ECLI:NL:RBROT:2026:6

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/10/694912 / HA ZA 25-179
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadestaatprocedure tegen oud-rechter en Staat der Nederlanden wegens misbruik van procesrecht

In deze zaak, die zich afspeelt in de rechtbank Rotterdam, betreft het een schadestaatprocedure die volgt op eerdere rechtszaken tussen de eiser, een journalist, en de gedaagde, een oud-rechter, alsook de Staat der Nederlanden. De eiser vordert schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van misbruik van procesrecht door de gedaagde. De achtergrond van de zaak ligt in een eerdere procedure waarin de oud-rechter de journalist had aangeklaagd op basis van onjuiste feitelijke grondslagen. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in eerdere arresten geoordeeld dat de oud-rechter onrechtmatig heeft gehandeld door de journalist te dagvaarden. In deze schadestaatprocedure vordert de eiser onder andere vergoeding van inkomensschade, immateriële schade en juridische kosten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de gevorderde inkomensschade en dat de reputatieschade voornamelijk het gevolg is van het eigen handelen van de eiser. De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van juridische kosten gedeeltelijk toegewezen, maar de overige vorderingen afgewezen. De Staat is ook betrokken in deze procedure, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat de eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd voor schade die het gevolg is van de financiering van de procedure door de Staat. De rechtbank heeft de proceskosten tussen de partijen gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/694912 / HA ZA 25-179
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te Bangor, Noord-Ierland,
eiser,
advocaat: mr. T.J. Stapel,
tegen

1.[gedaagde] ,

wonende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. A.R.J. Croiset van Uchelen,
2a.
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend te Den Haag,
2b.
DE RAAD VOOR DE RECHTSPRAAK,
zetelend te Den Haag,
gedaagden,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland.
Partijen worden hierna [eiser] , [gedaagde] , de Staat en de Raad voor de rechtspraak genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Deze zaak is een schadestaatprocedure en volgt op de volgende hoofdprocedures:
1) de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met zaaknummer 200.172.773/02, die is geëindigd bij eindarrest van 26 mei 2020, en
2) de zaak tussen [eiser] en de Staat bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met zaaknummer 200/280.336/01, die is geëindigd bij eindarrest van 21 maart 2023.
1.2.
Deze hoofdprocedures volgden op hun beurt op een procedure (in eerste aanleg en in hoger beroep) die [gedaagde] , oud-rechter in de rechtbank Den Haag, tegen [eiser] , journalist, had gevoerd. De aanleiding daarvan was de publicatie van een door [eiser] geschreven boek, waarin [eiser] verslag deed van een gesprek met een advocaat die [gedaagde] verweet dat hij in de zogenoemde Chipshol-zaak voorafgaand aan een zitting met advocaten had gebeld. Volgens [gedaagde] had dat telefoongesprek niet plaatsgevonden. Deze procedure is in eerste aanleg en in hoger beroep voor [gedaagde] gefinancierd door de Staat.
1.3.
In de hoofdprocedure van [eiser] tegen [gedaagde] heeft het gerechtshof
’s-Hertogenbosch vastgesteld dat het hiervoor bedoelde telefoongesprek wel had plaatsgevonden en heeft het hof geoordeeld dat [gedaagde] , door een procedure tegen [eiser] aan te spannen op de onjuiste feitelijke grondslag van ontkenning van dat telefoongesprek, misbruik van procesrecht heeft gemaakt/onrechtmatig heeft gehandeld. Om die reden heeft het hof [gedaagde] veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van dat misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen.
1.4.
In de hoofdprocedure van [eiser] tegen de Staat en de Raad voor de rechtspraak heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de Staat veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden de schade die het gevolg is van het feit dat de Staat de procedure heeft gefinancierd die [gedaagde] tegen [eiser] heeft gevoerd, vanaf de procedure in hoger beroep.
1.5.
In deze schadestaatprocedure stelt [eiser] dat de door hem geleden schade bestaat uit inkomensschade, immateriële schade en juridische kosten en vordert hij dat [gedaagde] en de Staat tot vergoeding daarvan worden veroordeeld. In dit vonnis beoordeelt de rechtbank de door [eiser] gestelde schadeposten. De rechtbank komt tot de conclusie dat alleen toewijsbaar is een deel van de gevorderde juridische kosten ten aanzien van [gedaagde] . De overige vorderingen worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 februari 2025, met producties 1 tot en met 7,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 19,
- de conclusie van antwoord van de Staat (de Raad voor de rechtspraak), met producties 1 tot en met 13,
- de brieven van de rechtbank van 10 juni 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
- het e-mailbericht van de rechtbank van 3 oktober 2025, waarbij een zittingsagenda aan partijen is verstuurd,
- de nadere producties 8 en 9 van [eiser] ,
- de akte in het geding brengen producties van [gedaagde] , met producties 20 tot en met 24,
- de mondelinge behandeling van 3 november 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Stapel, Croiset van Uchelen en Nieuwland.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is (oud-)journalist. Hij schreef artikelen voor onder meer NRC Handelsblad, de Telegraaf en het Advocatenblad. Daarnaast organiseerde hij jaarlijks het Nationaal Juristencongres.
3.2.
[gedaagde] was vice-president van de rechtbank Den Haag. Als rechter was hij in 1994 betrokken bij procedures in ‘de Chipshol-zaak’. Die zaak hield verband met een projectontwikkeling van grond bij de luchthaven Schiphol.
3.3.
[eiser] heeft in 2003 diverse digitale artikelen op de website van Theo van Gogh gepubliceerd, waaronder artikelen met de volgende teksten:
“(…) Drie van de vijf NRC-commentatoren besmet en de vierde…
Over het collegium commentatorum gesproken, het meest eerbiedwaardige en gezaghebbende gremium van de krant… Van drie van de vijf leden kan inmiddels worden vastgesteld dat ze hun onpartijdigheid te grabbel hebben gegooid: [naam 1] en [naam 2] hebben hun ziel verkocht aan de rechterlijke macht (…) en [naam 3] liep al eerder tegen de lamp als geheim PvdA-regelneefje. Blijven over de leden ‘ [naam 4] ’ en [naam 5] . Wat [naam 4] betreft… Deze klaploper is, zo melden mij bronnen bij NRC, bijna nooit op de krant maar vangt wel ruim een eurotonnetje (…). Het begint een continuing story te worden met [naam 6] , waarde lezers. Leugens, achterbaks gedrag en knieën van pudding (…).
en
“(…) [naam 7] reageerde paniekerig, maar toen hij zag dat er voor hem op het overvolle terras geen ontkomen aan was zei hij ‘dag [naam 8] ’. Hij verkeerde in stadium vier op de schaal van Korsakov dankzij excessieve consumptie van wat hij noemde ‘spritzers’: een mengsel van witte wijn en Spa rood.
