Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6073

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717760 / KG ZA 26-328
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:212 lid 1 BWArt. 256 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid ex-werknemer en echtgenoot voor verduistering gelden VvE beheerder

Eiseres, een beheerder van onroerend goed en gevolmachtigde van vele bankrekeningen van VvE's, vordert betaling van een voorschot op schade veroorzaakt door verduistering van gelden door haar ex-werknemer, [gedaagde 1]. Deze was sinds 2013 financieel medewerker met toegang tot de administratie.

Na ontdekking van verduistering vanaf 2017 tot 2026, waarbij gelden werden overgemaakt naar rekeningen van [gedaagde 1], werd zij op staande voet ontslagen en deed eiseres aangifte. Conservatoire beslagen werden gelegd op bankrekeningen, woning en auto van gedaagden. Eiseres vordert een voorschot van €500.000, gedaagden betwisten dit deels.

De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is. Hoewel onvoldoende bewijs is voor opzet van [gedaagde 2], is hij wel ongerechtvaardigd verrijkt door de verduisterde gelden. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen tot €300.000 als voorschot, met hoofdelijk veroordeling van beide gedaagden tot betaling en proceskosten. Het meer gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een voorschot van €300.000 en de proceskosten, het meer gevorderde wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717760 / KG ZA 26-328
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. Y.A. Rampersad,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
beiden wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.B. Jansse,
gedaagde partijen.
Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1.De zaak in het kort

