liegen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen omdat de vrouw heeft betwist dat zij wist van de aanwezigheid van de ordners, en de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat vrouw stukken opzettelijk heeft achtergehouden.
3.9.
Op 23 juli 2025 heeft de man opnieuw conservatoir beslag laten leggen op de ordners. De ordners bevonden zich toen en ook nu nog onder de deurwaarder.

4.Het geschil in het incident

4.1.
De man vordert in het incident - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair beslist dat de zes ordners die onder beslag liggen ter beschikking gesteld moeten worden aan de man;
  • subsidiair beslist dat de man recht heeft op inzage in de ordners, en in de gelegenheid moet worden gesteld om afschriften daarvan te maken;
  • althans beslist zoals de rechtbank redelijk acht.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn vorderingen verduidelijkt, in die zin dat de vrouw toestemming moet geven aan de deurwaarder om de ordners aan de man af te geven, dan wel om de man inzage in de ordners te geven.
4.3.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de man in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen in het incident wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.Het geschil in de hoofdzaak

5.1.
In de hoofdzaak vordert de man dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de vrouw veroordeelt tot betaling van €44.806,10 inclusief rente, of tot betaling van een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk en gepast acht;
  • de vrouw veroordeelt in de kosten van de beslagleggingen van de mappen voor een bedrag van €3.430,91;
  • de vrouw veroordeelt om de proceskosten van de herzieningsprocedure aan de man te voldoen, zijnde een bedrag van € 1.592,-.;
  • de vrouw veroordeelt tot betaling van de nodeloze proceskosten welke door de man aan haar zijn voldaan ad € 2.777,-;
  • de vrouw veroordeelt tot betaling van nadere posten zoals die blijken en in voorkomend geval bij aparte akte worden ingebracht in deze procedure;
  • de man toestaat de mappen bij de deurwaarder af te halen;
  • de vrouw veroordeelt in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
5.2.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van de man in de kosten van deze procedure.
5.3.
Op de stellingen van partijen in de hoofdzaak zal in dit vonnis niet worden ingegaan omdat in dit vonnis geen beslissing in de hoofdzaak wordt gegeven.