[naam 7] is een authentiek journalist met een delicate mengeling van distinctie en verlopenheid, arrogantie en zelfspot (…)”.
en
“(…) Er is nog zo veel te bespreken over NRC.... Ik moet nog vertellen door wiens benen [naam 9] de krant is binnengekropen, ik heb al maanden een tip liggen over de corrupte [naam 10] die ooit een recensie in de krant schreef over een documentaire over [naam 11] waar hij zelf aan meewerkte maar zijn naam van de aftiteling liet verwijderen omdat hij zo bang was voor zijn baantje bij NRC... Nog veel en veel meer tips en leads over belangenverstrengelingen en zakkenvullerij bij Lux et Libertas bereiken me (…) Ik had recent het onuitsprekelijke genoegen tegenover [naam 12] te komen zitten in de trein. Ze droeg een absurde bril bezet met diamanten, waarschijnlijk betaald van de royalties van het door haar eigen krant en op haar eigen economie featurepagina geplugde boek over pretparken. Ja lezers, het is me een verzameling idioten daar in Rotterdam, dat verzin je gewoon niet! Als ze niet zo corrupt waren, zou je er nog om kunnen lachen (…). De paradox: de verzuurde en gefrustreerde redactrice zit eenzaam in haar eerste klas coupé te bladeren in boekjes over pretparken!
(…)”.
3.4.
[eiser] heeft verder een boek geschreven met de titel “Topadvocatuur; in de keuken van de civiele rechtspraktijk”. Dit boek is in 2004 uitgegeven en bevat een weergave van gesprekken van [eiser] met een aantal advocaten, onder wie [naam 13] (hierna: [naam 13] ), die als advocaat betrokken was bij procedures over de Chipshol-zaak. In het boek is als uitlating van [naam 13] onder andere opgetekend:
“(…) Maar bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die[uitvoerig, rechtbank]
met advocaten gaan bellen over de zaak. In de Chipshol zaak is dat ook gebeurd met mr. [gedaagde] van de Haagse Rechtbank (…)”.
3.5.
In april 2004 is [gedaagde] een gerechtelijke procedure tegen [naam 13] , [eiser] en zijn uitgever begonnen, waarin [gedaagde] onder meer schadevergoeding heeft gevorderd op grond van aantijgingen jegens hem in het onder 3.4 bedoelde boek. De kosten van [gedaagde] voor het voeren van deze procedure zijn door de Staat (Raad voor de rechtspraak) betaald.
3.6.
Bij vonnis van 14 december 2005 heeft de rechtbank Rotterdam in de onder 3.5 vermelde procedure de vordering van [gedaagde] tegen [eiser] afgewezen. [gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De kosten van [gedaagde] voor het voeren van de procedure in hoger beroep zijn eveneens door de Staat (Raad voor de rechtspraak) betaald.
3.7.
[eiser] heeft vanaf 2004 op zijn eigen website diverse digitale artikelen gepubliceerd over onder meer [gedaagde] . Deze artikelen bevatten de volgende teksten:
In 2004
“(…)
Naast en bovenop dit alles zijn er ook nog persoonlijke banden bloot te leggen tussen [gedaagde] en de door hem bevoordeelde procespartij; zo waren [gedaagde] en [naam 14] , de voornaamste tegenstander van Chipshol (…) jarenlang buurmannen (…). Het geval- [gedaagde] komt bovenop andere zaken die een sterke wissel trekken op de integriteit van de zittende magistratuur in Nederland. Bij de rechtbank in Amsterdam (…) bleek een rechter een onmogelijk vonnis te hebben gewezen om zijn broer (…) uit de wind te houden en een ex-vice president van de rechtbank te Maastricht lijkt thans middels klassenjustitie extreem mild te worden gestraft voor zedendelicten in de sfeer van kinderporno.
(…)”.
In 2005
“(…)
Opnieuw heeft het lid van de Raad voor de Journalistiek [naam 15] zichzelf ernstig in opspraak gebracht (…). Het optreden van [naam 15] begint criminele trekjes te vertonen (…). Als [naam 15] een echte kerel is begint hij een civiele zaak tegen deze site. Mede daarom heb ik hem in de kop van dit stuk als ‘crimineel’ aangeduid. Het kan toch niet zo zijn dat [naam 15] als lid van de Raad allerlei vage zaken behandelt tegen deze site, maar dat hij stil blijft zitten als hij hier als ‘crimineel’ wordt neergezet? [naam 15] , u bent een smerige schande voor de rechtsstaat, een abject en medelijkwekkend monster en daarnaast ook nog een schraperige zakkenvuller die de integriteit van de journalistiek door de stront sleurt!
In 2006
“(…) De affaire- [gedaagde] dreigt te gaan escaleren. De bobo’s van de rechterlijke macht met als ‘hoogste’ representant [naam 16] , de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak scharen zich en masse achter de intimiderende vice-president van de Haagse rechtbank [gedaagde] . Dit blijkt uit een brief die [naam 16] op 3 mei schreef (…)”
en
“(…) [gedaagde] , U BENT EEN CRIMINEEL! U PLEEGDE MEINEED!
[gedaagde] (…) heeft ten overstaan van zijn collega’s van de Rotterdamse rechtbank zonder blikken of blozen een 100% meineedige verklaring afgelegd (…). Daarom durft deze website zonder enige angst voor een proces het volgende op te schrijven: rechter [gedaagde] is een crimineel en dient door het OM te worden vervolgd (…)”.
en
“(…)
De redactie van klokkenluideronline roept burgers van ons bedreigde Nederland op zich te melden (…) om mede aangifte te doen bij het OM tegen de vice-president van de Haagse rechtbank, de crimineel [gedaagde] die zich schuldig heeft gemaakt aan het delict meineed (…). [gedaagde] verdient het aan de hoogste boom te worden opgeknoopt (…). Dus burgers, meld u aan, dan kunnen we met z’n allen deze rotte appel uit de rechtelijke macht wegsnijden en opbergen achter de tralies waar hij thuishoort!
(…)”
In 2010
“(…) Stapelgek worden we van al die gestresste vrouwen in de rechterlijke macht die op geen enkele wijze gezag en vertrouwen kunnen uitstralen maar louter lijken te kruipen van angst voor de mannelijke top van juridisch Nederland die alles bepaalt (…)”
en
“(…) Vorige week kregen [gedaagde] ‘de Liegende Rechter’ (en de corrupte rechter) [gedaagde] bezoek van een deurwaarder (…). Het is een raadsel waar de reeds als een corrupte crimineel ontmaskerde ex-rechter de arrogantie nog vandaan weet te halen (…)”
In 2011
“(…) Via powerplay en juridische intimidatie -op staatskosten nog wel- meende de Liegende Rechter [naam 13] en [eiser] met behulp van zijn amices in toga wel even het zwijgen te kunnen opleggen (…). De rechterlijke macht blijft autistisch en paranoide vasthouden aan de mythe van de eigen onfeilbaarheid (…). Dat het totaal corrupte en mega-criminele kantoor van de landsadvocaat dan ook vrijuit gaat in het recente vonnis is een hilarische schande, een schokkende en weerzinwekkende proeve van klassenjustitie uit de meest duistere krochten van het spookhuis van de Nederlandse rechtstaat.