[eiseres] vordert in deze procedure betaling van een voorschot op de door haar geleden schade als gevolg van de gelden die [gedaagde 1] van haar heeft gestolen. De voorzieningenrechter wijst een voorschot van € 300.000,- toe. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 16 april 2026;
- de producties 1 tot en met 20 van [eiseres] ;
- de conclusie van antwoord;
- de producties 1 tot en met 4 van gedaagden;
- de pleitnota van [eiseres] ;
- de pleitnota van gedaagden.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 11 mei 2026 plaatsgevonden. Mr. Jansse heeft op de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres] overgelegde producties 15 tot en met 20.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] is een VvE beheerder, althans een beheerder van onroerend goed en is gevolmachtigde van honderden bankrekeningen van de in haar beheer zijnde verenigingen van eigenaren.
3.2.
[gedaagde 1] is op 8 juli 2013 in dienst getreden bij [eiseres] als financieel medewerker. In die functie had zij toegang tot de financiële administratie en betaalsystemen van [eiseres] .
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in 2021 in beperkte gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd en hebben twee minderjarige kinderen. Zij zijn in 2022 samen eigenaar geworden van de woning met toebehoren aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: ‘de woning’).
3.4.
[eiseres] heeft [gedaagde 1] op 18 februari 2026 op staande voet ontslagen, omdat zij vanaf 2017 tot en met 2026 gelden die voor derden bestemd waren, naar negen op haar naam staande bankrekeningen overmaakte.
3.5.
[eiseres] heeft op 20 februari 2026 aangifte van diefstal gedaan tegen [gedaagde 1] .
3.6.
Op 20 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend voor, onder andere, het leggen van conservatoire derdenbeslagen onder banken, conservatoir beslag op het onverdeelde aandeel van [gedaagde 1] in de woning met toebehoren (roerende zaken) en op een auto. De vordering is, met inbegrip van rente en kosten, begroot op € 911.090,-. De beslagen onder deren (banken) hebben doel getroffen. Het onder Rabobank geraakte bedrag – € 38.315,75 – is reeds afgedragen aan [eiseres] . [gedaagde 1] heeft daarnaast de auto ter beschikking gesteld aan [eiseres] .
3.7.
Op 26 februari 2026 heeft [eiseres] beslag gelegd op het onverdeelde aandeel van [gedaagde 2] in de woning met toebehoren. De vordering is in een tweede beslagverlof van 25 februari 2026 begroot op € 765.046,-, met inbegrip van rente en kosten. De voorzieningenrechter heeft tevens verlof verleend voor het leggen van beslag op alle roerende zaken (luxegoederen) in en om de woning met toebehoren.
3.8.
[eiseres] heeft in een bodemprocedure onder meer gevorderd om gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 612.538,61. Gedaagden hebben verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. In die zaak is een mondelinge behandeling gepland.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 500.000,-, te betalen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
4.2.
Gedaagden voeren verweer. Gedaagden concluderen primair tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , subsidiair de vordering te beperken tot een aanzienlijk lager bedrag met inachtneming van alle reeds gerealiseerde zekerheden, vrijgaven en betwiste posten en meer subsidiair tot afwijzing van de vordering jegens [gedaagde 2] en het verbinden van voorwaarden aan de veroordeling jegens [gedaagde 1] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Producties 15 tot en met 20 worden toegelaten
5.1.
Gedaagden maken bezwaar tegen producties 15 tot en met 20 van [eiseres] , omdat het een omvangrijk en complex pakket aan stukken betreft dat kort voor de zitting is ingediend. Gedaagden hebben deze stukken niet behoorlijk kunnen bestuderen, verifiëren en weerleggen. De voorzieningenrechter wijst het bezwaar van gedaagden af, omdat het stukken van gedaagden zelf betreffen waarmee zij dus reeds bekend waren. Bovendien zijn de stukken binnen de in het procesreglement gestelde termijn ingediend.
De zaak is geschikt voor kort geding
5.2.
Gedaagden stellen dat de vordering van [eiseres] ongeschikt is voor behandeling en beslissing in kort geding, omdat een nader onderzoek is vereist naar de aangevoerde feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Van ongeschiktheid van een zaak voor behandeling in kort geding, zoals bedoeld in artikel 256 Rv Pro, kan slechts sprake zijn als (a) de feiten binnen het beperkte kader van het kort geding niet voldoende tot klaarheid zijn gebracht of (b) de rechter de gevolgen van een door haar te geven beslissing niet voldoende kan overzien. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De feiten waarop partijen zich beroepen, zijn voldoende duidelijk geworden. Daarnaast is geen sprake van een situatie waarin de gevolgen van de te nemen beslissing onvoldoende kunnen worden overzien. De voorzieningenrechter komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering
5.3.
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
5.4.
[eiseres] stelt een spoedeisend belang bij haar vordering te hebben, omdat niet van haar kan worden verwacht dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. [eiseres] stelt dat zij uit eigen middelen reeds een deel van de schade heeft moeten vergoeden aan haar crediteuren. Met deze stelling heeft [eiseres] het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Dat [eiseres] al een veelvoud aan conservatoire maatregelen heeft getroffen waardoor [eiseres] de door haar gewenste zekerheid al heeft verkregen, zoals gedaagden stellen, neemt niet weg dat dit slechts bewarende maatregelen zijn en [eiseres] (spoedeisend) belang heeft bij het verkrijgen van een executoriale titel om, in ieder geval een deel van, haar vordering daadwerkelijk te kunnen innen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiseres] vooralsnog maar voor een fractie van haar vordering zekerheid heeft verkregen.
