ECLI:NL:RBROT:2026:6019

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/718490 / HA RK 26-364
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in bestuursrechtelijke geslachtsnaamwijzigingszaak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters die betrokken waren bij de bestuursrechtelijke beroepsprocedure over de geslachtsnaamwijziging van zijn dochter. Hij voelde zich tijdens de mondelinge behandeling niet gehoord en meende dat de rechters een partijdige houding aannamen, mede omdat alleen hij kritische vragen kreeg en niet zijn dochter of de vertegenwoordiger van het ministerie.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig en ontvankelijk was ingediend. Vervolgens werd beoordeeld of er sprake was van omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechters konden aantasten. De kamer stelde vast dat de rechters een grote vrijheid hebben bij het bepalen van de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling en dat het stellen van kritische vragen aan verzoeker niet wijst op vooringenomenheid.

De wrakingskamer vond geen zwaarwegende aanwijzingen voor partijdigheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Ook het standpunt dat onvoldoende aandacht was besteed aan de belangen van verzoeker en het algemeen belang, kon het wrakingsverzoek niet ondersteunen. Klachten over de bejegening van verzoeker kunnen worden voorgelegd aan het gerechtsbestuur, maar zijn niet geschikt voor de wrakingsprocedure.

De wrakingskamer wees het verzoek daarom af en bevestigde de onpartijdigheid van de rechters in deze bestuursrechtelijke zaak.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/718490 / HA RK 26-364
Beslissing van 13 mei 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. F.P. Heijneen
A.M.J. Adriaansen,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend. Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de bestuursrechtelijke zaak met zaaknummer ROT 24/10096 (de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een beroepsprocedure van verzoeker tegen de beslissing van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarin het bezwaar van verzoeker tegen de beslissing om de geslachtsnaamwijziging van zijn dochter toe te staan, ongegrond is verklaard. Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 7 april 2026;
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 9 april 2026;
  • de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de rechters van 28 april 2026;
  • de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de dochter van verzoeker van 5 mei 2026.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 6 mei 2026 zijn verschenen:
  • verzoeker;
  • de rechters.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft – samengevat weergegeven – het volgende als grond voor zijn wrakingsverzoek aangevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak kreeg verzoeker een sterk gevoel van een partijdige houding van de rechters. Bij verzoeker zonk de moed in de schoenen toen hem aan het begin van de mondelinge behandeling werd gevraagd: “
Denkt u dat uw bezwaar meewerkt aan een betere relatie tussen u en uw dochter?” Deze vraag kwam op verzoeker verwijtend over. Verder viel het verzoeker op dat tijdens de mondelinge behandeling geen enkele kritische vraag aan zijn dochter en/of aan de vertegenwoordiger van het ministerie van Justitie en Veiligheid werd gesteld, terwijl verzoeker in de hoofdzaak uitgebreid de voorgeschiedenis had beschreven en één van de rechters tijdens de mondelinge behandeling had gezegd dat ook een belangenafweging moet worden gemaakt. Deze rechter merkte ook iets op in de trant van: “
We moeten niet kijken naar het verleden”. Verzoeker had niet het idee dat er echt naar hem werd geluisterd. Dat idee werd versterkt door een telefoontje dat verzoeker van zijn zoon kreeg, in de avond na de mondelinge behandeling. De zoon van verzoeker vertelde dat de dochter van verzoeker hem had opgebeld en hem in een juichstemming had medegedeeld: “
De rechters wilden niet naar hem (verzoeker) luisteren.” Verzoeker vindt dat een zeer opmerkelijke reactie van iemand die bij de mondelinge behandeling aanwezig was en tijdens de mondelinge behandeling zo duidelijk had ervaren dat het haar kant opviel.
2.2.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het wrakingsverzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
De rechters hebben zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker het wrakingsverzoek niet op tijd heeft ingediend, want niet “
zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” zoals bedoeld in artikel 8:16 lid 1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek toegelicht dat hij zijn wrakingsverzoek op 10 april 2026, en dus ongeveer drie dagen na de mondelinge behandeling van de hoofdzaak, via aangetekende post heeft laten verzenden. Hij was een paar dagen ziek geweest en heeft ook de tijd genomen om wat er was gebeurd op de zitting te laten bezinken. In reactie hierop hebben de rechters gezegd dat wat hen betreft inhoudelijk op het wrakingsverzoek kan worden beslist. De wrakingskamer is, gelet op de toelichting van verzoeker, ook van oordeel dat het wrakingsverzoek op tijd is ingediend en dat het wrakingsverzoek dus ontvankelijk is.
3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid.
3.3.
De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd, bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechters door hun persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig zijn.
3.4.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechters tegenover hem een vooringenomenheid koesteren – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar deze is niet doorslaggevend.
3.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van zo’n zwaarwegende aanwijzing.
3.6.
Het standpunt van verzoeker dat te weinig (kritische) vragen aan zijn dochter en/of de vertegenwoordiger van het ministerie van Justitie en Veiligheid zijn gesteld, kan niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. Aan een rechter komt namelijk een grote vrijheid toe bij het bepalen van de gang van zaken tijdens een mondelinge behandeling van een zaak waarover zijn oordeel is gevraagd. De rechter beslist welke (kritische) vragen worden gesteld, de onderwerpen waarover die vragen worden gesteld en aan wie die vragen worden gesteld. Daarbij houdt de rechter steeds voor ogen welke informatie hij (in verband met het juridisch kader) nodig heeft voor de te nemen beslissing in de zaak. Uit het stellen van (kritische) vragen aan alleen verzoeker kan niet worden afgeleid dat de rechters tegenover hem vooringenomen zijn. Zulke vragen bieden verzoeker juist ook de gelegenheid om zijn standpunt nader toe te lichten en eventuele onduidelijkheden bij de rechters weg te nemen. De wrakingskamer heeft in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak, dat door verzoeker slechts op enkele detailpunten is weersproken, geen aanwijzingen gevonden dat de rechters door hun vraagstelling bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid hebben gewekt.
3.7.
Ook het standpunt van verzoeker dat de rechters te weinig op zijn belangen (en het algemeen belang) zijn ingegaan, kan om dezelfde reden niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. De rechters waren blijkbaar van oordeel dat zij voldoende over de belangen van verzoeker (en het algemeen belang) waren voorgelicht en zagen waarschijnlijk daarom geen aanleiding om daarover nadere vragen te stellen. Dat getuigt niet van vooringenomenheid.
3.8.
De wrakingskamer heeft ook overigens in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak geen aanwijzingen gevonden dat de rechters vooringenomen zijn tegen verzoeker of dat de vrees van verzoeker daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoeker uitgebreid de gelegenheid heeft gekregen om zijn standpunt toe te lichten. Dat de dochter van verzoeker tegen haar broer zou hebben gezegd dat de rechters niet naar verzoeker wilden luisteren, maakt dat niet anders. Dat betreft immers de subjectieve beleving van de dochter van verzoeker en het vindt bovendien geen steun in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak.
3.9.
Voor zover de klachten van verzoeker betrekking hebben op de manier waarop hij door de rechters is bejegend, zoals het onaangename gevoel dat verzoeker aan sommige vragen van de rechters heeft overgehouden, kan verzoeker hiertegen een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. De wrakingsprocedure is niet voor dat soort klachten bedoeld. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid van de rechters besloten ligt, zijn niet gesteld of gebleken.
3.10.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek ten aanzien van mrs. F.P. Heijne en A.M.J. Adriaansen in de bestuursrechtelijke zaak met zaaknummer ROT 24/10096 af.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.C. Santema, voorzitter, en mr. K.A. Baggerman en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.