In 2012
“(…) We wisten het al: de corrupte mastodonten in Den Haag zouden never nooit niet de beslissing nemen ‘hun’ voormannen [gedaagde] en [naam 17] die alles weten van de Haagse juridische en pedofiele beerputten te gaan vervolgen of te ‘verraden’ in hun beleving (…)”
en
“(…) [naam 17] vervolgen voor meineed bij zijn verhoor in de Chipshol-zaak is net zoiets als Adolf Hitler vervolgen voor rijden door rood licht. De man heeft namelijk een spoor van verwoesting en corruptie door juridisch Nederland getrokken. Kan ook moeilijk anders. Eens een dief, altijd een dief. Eens een corrupte rechter, altijd een corrupte rechter (…)”.
en
“(…) De Staat der Nederlanden doet er in de aanloop naar de werkelijke strafzaken van
de eeuw -die tegen de criminele ex-toprechters [gedaagde] en [naam 17] - alles aan de zaken te saboteren en het maatschappelijk klimaat rond de zaken te vergiftigen. Ga maar na: een ‘vertrekpremie’ van bijna vier ton voor consigliere [naam 17] bij de NNa -die hij ook op criminele wijze heeft bestuurd- waar de minister ‘niets aan kan doen’, al ‘betreurt’ hij het natuurlijk wel (…). Dan blijft [naam 17] -om hem moreel nog eens extra ‘goed te keuren’- gewoon lid van de commissie-Deetman die
seksueel misbruik onderzoek binnen de RK Kerk. Zijn taak is hier om in nauw overleg met
[naam 18] te zorgen dat er geen pedo-geestelijken voor de rechter komen (…)”.
en
“(…)
Chipsholzaak gebaseerd op complottheorie kopt De Telegraaf vandaag alsof er in acht jaar tijd geen container aan feiten en bewijs is opgebouwd over de leugens en de corruptie van [gedaagde] en [naam 17] . Echt onverwacht is het niet, maar het is toch ook wel weer schokkend te zien hoe diep de fascisten van De Telegraaf steeds weer gaan bij het verkrachten van de feiten ten dienste van de oplichters, kinderverkrachters en andere justitie-zwendelaars (…)”.
en
“(…)
Nadat kruimeldief [naam 19] en zijn moeder, de met criminelen heulende [naam 20] , hun gekochte ‘overwinning’ op [eiser] bij de Amsterdamse voorzieningenrechter hoog van de toren bliezen (…) heeft het team van [eiser] en klokkenluideronline besloten aangifte te doen tegen rechter [naam 21] . Het vonnis is crimineel van aard en bewijst dat [naam 21] deel uitmaakt van een criminele organisatie die is gericht op het faciliteren en beschermen van de zwarte mafia bij het bedriegen en leegplunderen van de bevolking (…). Maar het is natuurlijk allemaal nog veel erger met die [naam 21] . Mensen, stel je voor. Je bent rechter. Je zit achter de tafel (…). Ja die [eiser] kennen we hier wel, hij heeft onze president [naam 22] ooit ontmaskerd als onderdeel van het juridische pedo-netwerk en als corrupte president van het Hof in Leeuwarden (…)”.
“(…)
Een dag voordat de totaal corrupte Utrechtse zwendel-rechters [gedaagde] en [naam 17] een ‘taakstraf’ zullen opleggen die ze niet hoeven uit te voeren komen nieuwe verbijsterende feiten aan het licht (…)”
en
“(…)
Vandaag heeft het OM bekend gemaakt in hoger beroep te gaan tegen de meineedrechters [gedaagde] en [naam 17] (…) Breng samen met [eiser] de zwarte mafia op de knieën! Komt allen op 10-12-12 naar de Haagse rechtbank!
(…)”
In 2013
“(…)
Je ziet het ook aan de terugtrekkende bewegingen van de zwarte mafia: [gedaagde] -advocaat [naam 25] zet zijn intimidaties niet door waardoor het beslag van [eiser] op het huis van [gedaagde] in stand blijft en ook de bloedhond van de Telegraaf [naam 23] lijkt in zijn hok te zijn teruggejaagd. Waarschijnlijk wachten deze advocaten in hun torens hoog en droog op het moment dat de doodseskaders van Justitie hun werk hebben gedaan. Dan kunnen ze hun dossiers sluiten en hun rekeningen versturen.
(…)”
3.8.
Op 3 mei 2006 heeft de toenmalige voorzitter van de Raad voor de rechtspraak ( [naam 16] ) een brief gestuurd aan een lid van de Tweede Kamer ter beantwoording van vragen die waren gesteld over de procedure van [gedaagde] tegen [eiser] en [naam 13] . Deze brief luidt voor zover hier van belang:
“(…) In 2004 zijn tussen de Raad en de gerechten (met uitzondering van de Hoge Raad) afspraken gemaakt over de behandeling van claims die tegen de Staat der Nederlanden aanhangig worden gemaakt wegens het optreden van (bestuurders, leden en personeel van) die gerechten (…).
De afspraken kunnen, zo is in juni 2004 ook vastgelegd, op overeenkomstige wijze worden toegepast indien het instellen van een vordering dóór de Staat der Nederlanden wordt overwogen. Ook is er rekening mee gehouden dat in uitzonderlijke gevallen het instellen van een vordering dóór een rechter op overeenkomstige wijze kan worden behandeld (…).
(…)
In de door u genoemde aangelegenheid is sprake van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. Namens de betrokken rechter is, na daartoe strekkend advies van de Landsadvocaat, een procedure aanhangig gemaakt tegen een journalist, diens uitgever en de bron van de journalist. De bron, een advocaat en procureur, had aantijgingen geuit van ernstige aard die het aanzien van de rechter, het ambt en de rechterlijke macht schaadden. De journalist heeft op geen enkele manier geprobeerd de juistheid van die aantijgingen te verifiëren of zelfs maar de betrokkene of het betrokken gerecht de gelegenheid gegeven zich uit te spreken over (de onjuistheid van) de aantijging (…).(…) Het is veeleer zo dat de Raad en het betrokken gerechtsbestuur zélf zich op het standpunt stellen dat het handelen van de advocaat en van de journalist (en diens uitgever) niet door de beugel kan en schadelijk is voor het functioneren van de rechtspraak (…)”
3.9.
Bij arrest van 23 juni 2009 heeft het gerechtshof Den Haag – voor zover hier van belang – het onder 3.6 vermelde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005 ten aanzien van de vordering van [gedaagde] tegen [eiser] bekrachtigd.
3.10.
Vervolgens is [eiser] een procedure tegen [gedaagde] begonnen en heeft hij gevorderd om [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden alle door hem geleden en nog te lijden schade. [eiser] legde aan deze vordering – kort gezegd – ten grondslag dat [gedaagde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt door, tegen beter weten in, een procedure tegen [eiser] te beginnen, gebaseerd op een feitelijke grondslag waarvan [gedaagde] wist dat deze onwaar was. Bij vonnis van 19 februari 2014 heeft de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Amsterdam die vordering van [eiser] afgewezen. [eiser] heeft daarop hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld.
3.11.
In 2018 heeft [eiser] [gedaagde] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland. In die procedure vorderde [eiser] een voorschot op schadevergoeding. Bij vonnis van 18 juli 2018 (gewezen onder rol- en zaaknummer C/16/462634 / KG ZA 18-394) heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 19 maart 2019 (gewezen onder zaaknummer 200.245.182) dat vonnis bekrachtigd, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het hoger beroep.
3.12.
In het hoger beroep inzake het vonnis van 19 februari 2014 (zie 3.10) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij eindarrest van 26 mei 2020 [1] (gewezen onder zaaknummer 200.172.773/02) dat vonnis vernietigd en [gedaagde] veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen door [gedaagde] , nader op te maken bij staat. Dit arrest luidt voor zover hier van belang:
“(…)
9.4 (…)
Dit houdt in dat tussen [eiser] en [gedaagde] vaststaat dat voorafgaand aan het pleidooi van 8 december 1994 telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [naam 13] . Daarmee staat ook vast dat [gedaagde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt/onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure tegen [eiser] aan te spannen op de onjuiste feitelijke grondslag van ontkenning van genoemd telefonisch contact tussen [gedaagde] en [naam 13] (…).
