Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Gorinchem inzake de WOZ-waardering van drie onroerende zaken per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar had de waarden vastgesteld op respectievelijk €1.458.000, €549.000 en €85.000. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 behandeld.
De rechtbank oordeelt dat de door eiser overgelegde stukken grotendeels algemeen, onsamenhangend en onvoldoende onderbouwd zijn, waardoor deze niet bij de beoordeling zijn betrokken. De standpunten die wel specifiek op de zaak betrekking hadden, zijn beoordeeld voor zover deze tijdig en toelaatbaar waren. Een nieuw aangevoerde grond over het niet-bestaan van een reclamezuil is als tardief verworpen.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden onderbouwd met de HWK-methode, waarbij huurwaarden en kapitalisatiefactoren zijn afgeleid uit vergelijkbare objecten, waaronder een object in Cuijk. De rechtbank acht de gehanteerde waarden en berekeningen aannemelijk en wijst de door eiser aangevoerde bezwaren, zoals leegstand en ontbrekende stukken, af wegens onvoldoende onderbouwing of te late indiening.
Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast dat de termijn nog niet is verstreken. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.