Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6011

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/1756
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen WOZ-waarde en aanslag rioolheffing gemeente Rotterdam

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam inzake de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024 van een woning in Rotterdam. De WOZ-waarde was vastgesteld op €349.000 per 1 januari 2023. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgronden tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen ingetrokken, maar het beroep zelf niet.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen daarom niet-ontvankelijk is. Daarnaast is gebleken dat er geen bezwaar is gemaakt tegen de aanslag rioolheffing, ondanks dat de gemachtigde van eiser dit stelde. Het bezwaarschrift bevatte alleen standaard WOZ-gerelateerde gronden en geen bezwaar tegen de rioolheffing. Hierdoor is ook het beroep tegen de rioolheffing niet-ontvankelijk.

Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de redelijke termijn nog niet is verstreken. De rechtbank wijst het beroep af, verklaart het niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde, aanslag onroerendezaakbelastingen en aanslag rioolheffing is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1756

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam

(gemachtigde: mr. A. Atwaroe).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 februari 2025.
1.1.
Met de beschikking van 29 februari 2024 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres] in Rotterdam (de woning) per de waardepeildatum van 1 januari 2023 vastgesteld op € 349.000,-. Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het belastingjaar 2024 opgelegd.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 28 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 29 februari 2024 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [persoon A] , taxateur.

Feiten

2. Op de waardepeildatum was eiser eigenaar van de woning [adres] in Rotterdam. Het betreft een bovenwoning met een gebruiksoppervlakte van 71 m², gelegen in de wijk Oude Westen. Het bouwjaar van de woning is 1892.

Beoordeling door de rechtbank

WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelastingen
3. De gemachtigde van eiser heeft de beroepsgronden, voor zover deze gericht waren tegen de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen, op de zitting ingetrokken. Het beroep zelf is echter niet ingetrokken. Nu er geen beroepsgronden (meer) gericht zijn tegen de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen, dient het beroep ter zake van de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Aanslag rioolheffing
4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser wel beroepsgronden aangevoerd die betrekking hebben op de aanslag rioolheffing die tegelijk met de aanslag onroerendezaakbelastingen 2024 is opgelegd. De gemachtigde van eiser stelt dat hij, voordat hij beroep heeft ingesteld, bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag rioolheffing. Hiervoor verwijst hij naar de volmacht en het bezwaarschrift in het dossier.
5. Voor zover de gemachtigde van eiser beroep heeft ingesteld tegen de aanslag rioolheffing, is het beroep ook niet-ontvankelijk. Voordat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, dient namelijk eerst bezwaar te worden gemaakt. [1] De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser in het bezwaarschrift heeft vermeld dat zijn bezwaarschrift gericht is tegen de “
aanslag WOZ/OZB 2024 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook”. Het bezwaarschrift bevat echter alleen standaard geformuleerde WOZ-gerelateerde bezwaargronden. Over de rioolheffing is in het bezwaarschrift niets gezegd. Daardoor is van een bezwaar gericht tegen de rioolheffing geen sprake. De tekst van de volmacht maakt dat niet anders. Immers, de reikwijdte van de volmacht bepaalt niet waartegen daadwerkelijk bezwaar is gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar dan ook terecht alleen een besluit genomen over (het bezwaar tegen) de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendzaakbelastingen. Gelet op het voorgaande dient het beroep, voor zover dat is gericht tegen de aanslag rioolheffing, niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank zal de ter zitting aangevoerde gronden tegen de aanslag rioolheffing daarom niet inhoudelijk behandelen.
Overschrijding redelijke termijn
6. Voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat geen aanleiding. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ontvangen op 10 april 2024. De redelijke termijn is op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan dus niet verstreken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 27 maart 2026.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.