9.5
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] in beginsel aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van genoemd misbruik van procesrecht/ onrechtmatig handelen door [gedaagde] (…).
(…)
9.6.2
Voor zover [eiser] bedoelt (ook) in de huidige procedure een volledige proceskostenveroordeling te vorderen, geldt het volgende.
Zoals hierboven al overwogen, bestond het misbruik van procesrecht uit het door [gedaagde] op de genoemde onjuiste feitelijke grondslag aanspannen van de procedure tegen [eiser] (…). Schade bestaande uit (aanvullende) proceskosten voor die procedure, kan in de schadestaatprocedure aan de orde worden gesteld.
Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] in de huidige, door [eiser] tegen [gedaagde] aangespannen procedure misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Dat betekent dat voor een volledige proceskostenveroordeling van [gedaagde] in de huidige procedure geen aanleiding bestaat.
(…)”.
3.13.
[eiser] is ook een procedure begonnen tegen de Staat en de Raad voor de rechtspraak. In die procedure vorderde [eiser] de Staat en de Raad voor de rechtspraak te veroordelen om alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade te vergoeden die er het gevolg van is dat de Staat de proceskosten van [gedaagde] in zijn procedures tegen [eiser] heeft gefinancierd. De rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Amsterdam heeft bij eindvonnis van 19 februari 2014 [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tegen de Raad voor de rechtspraak en de vorderingen van [eiser] tegen de Staat afgewezen.
3.14.
In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het onder 3.13 vermelde vonnis bij eindarrest van 21 maart 2023 [2] (gewezen onder zaaknummer 200/280.336/01) vernietigd en heeft hij de Staat veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden de schade die het gevolg is van het feit dat de Staat de procedure heeft gefinancierd die [gedaagde] tegen [eiser] heeft gevoerd, vanaf de procedure in hoger beroep, nader op te maken bij staat. Dit arrest luidt voor zover hier van belang:
“(…)
6.3.2
De rechtbank heeft (…) met het eindvonnis van 19 februari 2014:
- [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen de Raad voor de rechtspraak (rov. 4.2 t/m 4.5 eindvonnis)
- de vordering van [eiser] tegen de Staat afgewezen (rov. 4.8 t/m 4.14);
(…)
6.3.6
Het hoger beroep van [eiser] is (slechts) gericht tegen rov. 4.12 en 4.13 van het eindvonnis. Daarop zal het hof hierna nader ingaan.
6.3.7
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangevoerd dat hij aan zijn vordering ook ten grondslag legt dat de brief van [naam 16] (…) zijn reputatie heeft geschaad. De Staat heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat dit moet worden beschouwd als een nieuwe grief. Het hof is van oordeel dat de Staat terecht bezwaar heeft gemaakt, omdat dit in strijd komt met de zogenaamde twee-conclusie-regel. [eiser] heeft niet aangevoerd dat of waarom een uitzondering moet worden gemaakt op die regel. Deze grondslag voor de vordering is dus te laat naar voren gebracht en zal niet in de beoordeling worden betrokken.
(…)
6.4.8
Het hof dient te beoordelen of destijds (bij aanvang van de procedure tegen [eiser] ) de Staat in redelijkheid tot zijn beslissing kon komen (…). Het hof is van oordeel dat het argument van (het beschermen van) de integriteit van de rechtspraak (…) een valide argument was om de procedure te bekostigen, dat de Staat destijds niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van [gedaagde] en dat de Staat toen, in 2004, om deze redenen in redelijkheid kon komen tot de beslissing om de procedure van [gedaagde] tegen [eiser] te gaan financieren.
(…)
6.4.10
Kortom, zonder nadere informatie die de Staat niet heeft gegeven, gaat het hof ervan uit dat de Raad voor de rechtspraak zich eenvoudigweg heeft laten overhalen om het hoger beroep te bekostigen, omdat [gedaagde] al in hoger beroep was gekomen en de rechtbank Den Haag de kosten anders ging betalen. Dat is dus een andere reden dan het aanvankelijk belang van de bescherming van de integriteit van de rechtspraak. Waarom het bekostigen van het hoger beroep toen nog in het algemeen belang was (terwijl ook mogelijk was dat dit vanwege de negatieve publiciteit juist niet in het algemeen belang was), heeft de Staat niet duidelijk gemaakt.
(…)”.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade door omzetderving van € 1.150.493,00,
2) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser] geleden immateriële schade van € 250.000,00,
3) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het onder 1) en 2) gevorderde vanaf 20 april 2004 tot aan de dag van volledige betaling,
4) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de kosten voor juridische bijstand van [eiser] , tot de dag van dagvaarding begroot op € 20.000,00 (excl. btw),
5) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,00,
6) zo nodig een tweede deskundige benoemt op het gebied van de door [eiser] geleden inkomensschade,
7) zo nodig een deskundige benoemt op het gebied van de door [eiser] geleden immateriële schade,
8) gedaagden veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van het gevorderde, kosten rechtens.
4.3.
De conclusie van de Staat en de Raad voor de rechtspraak strekt eveneens tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[eiser] heeft – naast [gedaagde] – zowel de Staat als de Raad voor de rechtspraak gedagvaard. Bij vonnis van 19 februari 2014 (zie 3.13) heeft de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Amsterdam, [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen de Raad voor de rechtspraak. Uit het arrest van 21 maart 2023 (zie 3.14) leidt de rechtbank af dat [eiser] in hoger beroep niet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is opgekomen. De rechtbank begrijpt dat [eiser] bedoeld heeft om in de onderhavige procedure – naast [gedaagde] – de Staat der Nederlanden, ministerie van Justitie en Veiligheid, meer specifiek de Raad voor de rechtspraak (dus: de Staat) te dagvaarden.
Uitgangspunten vaststelling schade
5.2.
Deze procedure is een schadestaatprocedure, als vervolg op de hoofdprocedure tussen [eiser] en [gedaagde] (zie 3.12) en de hoofdprocedure tussen [eiser] en de Staat (zie 3.14).
5.3.
In deze schadestaatprocedure gaat het om de vaststelling van de omvang van de schade die [gedaagde] en de Staat aan [eiser] moeten vergoeden op grond van de in de hoofdprocedures gewezen eindarresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 mei 2020 (zie 3.12) respectievelijk 21 maart 2023 (zie 3.14). Deze arresten hebben inmiddels kracht van gewijsde. De rechtbank en partijen zijn gebonden aan wat in de hoofdprocedures is overwogen en beslist. In deze procedure kan dus alleen die schade aan de orde komen die is veroorzaakt door de in de hoofdprocedures vastgestelde normschendingen. Er kunnen geen nieuwe grondslagen voor aansprakelijkheid naar voren worden gebracht.
5.4.
Bij de begroting van de schade neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat [eiser] zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou verkeren als de in de hoofdprocedures vastgestelde normschendingen achterwege waren gebleven. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie na de normschendingen en de hypothetische situatie zoals die zou zijn geweest als de normschendingen zouden zijn uitgebleven.
5.5.