[gedaagde 1] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] en [gedaagde 2] is ongerechtvaardigd verrijkt
5.5.
[eiseres] heeft in februari 2026 ontdekt dat er overboekingen werden gedaan aan derden die wel op de debiteurenkaart stonden, maar dat deze debiteuren de door [eiseres] betaalde bedragen niet hebben ontvangen. Na onderzoek is gebleken dat [gedaagde 1] deze gelden overmaakte naar haar eigen bankrekeningen. [gedaagde 1] heeft erkend dat zij vanaf 2017 tot en met 2026 gelden van [eiseres] heeft verduisterd en dat zij hiermee onder meer haar koop- en gokverslaving heeft bekostigd en dat [gedaagde 1] van het geld veelvuldig op vakantie ging met haar gezin. [eiseres] stelt dat het handelen van gedaagden onrechtmatig is jegens haar, dat gedaagden door het handelen ongerechtvaardigd zijn verrijkt en dat zij de schade aan [eiseres] moeten vergoeden. [eiseres] vordert een voorschot op het in de bodemprocedure gevorderde bedrag, zodat het grootste vermogensbestanddeel van gedaagden, hun woning, kan worden verkocht en [eiseres] haar vordering kan innen.
5.6.
[gedaagde 1] heeft erkend geld van haar voormalig werkgever, [eiseres] , te hebben gestolen. Dit is onrechtmatig en maakt haar schadeplichtig. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ook [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Meer specifiek kan niet worden vastgesteld dat sprake is van opzet van [gedaagde 2] in de zin van dat hij [gedaagde 1] heeft geholpen, haar heeft aangezet tot de diefstal of, in de wetenschap van de diefstal, heeft nagelaten in te grijpen. Aannemelijk is wel dat [gedaagde 2] ongerechtvaardigd is verrijkt, zoals [eiseres] stelt. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
5.7.
Artikel 6:212 lid 1 BW Pro bepaalt dat degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Voor toewijzing van een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking moet sprake zijn van een verrijking, van een verarming, van causaal verband tussen de verrijking en de verarming en de verrijking moeten ongerechtvaardigd zijn.
5.8.
Dat [gedaagde 2] niet op de hoogte was, of niet had kunnen weten, dat [gedaagde 1] diverse goederen aanschafte en op vakantie ging met het gezin van geld dat niet aan haar toebehoorde, is niet aannemelijk. Gelet op het inkomen van beide partijen en hun uitgavenpatroon dat [eiseres] heeft gedestilleerd uit de door [gedaagde 1] verstrekte bankafschriften is onaannemelijk dat [gedaagde 2] in het geheel geen weet heeft gehad van deze extra gelden. Immers, het jaarinkomen in 2025 van gedaagden bedroeg in totaal
€ 99.985,- en in dat jaar gaven zij ruim € 38.000,- uit aan vakanties en uitjes, wat ruim één derde van hun totale jaarinkomen is. Ook als de vakanties slechts voor een deel van de gezamenlijke rekening zijn betaald en het andere deel via de (een van de) rekening(en) van [gedaagde 1] , zoals [gedaagde 2] stelt, dan nog moet hem alsnog zijn opgevallen dat die vakanties en uitjes anders en/of luxer waren dan voorheen in het licht van de hoogte van het salaris van partijen, omdat de uitgaven niet in verhouding staan tot het inkomen. Daar komt bij dat niet aannemelijk is dat zoveel extra inkomen kan worden gegenereerd uit Vinted verkopen en, gestelde, bonussen die [gedaagde 1] van haar werkgever zou hebben ontvangen, zoals zij stelt, dat [gedaagde 2] ook daarom geen weet had van de diefstal. Wat er aan extra “inkomen” werd gegenereerd, gaf [gedaagde 1] vervolgens namelijk ook weer uit aan onder andere dure designer kleren en accessoires.
5.9.
Het voorgaande betekent dat aannemelijk is dat [gedaagde 2] ten koste van [eiseres] is verrijkt en dat dit door de diefstal van [gedaagde 1] ongerechtvaardigd is geweest. [gedaagde 2] is dus op grond van ongerechtvaardigde verrijking aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade.
Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 300.000,-
5.10.
[eiseres] vordert als voorschot betaling van een bedrag van € 500.000,-. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een voorschot van € 300.000,- toewijsbaar is en licht dit als volgt toe.
5.11.
Partijen verschillen van mening over de exacte omvang van het gestolen bedrag. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde 1] ten minste € 300.000,- heeft ontvreemd, maar waarschijnlijk veel meer, omdat zij ter zitting heeft gesteld dat zij dit bedrag reeds aan haar relaties heeft voldaan. Gedaagden hebben dit niet betwist. [eiseres] heeft de schade uit eigen middelen aan de gedupeerden betaald, zodat zij spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 300.000,-.
5.12.
Voor het meerdere is de vordering niet toewijsbaar. [eiseres] heeft beslag gelegd op diverse vermogensbestanddelen van gedaagden, maar onduidelijk is in hoeverre deze beslagen doel hebben getroffen. Op dit moment is alleen duidelijk dat beslagen op twee bankrekeningen doel hebben getroffen (zie 3.6), maar onbekend is wat de waarde van de inbeslaggenomen auto is en waarom deze nog niet te gelde is gemaakt. In de al aanhangige bodemprocedure moet worden vastgesteld wat het exacte bedrag van de ontvreemding is, omdat gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde stukken in dit kort geding niet zonder meer duidelijk is geworden wie het gelijk aan haar zijde heeft.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
5.13.
Gedaagden krijgen grotendeels ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,59
- griffierecht
7.062,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.556,59
Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld
5.14.
Omdat gedaagden beiden aansprakelijk zijn, worden de veroordelingen hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde het hele bedrag is verschuldigd. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 300.000,00,
6.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 8.556,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
3608/2009