Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
A.M.J. Adriaansen,
1.De procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 7 april 2026;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 9 april 2026;
- de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de rechters van 28 april 2026;
- de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de dochter van verzoeker van 5 mei 2026.
- verzoeker;
- de rechters.
2.Het wrakingsverzoek
Denkt u dat uw bezwaar meewerkt aan een betere relatie tussen u en uw dochter?” Deze vraag kwam op verzoeker verwijtend over. Verder viel het verzoeker op dat tijdens de mondelinge behandeling geen enkele kritische vraag aan zijn dochter en/of aan de vertegenwoordiger van het ministerie van Justitie en Veiligheid werd gesteld, terwijl verzoeker in de hoofdzaak uitgebreid de voorgeschiedenis had beschreven en één van de rechters tijdens de mondelinge behandeling had gezegd dat ook een belangenafweging moet worden gemaakt. Deze rechter merkte ook iets op in de trant van: “
We moeten niet kijken naar het verleden”. Verzoeker had niet het idee dat er echt naar hem werd geluisterd. Dat idee werd versterkt door een telefoontje dat verzoeker van zijn zoon kreeg, in de avond na de mondelinge behandeling. De zoon van verzoeker vertelde dat de dochter van verzoeker hem had opgebeld en hem in een juichstemming had medegedeeld: “
De rechters wilden niet naar hem (verzoeker) luisteren.” Verzoeker vindt dat een zeer opmerkelijke reactie van iemand die bij de mondelinge behandeling aanwezig was en tijdens de mondelinge behandeling zo duidelijk had ervaren dat het haar kant opviel.
3.De beoordeling
zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” zoals bedoeld in artikel 8:16 lid 1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek toegelicht dat hij zijn wrakingsverzoek op 10 april 2026, en dus ongeveer drie dagen na de mondelinge behandeling van de hoofdzaak, via aangetekende post heeft laten verzenden. Hij was een paar dagen ziek geweest en heeft ook de tijd genomen om wat er was gebeurd op de zitting te laten bezinken. In reactie hierop hebben de rechters gezegd dat wat hen betreft inhoudelijk op het wrakingsverzoek kan worden beslist. De wrakingskamer is, gelet op de toelichting van verzoeker, ook van oordeel dat het wrakingsverzoek op tijd is ingediend en dat het wrakingsverzoek dus ontvankelijk is.