Bij de beantwoording van de vraag of [eiser] de door hem gevorderde schade door de vastgestelde normschendingen heeft geleden, gelden in beginsel de gewone bewijsregels. Het is dus aan [eiser] om feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel kunnen dragen dat hij de gestelde schade heeft geleden als gevolg van de normschendingen. De rechtbank is voorts op grond van artikel 6:97 BW bevoegd (en gehouden) de schade te begroten op de wijze die het meest in overeenstemming is met de aard daarvan en deze te schatten indien de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Deze bevoegdheid wordt pas ‘geactiveerd’ als het bestaan van de schade als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid is gegrond, aannemelijk is. [3]
5.6.
Op grond van artikel 6:98 BW komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
5.7.
[eiser] stelt dat hij als gevolg van het misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen door [gedaagde] en het onrechtmatig handelen door de Staat de volgende schade heeft geleden:
  • omzetderving van € 1.150.493,00 (zie 4.1 onder 1),
  • immateriële schade van € 250.000,00 (zie 4.1 onder 2)
  • kosten voor juridische bijstand door de huidige advocaat van [eiser] , voorlopig geschat op € 20.000,00 (zie 4.1 onder 4).
De zaak tegen [gedaagde]
5.8.
In het arrest van 26 mei 2020 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch [gedaagde] veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen door [gedaagde] , zoals bedoeld in r.o. 9.4 van dat arrest, nader op te maken bij staat. Het misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen bestond er volgens het hof uit dat [gedaagde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt/onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure tegen [eiser] aan te spannen op de onjuiste feitelijke grondslag van ontkenning van het telefonisch contact tussen [gedaagde] en [naam 13] voorafgaand aan het pleidooi van 8 december 1994 (zie 3.12).
Inkomensschade
5.9.
[eiser] stelt – samengevat – dat hij door het voeren door [gedaagde] van de juridische procedures (en het daarmee doorgaan) in een kwaad daglicht is gesteld. Hij is daardoor ten onrechte publiekelijk bekend geworden als een journalist met een slechte reputatie. De juridische procedures van [gedaagde] hebben een negatieve invloed gehad op het aantal opdrachten dat hij kreeg. Daardoor is het inkomen van [eiser] vanaf 2006 sterk gedaald. Zonder de juridische procedures, negatieve uitlatingen en publiciteit door [gedaagde] zou nooit iemand aan de reputatie van [eiser] zijn gaan twijfelen en was hij nooit in een positie terecht gekomen van acute inkomensachteruitgang.
5.10.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen een rapport van de door hem ingeschakelde deskundige [naam 24] van stichting SOBI (hierna: [naam 24] ) overgelegd.
Dit rapport vermeldt dat de schadepost omzetderving (zie 4.1 onder 1) bestaat uit een bedrag van € 1.130.493,00 aan inkomensschade en een bedrag van € 20.000,00 aan advocaatkosten. De rechtbank zal in het navolgende beoordelen of er sprake is van inkomensschade. De advocaatkosten zal de rechtbank bij de gevorderde kosten voor juridische bijstand beoordelen (zie 5.24 e.v.).
5.11.
Volgens het rapport van [naam 24] begon het inkomen van [eiser] vanaf 2006 te dalen en werd deze inkomensdaling voornamelijk veroorzaakt door de brief van de Raad voor de rechtspraak (zie 3.8). Voor zover de brief van de Raad voor de rechtspraak heeft geleid tot de door [eiser] gestelde daling van zijn inkomen, is het causaal verband (in de zin van condicio sine qua non) tussen het handelen van [gedaagde] en de schade aanwezig: zonder de door [gedaagde] gestarte procedure was de brief van de Raad voor de rechtspraak er immers niet geweest. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter de eventueel door de brief van de Raad voor de rechtspraak veroorzaakte schade in een te ver verwijderd verband tot het misbruik van procesrecht/de onrechtmatige daad waaraan [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt. De bewuste brief is immers geschreven door de toenmalige voorzitter van de Raad voor de rechtspraak in antwoord op vragen van een lid van de Tweede Kamer over de financiering door de Raad voor de rechtspraak van de procedure van [gedaagde] en [eiser] heeft niet betwist dat [gedaagde] niet bij die brief betrokken is geweest. De door [eiser] gestelde inkomensschade kan daarom niet aan het handelen van [gedaagde] worden toegerekend (artikel 6:98 BW).
5.12.
Ook overigens kan uit het rapport van [naam 24] niet worden afgeleid dat de gestelde inkomensachteruitgang van [eiser] het gevolg is van het feit dat [eiser] door [gedaagde] (op een onjuiste grondslag) in rechte was betrokken. [eiser] heeft evenmin feiten of omstandigheden gesteld waaruit bijvoorbeeld zou kunnen worden afgeleid dat (en welke) opdrachtgevers om die reden geen opdrachten meer aan hem verstrekten en dat (en welke) omzet [eiser] daardoor is misgelopen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
5.13.
[eiser] heeft met het rapport van [naam 24] de door hem gestelde inkomensschade onvoldoende concreet onderbouwd. Het rapport vermeldt dat het bedrag van € 1.130.493,00 aan inkomensschade het verschil is tussen het door [naam 24] berekende verwachte resultaat over de periode 2005 tot en met 2022 van € 1.458.026,00 (de hypothetische situatie) en het door [naam 24] berekende gerealiseerde resultaat over diezelfde periode van € 327.533,00 (de werkelijke situatie). De in het rapport vermelde inkomenscijfers betreffende werkelijk gerealiseerd inkomen zijn echter grotendeels niet onderbouwd met stukken. Volgens [naam 24] bedroeg de omzet van [eiser] in 2005 circa € 100.000,00 en berust dit omzetcijfer op een mededeling van [eiser] zelf. Kennelijk beschikte [naam 24] niet over stukken waaruit de omzet over 2005 kon worden afgeleid. [eiser] heeft in deze procedure zelf ook geen stukken overgelegd waaruit die door [naam 24] tot uitgangspunt voor zijn rapport genomen omzet over 2005 kan worden afgeleid. Ook het inkomen van [eiser] in de werkelijke situatie van 2009 tot en met 2022 is niet onderbouwd met te verifiëren stukken.
5.14.
Voor wat betreft de hypothetische situatie zonder het misbruik van procesrecht door [gedaagde] blijkt uit het rapport van [naam 24] niet, zoals hiervoor ook al is overwogen, welke opdrachtgevers geen opdrachten meer aan [eiser] hebben verleend en/of opdrachten hebben ingetrokken vanwege het feit dat [eiser] door [gedaagde] in rechte was betrokken. Evenmin blijkt eruit welke omzet [eiser] daardoor is misgelopen. [naam 24] vermeldt in zijn rapport één opdrachtgever (Nationaal Juristencongres), maar uit het rapport blijkt niet dat deze opdrachtgever een opdracht heeft ingetrokken of niet heeft verleend als gevolg van het misbruik van procesrecht door [gedaagde] . [eiser] heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit dat kan worden afgeleid. Hij heeft evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt welke andere opdrachtgevers als gevolg van de procedure van [gedaagde] hun opdrachten aan [eiser] hebben ingetrokken en welke omzet [eiser] daardoor is misgelopen.
5.15.