6.De beoordeling in het incident

6.1.
Op grond van artikel 209 Rv Pro wordt op de incidentele vorderingen, indien de zaak dat medebrengt, eerst en vooraf beslist. De man wil na het vonnis in het incident mogelijk zijn vordering aanpassen naar aanleiding van de informatie die zich bevindt in de ordners waarvan hij afgifte vordert. Dat betekent dat op de vordering in het incident eerst en vooraf moet worden beslist.
De vordering tot afgifte
6.2.
De man vordert primair dat de vrouw wordt veroordeeld om toestemming te geven aan de deurwaarder om de zes ordners die in beslag zijn genomen aan hem af te geven.
De man baseert deze vordering op het eigendomsrecht. Volgens artikel 5:2 BW Pro is de eigenaar van een zaak bevoegd de zaak op te eisen van een ieder die haar zonder recht houdt. Degene die een zaak op deze grond opeist, in dit geval de man, moet voldoende stellen en onderbouwen dat hij eigenaar van de betreffende zaak is. Dit volgt uit de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro.
De rode ordner met het opschrift ‘Vodafone [de vrouw] + contract Vodafone [de man] ’
6.3.
De rechtbank wijst de afgifte van de rode ordner aan de man af. Uit het beslagexploot blijkt dat deze ordner op het moment van beslaglegging vrijwel leeg was. De deurwaarder heeft blijkens het exploot een stapel losse papieren gevonden en heeft deze losse papieren in de rode map gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man niet weet om wat voor papieren het gaat. Daarmee heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hij eigenaar is van (de inhoud van) deze ordner.
De groene ordner met het opschrift ‘Belastingdienst’
6.4.
De rechtbank wijst de afgifte van de groene ordner aan de man af. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij deze ordner al had voordat partijen gingen samenwonen en dat haar belastingaangiften in deze ordner zitten. De man heeft niet toegelicht wat er volgens hem in de groene ordner zit. Aldus heeft de man zijn stelling dat de groene ordner van hem is onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.
De blauwe ordner met het opschrift ‘Benoni Financiën’
6.5.
De vordering tot afgifte van de blauwe ordner aan de man wordt toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat in deze ordner verschillende (financiële) stukken zitten die betrekking hebben op de woning die van hem is en waarin hij momenteel woont. De vrouw heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarmee staat vast dat de man eigenaar is van (de inhoud van) deze ordner en dat deze ordner dus aan de man moet worden afgegeven.
De grijze ordner met het opschrift ‘salaris [de man] ’
6.6.
De grijze ordner moet ook aan de man worden afgegeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat zijn salarisstroken in deze ordner zitten. De vrouw heeft dit niet betwist. Daarmee staat vast dat de man eigenaar is van (de inhoud van) deze ordner.
De twee witte ordners met het opschrift ‘Aankopen Algemeen’ en ‘contracten en uitgaven [de man] ’
6.7.
De vordering tot afgifte van de twee witte ordners aan de man wordt toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat in de witte ordner met het opschrift ‘Aankopen Algemeen’ aankoopbewijzen zitten van de keuken, de badkamer, vloerbedekking, tegels en dergelijke, die zich in zijn woning bevinden. In de witte ordner met het opschrift ‘contracten en uitgaven [de man] ’ bevinden zich volgens de man contracten die hij had met bedrijven waar hij zaken mee deed. De vrouw heeft dit niet betwist. Daarmee staat vast dat de man eigenaar is van (de inhoud van) deze ordners.
De subsidiaire vordering tot inzage
6.8.
Omdat de primaire vordering tot afgifte van de rode en de groene ordner wordt afgewezen, zal de rechtbank beoordelen of de subsidiaire vordering tot inzage in deze ordners voor toewijzing vatbaar is.
6.9.
In artikel 195 Rv Pro is bepaald dat een partij aan de rechter die de hoofdzaak behandelt kan verzoeken om de wederpartij te bevelen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken. Voor toewijzing van zo’n verzoek moet aan de vereisten van artikel 194 Rv Pro worden voldaan, te weten: (i) degene die informatie van een ander verlangt moet partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn en betrekking hebben op die rechtsbetrekking. Verder moet (iii) de partij die inzage verlangt een voldoende belang hebben bij haar vordering en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.
6.10.
De rechtbank wijst de inzagevordering van de man af. De man heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt wat voor gegevens hij verwacht aan te treffen in de groene en de rode ordner. De gegevens waarvan de man inzage vordert, zijn dus onvoldoende bepaald, en ook onduidelijk is of die gegevens betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de man partij is.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
6.11.
De rechtbank zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat de man dat heeft gevorderd en de vrouw daar geen verweer tegen heeft gevoerd (artikel 233 Rv Pro).
De proceskosten worden gecompenseerd
6.12.
Gelet op de relatie tussen partijen en op het feit dat beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

De rechtbank
in het incident
7.1.
veroordeelt de vrouw om aan de deurwaarder die de ordners in bewaring heeft toestemming te geven tot afgifte aan de man van:
  • de blauwe ordner met het opschrift ‘Benoni Financiën’;
  • de grijze ordner met het opschrift ‘salaris [de man] ’;
  • de witte ordner met het opschrift ‘Aankopen Algemeen’;
  • de witte ordner met het opschrift ‘contracten en uitgaven [de man] ’;
7.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak
7.5.
verwijst de zaak naar de rol van 17 juni 2026 voor het nemen van een akte uitlating door de man en bepaalt dat de man, indien hij zijn eis wenst te wijzigen, dat bij die akte moet doen;
7.6.
verstaat dat de vrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om bij antwoordakte te reageren waarna de zaak in beginsel voor het wijzen van vonnis in de hoofdzaak komt te staan;
7.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
3961/3310/1729