Met betrekking tot de oorzaak van eventuele schade overweegt de rechtbank nog het volgende. Voor zover [eiser] inkomensschade zou hebben geleden als gevolg van het verliezen van opdrachtgevers acht de rechtbank het waarschijnlijk dat die schade is ontstaan door het eigen handelen van [eiser] en niet als gevolg kan worden beschouwd van het door [gedaagde] (op een onjuiste grondslag) in rechte betrekken van [eiser] . Uit de onder 3.3 en 3.7 weergegeven citaten uit publicaties van [eiser] op internet blijkt dat [eiser] zich al vanaf 2003 veelvuldig in steeds grover en beledigender bewoordingen heeft uitgelaten over vele met naam en toenaam genoemde personen, onder wie – vanaf 2004 – [gedaagde] . Daarmee heeft [eiser] schade toegebracht aan zijn eigen reputatie als journalist. Het door [eiser] gestelde, maar niet gespecificeerde en onderbouwde, wegvallen van opdrachtgevers kan daaruit worden verklaard.
5.16.
Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is dat [eiser] als gevolg van het misbruik van procesrecht door [gedaagde] enige inkomensschade heeft geleden. Er bestaat daarom geen aanleiding om deze schade op grond van artikel 6:97 BW te schatten (zie 5.5). In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding om zich door een deskundige te laten voorlichten. De rechtbank zal dan ook – anders dan gevorderd – geen deskundigenbericht bevelen.
Immateriële schadevergoeding
5.17.
[eiser] maakt aanspraak op een bedrag van € 250.000,00 aan immateriële schadevergoeding. Hij stelt dat hij door de procedures van [gedaagde] in een kwaad daglicht is gesteld. Hierdoor werd hij publiekelijk bekend als een journalist met een slechte reputatie. Hij is in steeds ruimere kring bekend geworden als complotdenker en querulant. Dit hangt samen met de door [gedaagde] gevoerde procedures en in dat verband de brief van de Raad voor de rechtspraak van 3 mei 2006. Een en ander heeft bij [eiser] geleid tot psychische problemen, slapeloosheid en gevoelens van eenzaamheid en isolement.
5.18.
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast (artikel 6:106 aanhef en onder b BW).
5.19.
De rechtbank begrijpt [eiser] aldus, dat hij stelt dat zijn goede naam en eer zijn aangetast door de reputatieschade die is veroorzaakt door het misbruik van procesrecht door [gedaagde] .
5.20.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een schending van de eer en goede naam van [eiser] die aanspraak geeft op enige vergoeding van immateriële schade. Voor zover de reputatie van [eiser] is aangetast door de brief van de Raad voor de rechtspraak (zie 3.8), geldt, zoals hiervoor al is overwogen, dat deze brief niet als een gevolg van de handelwijze van [gedaagde] aan hem kan worden toegerekend. De schade als gevolg van deze brief staat in een te ver verwijderd verband tot de vastgestelde aansprakelijkheid van [gedaagde] (zie 5.11). Voor het overige heeft [eiser] niet onderbouwd dat zijn reputatie is aangetast door de procedure die [gedaagde] tegen hem was begonnen en heeft voortgezet.
5.21.
Zoals eerder al is overwogen, is de rechtbank overigens van oordeel dat de reputatie van [eiser] is aangetast door de wijze waarop hij zelf de publiciteit heeft gezocht. Dat betreft zijn eigen handelen en kan niet worden beschouwd als een aan [gedaagde] toerekenbaar gevolg van het feit dat [eiser] door [gedaagde] (op een onjuiste grondslag) in rechte is betrokken. Uit de onder 3.3 en 3.7 weergegeven citaten uit publicaties van [eiser] op internet blijkt immers dat [eiser] zich al vanaf 2003 veelvuldig in steeds grover en beledigender bewoordingen heeft uitgelaten over diverse met naam en toenaam genoemde personen, onder wie [gedaagde] (zie 5.15).
5.22.
[eiser] heeft ter zitting nog gesteld en aangeboden te bewijzen dat de Staat het hem onmogelijk heeft gemaakt om de zitting bij te wonen. De rechtbank begrijpt dat dit bewijsaanbod is gedaan in het kader van de vordering van [eiser] tot vergoeding van immateriële schade. De rechtbank passeert dit bewijsaanbod echter, omdat het niet is te relateren aan het onrechtmatig handelen waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is en daarmee dus niet relevant is.
5.23.
In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor voorlichting door een deskundige. De rechtbank zal dan ook – anders dan gevorderd – geen gebruik maken van haar discretionaire bevoegdheid om een deskundigenbericht te bevelen.
Kosten juridische bijstand
5.24.
[eiser] vordert vergoeding van kosten van juridische bijstand. [eiser] stelt in 2004 en 2005 een bedrag van circa € 20.000,00 aan advocaatkosten te hebben gemaakt, die betrekking hadden op de acties van [gedaagde] .
5.25.
[gedaagde] moet de schade vergoeden die [eiser] heeft geleden als gevolg van het aanspannen van de procedure tegen [eiser] op de onjuiste feitelijke grondslag van ontkenning van het telefonisch contact tussen [gedaagde] en [naam 13] voorafgaand aan het pleidooi van 8 december 1994 (zie 5.8). Vaststaat dat dit de procedure bij de rechtbank Rotterdam is die heeft geleid tot het vonnis van 14 december 2005 (zie 3.5 en 3.6) en de door [gedaagde] ingestelde hoger beroepsprocedure die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 juni 2009 (zie 3.6 en 3.9).
5.26.
In het vonnis van 14 december 2005 en het arrest van 23 juni 2009 is [gedaagde] – voor zover hier relevant – veroordeeld in de proceskosten in conventie. Uit dit vonnis en dit arrest leidt de rechtbank af dat die proceskosten conform de regeling van artikel 237-240 Rv (oud) zijn begroot. De proceskostenvergoeding op de voet van artikel 239 Rv wordt in beginsel berekend aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief en biedt geen volledige vergoeding van de gemaakte kosten. Het verschil tussen het geliquideerde salaris en de rekening van de advocaat kan dus niet op de voet van het tweede lid van art. 6:96 BW als vermogensschade worden gevorderd. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een vordering tot vergoeding van alle proceskosten alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.
5.27.
Nu vaststaat dat [gedaagde] met de hierboven bedoelde procedures misbruik van procesrecht heeft gemaakt, kunnen aanvullende advocaatkosten – voor zover [eiser] die heeft gemaakt – worden toegerekend aan [gedaagde] . Deze kosten moeten echter wel inzichtelijk gemaakt worden door de partij die hier vergoeding van vordert, teneinde te kunnen vaststellen dat de schade bestaat en welke omvang de schade heeft.
5.28.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn kosten voor juridische bijstand in 2004 en 2005 declaraties van zijn toenmalig advocaat overgelegd. Deze facturen tellen op tot een bedrag van € 19.672,03. Deze facturen zijn op naam van [eiser] gesteld en dateren uit de periode 11 augustus 2004 tot en met 8 november 2005. Uit de omschrijving op deze facturen kan worden afgeleid dat het gaat om werkzaamheden met betrekking tot de procedure die [gedaagde] in 2004 tegen (onder meer) [eiser] was gestart. [gedaagde] heeft dat niet betwist. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat, zoals [eiser] ter zitting heeft gesteld, deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.
5.29.
[gedaagde] voert aan dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat [eiser] niet heeft aangetoond dat hij deze kosten zelf heeft betaald. Er zijn volgens [gedaagde] aanwijzingen dat deze kosten zijn betaald door de [naam familie] , voor wie [eiser] werkzaamheden verrichte in de Chipshol-zaak. In zijn verzoekschrift tot beslaglegging ten laste van [gedaagde] heeft [eiser] gesteld dat hij zijn proceskosten bij Chipshol zou hebben geleend.
5.30.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] de vordering van [eiser] ter zake de kosten voor juridische bijstand in 2004 en 2005 onvoldoende gemotiveerd betwist. Het enkele feit dat de [naam familie] de rekening van de advocaat van [eiser] mogelijk heeft voldaan, betekent niet dat [eiser] geen schade heeft geleden. De [naam familie] kan de vordering van de advocaat hebben overgenomen of [eiser] kan het geld hebben geleend (zoals hij eerder heeft gesteld, aangehaald door [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord). Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn betwisting te concretiseren en te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan.
5.31.
Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank er als onvoldoende gemotiveerd weersproken in rechte van uit dat [eiser] schade heeft geleden in de vorm van de kosten van zijn advocaat in de periode 2004/2006.
5.32.
[gedaagde] voert nog aan dat hij in de hypothetische situatie dat hij geen misbruik van procesrecht zou hebben gemaakt ook een procedure tegen [eiser] was begonnen, maar dan op de grondslag dat [eiser] geen hoor en wederhoor had toegepast. Dat is naar het oordeel van de rechtbank louter speculatief. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit dat zou kunnen worden afgeleid. De rechtbank ziet daarom geen reden om te bepalen dat (een deel van) de advocaatkosten voor rekening van [eiser] moet(en) blijven.
5.33.
[eiser] vordert ook vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van zijn huidige advocaat. Zoals hiervoor al is overwogen komen de volledige advocaatkosten alleen voor vergoeding in aanmerking in het geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. In de hoofdprocedure is al geoordeeld dat daarin geen sprake is van misbruik van procesrecht (zie 3.12, r.o. 9.6.2). Dat geldt ook voor de onderhavige procedure. De kosten van de huidige advocaat komen dan ook niet voor volledige vergoeding in aanmerking.
5.34.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] zijn kosten voor juridische bijstand heeft onderbouwd voor een bedrag van € 19.672,03. Zoals hiervoor al is overwogen heeft dat bedrag betrekking op de periode 2004/2005. Hierop strekt in mindering de proceskosten tot vergoeding waarvan [gedaagde] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005 (zie 3.6) is veroordeeld. Bij tussenarrest van 16 januari 2018 [4] heeft het gerechtshof
’s-Hertogenbosch vastgesteld dat deze aan [eiser] toegewezen proceskosten aan hem zijn betaald. [5] Uit het vonnis blijkt dat dit € 241,00 aan verschotten en € 2.260,00 aan salaris van de procureur betreft. Per saldo begroot de rechtbank de schade aan kosten voor juridische bijstand daarom op € 17.171,03.
5.35.
[eiser] vordert de wettelijke rente hierover vanaf 20 april 2004 (zie 4.1 onder 3). [gedaagde] betwist die ingangsdatum en voert aan dat de wettelijke rente pas verschuldigd is op het moment dat de schade is geleden.
5.36.
Als uitgangspunt geldt dat wettelijke rente over schade als gevolg van onrechtmatig handelen verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ontstaan. In het geval van de kosten voor juridische bijstand zijn dat de vervaldata van de facturen waarmee de advocaatkosten zijn gedeclareerd. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf die momenten.
Buitengerechtelijke kosten
5.37.
[eiser] vordert tot slot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 6.775,00.
5.38.
De (hoofd)vorderingen vallen niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport Voorwerk II, met inachtneming van de wijzigingen van het Rapport BGK-integraal 2013.
5.39.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar. [eiser] heeft namelijk onvoldoende gesteld dat de door hem gemaakte kosten ten behoeve van het onderhavige geschil tussen partijen betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Conclusie
5.40.
Op grond van het voorgaande begroot de rechtbank de schade van [eiser] als gevolg van het misbruik van procesrecht door [gedaagde] op € 17.171,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de diverse vervaldata van de facturen die [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering tot vergoeding van aanvullende proceskosten heeft overgelegd.
5.41.
[gedaagde] beroept zich op verrekening. Hij stelt dat hij tegenvorderingen op [eiser] heeft uit hoofde van de proceskostenveroordeling in het onder 3.11 vermelde kort geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Het gaat om een bedrag van € 1.171,00 respectievelijk een bedrag van € 6.603,00, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente.
5.42.
[eiser] heeft niet betwist dat hij nog niet aan deze proceskostenveroordelingen heeft voldaan. Dat betekent dat het beroep op verrekening slaagt in die zin dat dit alleen geldt voor de bedragen van € 1.170,00 en € 6.603,00. Het beroep op verrekening voor wat betreft de wettelijke rente slaagt niet. De voorzieningenrechter respectievelijk het gerechtshof hebben namelijk geen wettelijke rente toegewezen over de door hen uitgesproken proceskostenveroordelingen. Op grond waarvan en vanaf welke datum of data [eiser] die wettelijke rente niettemin verschuldigd is geworden, kan uit de stellingen van [gedaagde] niet worden afgeleid.
5.43.
Tot slot voert [gedaagde] nog aan dat onder hem ten laste van [eiser] executoriaal beslag is gelegd voor een vordering van mr. [naam 19] . Een veroordeling tot betaling aan [eiser] moet daarom aldus worden gekwalificeerd, dat [gedaagde] bevrijdend kan betalen aan deze beslaglegger. [gedaagde] wil dat dit in het dictum wordt opgenomen.
5.44.
[eiser] heeft niet betwist dat er ten laste van hem executoriaal derdenbeslag ligt onder [gedaagde] op – kort gezegd – alles wat [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is. Voor zover [gedaagde] op grond van artikel 476a Rv heeft verklaard dat de vordering van [eiser] op [gedaagde] onder het beslag valt, vloeit uit de wet voort dat [gedaagde] bevrijdend kan betalen aan de beslaglegger (artikel 477b Rv). [gedaagde] heeft in dat geval geen belang bij afzonderlijke vermelding daarvan in het dictum van dit vonnis. Indien de vordering van [eiser] niet is vermeld in de in artikel 476a Rv bedoelde verklaring van [gedaagde] , is het verzoek van [gedaagde] dat hij slechts aan de beslaglegger bevrijdend kan betalen, niet toewijsbaar.
5.45.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [eiser] tegen [gedaagde] toewijzen tot een bedrag van € 17.171,03 (zie 5.40), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldata van de facturen zoals overgelegd als productie 5 bij dagvaarding (zie 5.36) en tot het moment van betaling (al dan niet door verrekening en/of afgifte aan de executant). Met inachtneming van artikel 6:44 BW strekt hierop in mindering een bedrag van € 1.170,00 per 18 juli 2018 en een bedrag van € 6.603,00 per 19 maart 2019 (zie 5.41).
Proceskosten
5.46.
Omdat [eiser] en [gedaagde] over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt.
De zaak tegen de Staat
5.47.
In het arrest van 21 maart 2023 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de Staat veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden de schade die het gevolg is van het feit dat de Staat de procedure heeft gefinancierd die [gedaagde] tegen [eiser] heeft gevoerd, vanaf de procedure in hoger beroep (zie 3.14).
Inkomensschade
5.48.
Zoals hiervoor al is overwogen ten aanzien van [gedaagde] , vermeldt het rapport van [naam 24] dat de door [eiser] gestelde inkomensschade een bedrag van € 1.130.493,00 betreft (zie 5.10). Volgens dit rapport is de daling van het inkomen van [eiser] vanaf 2006 voornamelijk veroorzaakt door de onder 3.8 vermelde brief van de Raad voor de rechtspraak. Deze brief ligt echter niet ten grondslag aan de aansprakelijkheid van de Staat die het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft aangenomen. In het arrest van 21 maart 2023 heeft het gerechtshof expliciet overwogen dat die grondslag niet in de beoordeling wordt betrokken (zie 3.14). De brief van de Raad voor de rechtspraak vormt dus geen onderdeel van het onrechtmatig handelen van de Staat. Deze brief kan daarom in de schadestaatprocedure ook geen grondslag voor schadevergoeding opleveren.
5.49.
Voor het overige blijkt uit het rapport van [naam 24] niet dat de gestelde inkomensachteruitgang van [eiser] het gevolg is van het feit dat de Staat de procedure van [gedaagde] in hoger beroep heeft gefinancierd. [eiser] heeft ook geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat opdrachtgevers van [eiser] om die reden hun opdrachten aan [eiser] introkken of geen opdrachten meer aan [eiser] verleenden.
5.50.
[eiser] heeft de door hem gestelde inkomensschade ook onvoldoende concreet onderbouwd. In het rapport van [naam 24] is weliswaar een opdrachtgever vermeld (Nationaal Juristencongres), maar uit dat rapport blijkt niet dat deze opdrachtgever de opdracht heeft ingetrokken als gevolg van de procedure in hoger beroep. Voor het overige blijkt uit het rapport van [naam 24] niet welke opdrachtgevers als gevolg van (het financieren van) het hoger beroep van [gedaagde] hun opdrachten aan [eiser] hebben ingetrokken en welke omzet [eiser] daardoor is misgelopen. [eiser] heeft ook geen andere feiten gesteld of andere stukken overgelegd waaruit dat kan worden afgeleid. Verder geldt ook hier dat de in het rapport van [naam 24] vermelde omzetcijfers in de werkelijke situatie niet met stukken zijn onderbouwd (zie 5.13).
5.51.
Tot slot dient, evenals hiervoor onder 5.15 en 5.21 is overwogen, te worden opgemerkt dat de rechtbank van oordeel is dat voor zover sprake zou zijn van door [eiser] geleden inkomensschade als gevolg van verlies van opdrachtgevers, aannemelijk is dat dit is veroorzaakt door zijn eigen handelen. Zoals hiervoor al is overwogen (zie 5.15), heeft [eiser] zich in internetpublicaties vanaf 2003 in steeds grover en beledigender bewoordingen uitgelaten over diverse, met naam en toenaam genoemde personen. Daarmee heeft [eiser] zijn eigen reputatie geschaad.
5.52.
Nu niet aannemelijk is dat [eiser] enige inkomensschade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat, bestaat er geen grond om op grond van artikel 6:97 BW een bedrag aan schade te schatten. De rechtbank heeft ook geen behoefte aan voorlichting door een deskundige en zal dan ook – anders dan gevorderd – geen deskundigenbericht bevelen.
Immateriële schadevergoeding
5.53.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade is evenmin toewijsbaar ten aanzien van de Staat. Zoals hiervoor al is overwogen, kan de brief van de Raad voor de rechtspraak in deze schadestaatprocedure geen grondslag voor schade opleveren (zie 5.48).
Voor het overige heeft [eiser] niet gesteld of onderbouwd dat hij als gevolg van (het financieren van) de procedure in hoger beroep immateriële schade heeft geleden.
5.54.
Overigens geldt ook hier dat de reputatie van [eiser] is geschaad door zijn eigen handelen, in plaats van door het feit dat de Staat het hoger beroep van [gedaagde] heeft gefinancierd. [eiser] is zich immers vanaf 2003 in steeds grover en beledigender wordende bewoordingen gaan uitlaten over diverse met naam en toenaam genoemde personen (zie 3.3, 3.7, 5.15 en 5.51).
5.55.
De rechtbank passeert ook ten aanzien van de Staat het aanbod van [eiser] om te bewijzen dat de Staat het hem onmogelijk heeft gemaakt om de zitting bij te wonen. Deze door [eiser] gestelde omstandigheid is immers niet te relateren aan de aansprakelijkheid die ten aanzien van de Staat is vastgesteld, namelijk het financieren van het onder 3.9 vermelde hoger beroep. Het bewijsaanbod van [eiser] is daarmee niet relevant voor de onderhavige vorderingen.
5.56.
In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor voorlichting door een deskundige. De rechtbank zal dan ook – anders dan gevorderd – geen gebruik maken van haar discretionaire bevoegdheid om een deskundigenbericht te bevelen.
Juridische kosten
5.57.
Zoals hiervoor al is overwogen, is de aansprakelijkheid van de Staat beperkt tot het financieren van het onder 3.9 bedoelde hoger beroep van [gedaagde] .
5.58.
De door [eiser] onderbouwde advocaatkosten dateren uit 2004 en 2005 en zien op de procedure van [gedaagde] in eerste aanleg. [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd welke kosten in de procedure in hoger beroep voor zijn rekening zijn gekomen. Dat betekent dat de rechtbank deze schadepost ten aanzien van de Staat als onvoldoende onderbouwd zal afwijzen.
5.59.
De gevorderde kosten voor juridische bijstand van de huidige advocaat van [eiser] komen evenmin voor toewijzing in aanmerking. Zoals hiervoor al is overwogen, komen de volledige advocaatkosten alleen voor vergoeding in aanmerking in het geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (zie 5.26). [eiser] heeft geen feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de Staat in de hoofdprocedure of in de onderhavige procedure misbruik van procesrecht maakt of onrechtmatig handelt.
5.60.
De rechtbank kan dus voor de schadepost ‘juridische bijstand’ ten aanzien van de Staat geen bedrag aan schadevergoeding voor [eiser] begroten.
Conclusie
5.61.
Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde hoofdsom ten aanzien van de Staat wordt afgewezen. Dat geldt ook voor de daaraan verwante nevenvorderingen (buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente).
Proceskosten
5.62.
Ten opzichte van de Staat is [eiser] de in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank zal hem daarom veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat € 8.714,00 (2 punten × tarief VIII)
- nakosten
€ 178,00 [6]
Totaal € 15.753,00
5.63.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.171,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vervaldata van de als productie 5 bij dagvaarding overgelegde facturen tot aan het moment van volledige betaling, waarop met inachtneming van artikel 6:44 BW in mindering strekt een bedrag van € 1.170,00 per 18 juli 2018 en een bedrag van € 6.603,00 per 19 maart 2019,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 15.753,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van de Staat als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de veroordelingen onder 6.1, 6.2 en 6.3,
6.5.
compenseert de proceskosten tussen [eiser] en [gedaagde] aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. C. Bouwman en mr. J.E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
[2083/1980/1729/3152]

Voetnoten

3.Zie conclusie AG voor HR 18 februari 2022; ECLI:PHR:2021:845 onder 3.2 e.v.
5.R.o. 6.3.7.3
6.plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing